ECLI:NL:RVS:2026:2280

ECLI:NL:RVS:2026:2280

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202503444/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het naturalisatieverzoek), afgewezen. [appellant] stelt dat hij uit Sierra Leone komt. Vanaf 1 juni 2001 had hij een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met ingang van 15 juni 2007 had [appellant] een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov). [appellant] heeft eerder, op 27 oktober 2017, een naturalisatieverzoek ingediend. Dit naturalisatieverzoek heeft de minister afgewezen, omdat hij twijfel had over de identiteit en nationaliteit van [appellant]. De reden voor deze twijfel was dat [appellant] geen gelegaliseerde geboorteakte en buitenlands reisdocument had overgelegd. Daarnaast volgt uit een taalanalyse van 9 augustus 2019 (de taalanalyse) uitgevoerd door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) dat [appellant] eenduidig te herleiden is tot de taalgemeenschap in Guinee en dus niet tot de taalgemeenschap in Sierra Leone. Het hoger beroep van [appellant] in die procedure heeft de Afdeling met de uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566, ongegrond verklaard.

Uitspraak

202503444/1/V6.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2025 in zaak nr. 24/5060 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het naturalisatieverzoek), afgewezen.

Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Huy, advocaat in Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.L. Boer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] stelt dat hij uit Sierra Leone komt. Vanaf 1 juni 2001 had hij een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met ingang van 15 juni 2007 had [appellant] een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov).

2. [appellant] heeft eerder, op 27 oktober 2017, een naturalisatieverzoek ingediend. Dit naturalisatieverzoek heeft de minister afgewezen, omdat hij twijfel had over de identiteit en nationaliteit van [appellant]. De reden voor deze twijfel was dat [appellant] geen gelegaliseerde geboorteakte en buitenlands reisdocument had overgelegd. Daarnaast volgt uit een taalanalyse van 9 augustus 2019 (de taalanalyse) uitgevoerd door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) dat [appellant] eenduidig te herleiden is tot de taalgemeenschap in Guinee en dus niet tot de taalgemeenschap in Sierra Leone. Het hoger beroep van [appellant] in die procedure heeft de Afdeling met de uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566, ongegrond verklaard.

3. Het naturalisatiebeleid voor Ranov-vergunninghouders is met ingang van 1 november 2021 gewijzigd. Sindsdien zijn zij in beginsel vrijgesteld van de documenteis en hoeven zij dus doorgaans geen gelegaliseerde geboorteakte en paspoort over te leggen om te naturaliseren. Op 24 december 2021 heeft [appellant] vervolgens opnieuw een naturalisatieverzoek ingediend. Deze uitspraak gaat over dit tweede naturalisatieverzoek. De minister heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat er gerede twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van [appellant]. De minister baseert deze twijfel op de taalanalyse. [appellant] heeft geen contra-expertise overgelegd. Ook heeft [appellant] volgens de minister de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit niet met de daarvoor bestemde documenten weggenomen.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister bewijs van [appellant]’s gestelde identiteit en nationaliteit mocht verlangen, ondanks dat [appellant] heeft deelgenomen aan de Ranov-regeling. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de motie van 4 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35 483, nr. 68), die door de Tweede Kamer is aangenomen over het beperken van juridische belemmeringen in de naturalisatieprocedure voor Ranov-vergunninghouders. Uit de uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566, leidt de rechtbank af dat het niet onevenredig is dat de minister bij gerede twijfel aan de identiteit en nationaliteit van Ranov-vergunninghouders verwacht dat zij die met documenten onderbouwen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister in het geval van [appellant] de taalanalyse en de aanvullende reacties van TOELT aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Daarnaast heeft [appellant] volgens de rechtbank niet met stukken onderbouwd dat sprake is van bewijsnood.

Mocht de minister de taalanalyse aan zijn besluit ten grondslag leggen?

5. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de taalanalyse aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank heeft volgens [appellant] nagelaten te beoordelen of de taalanalyse zelf zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is door alleen te overwegen dat hij geen contra-expertise heeft overgelegd. Hij stelt verder dat de in de taalanalyse genoemde Franse leenwoorden niet op de opname te horen zijn of een reactie waren op een vraag over zijn kennis van het Frans. Het gebruik van Franse leenwoorden is daarnaast te verklaren, omdat [appellant] voor zijn vertrek naar Nederland twee jaar in een vluchtelingenkamp in Guinee heeft verbleven. Ook wijst [appellant] erop dat de uitspraak en grammatica van het Pular (Fuuta Jaloo) uit Guinee en Sierra Leone niet wezenlijk van elkaar verschillen, waardoor de taalanalist ten onrechte heeft aangenomen dat zijn uitspraak en grammatica op een herkomst uit Guinee wijzen. Ook twijfelt [appellant] aan de deskundigheid van de begeleidend linguïst. Daarnaast heeft de taalanalist volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat hij onvoldoende landenkennis heeft van zijn beweerde herkomstomgeving. Dit valt namelijk buiten de deskundigheid van de taalanalist.

5.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies van TOELT een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. De minister mag op het advies van TOELT afgaan, nadat hij is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197, onder 2.3. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de deskundigheid, de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1257, onder 5.1.

5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de taalanalyse op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Anders dan [appellant] betoogt is de rechtbank onder 9.1 tot en met 9.4 niet enkel wegens het ontbreken van een contra-expertise, maar ook om inhoudelijke redenen tot dit oordeel gekomen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat TOELT in het weerwoord van 14 oktober 2019, het weerwoord van 5 april 2024 en het weerwoord van 10 mei 2024 gemotiveerd is ingegaan op de kritiek van [appellant]. Zoals de rechtbank heeft overwogen volgt uit de taalanalyse, en zoals nader uitgewerkt in de reacties van TOELT, dat [appellant] geen Krio spreekt. Dit is de algemene voertaal in Sierra Leone en de hoofdtaal in de stad waar [appellant] naar gesteld vandaan komt. [appellant] heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij geen Krio spreekt. Ook gebruikt hij Franse leenwoorden in het Pular zoals gebruikelijk is in Guinee. Anders dan [appellant] betoogt, is de taalanalist dus niet op basis van de uitspraak en grammatica tot de conclusie gekomen dat [appellant] te herleiden is tot de spraakgemeenschap in Guinee. Het is tussen partijen niet in geschil dat niet alle in de taalanalyse opgenomen voorbeelden op de bandopname te horen zijn. De begeleidend linguïst heeft echter in het weerwoord van 5 april 2024 na het terugluisteren van de bandopname aan de hand van concrete voorbeelden inzichtelijk gemaakt dat [appellant] inderdaad Franse leenwoorden gebruikt. Hoewel niet is uitgesloten dat het verblijf van [appellant] in Guinee enige invloed heeft gehad op zijn taalgebruik, volgt uit de taalanalyse en het weerwoord van 5 april 2024 dat bij het opstellen van de taalanalyse is betrokken dat [appellant] twee jaar in Guinee heeft verbleven.

5.3. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht, die reden geven om te twijfelen aan de deskundigheid van de begeleidend linguïst. Hoewel [appellant] er terecht op wijst dat het niet tot de deskundigheid van de taalanalist behoort om een oordeel te geven over zijn gedemonstreerde landenkennis, leidt dit niet tot het daarmee beoogde doel. De taalanalist heeft de opmerking over de gedemonstreerde landenkennis namelijk niet betrokken in zijn oordeel over de herkomst van [appellant] in zijn conclusie onder 5 van het rapport taalanalyse. De Afdeling wijst ter vergelijking op de uitspraak van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4419, onder 4.4.

5.4. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Is sprake van bewijsnood?

6. De hogerberoepsgrond dat uit de context van de Ranov-regeling en het lange verblijf van [appellant] in Nederland evident volgt dat sprake is van bewijsnood is zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom deze gemotiveerde beoordeling onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10.1 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Dit betekent dat het beroep van [appellant] op bewijsnood niet slaagt. Ook roept deze hogerberoepsgrond geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Mag de minister het beleid voeren dat hij bij gerede twijfel aan de identiteit en nationaliteit van Ranov-vergunninghouders verlangt dat zij documenten overleggen?

7. [appellant] betoogt dat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb dat Ranov-vergunninghouders bij gerede twijfel over hun identiteit en nationaliteit alsnog gelegaliseerde documenten moeten overleggen. Hierbij wijst [appellant] erop dat Ranov-vergunninghouders sinds 2021 in beginsel zijn vrijgesteld van de documenteis, omdat het voor hen moeilijk is om documenten te verkrijgen. Dat Ranov-vergunninghouders bij naturalisatie alsnog hun identiteit en nationaliteit moeten aantonen, komt niet overeen met het doel van dit gewijzigde beleid. Ook vindt [appellant] dit niet proportioneel. Door het lange verblijf van Ranov-vergunninghouders in Nederland zijn namelijk de risico’s voor de minister die verbonden zijn aan het verlenen van het Nederlanderschap beperkt. De rechtbank heeft volgens [appellant] verder ten onrechte niet getoetst of het door de minister gevoerde beleid voldoet aan de eisen van geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid.

7.1. In artikel 7, eerste lid, van de RWN staat: ‘Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken‘. Artikel 7 van de RWN is nader uitgewerkt in artikel 31 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap. Ingevolge het eerste lid van dat artikel verstrekt een verzoeker bij het indienen van een naturalisatieverzoek gegevens over onder meer zijn naam, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland en nationaliteit. Ingevolge het vijfde lid kan de minister verlangen dat die verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst. Gelet op deze bewoordingen, heeft de minister beslisruimte bij het verlangen van dit bewijs. Deze ruimte is ingevuld in de Handleiding RWN.

7.2. Volgens de Handleiding RWN, paragraaf 3.5.6 van het beleid voor artikel 7 van de RWN, is met ingang van 1 november 2021 de verzoeker die in 2007 of 2008 als meerderjarige een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen, vrijgesteld van de verplichting om een paspoort en geboorteakte over te leggen. In paragraaf 3.5.1 van het beleid voor artikel 7 van de RWN staat dat ook als een verzoeker is vrijgesteld van de documenteis, gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit reden kan zijn voor afwijzing van een naturalisatieverzoek. Dit is ook het geval voor Ranov-vergunninghouders. Uit de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 7 juli 2021 volgt namelijk dat, afgezien van de documenteis, de overige naturalisatievereisten onverminderd blijven gelden. Dit is ook zo voor de regel dat, als de minister twijfelt aan de gestelde identiteit of nationaliteit, hij het verzoek afwijst (Kamerstukken II, 2020/21, 19 637, nr. 2757, blz. 6 en 7). Het is dan aan de verzoeker om deze twijfel weg te nemen, bijvoorbeeld door een paspoort of andere identificerende documenten over te leggen. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2330, onder 4.1.

7.3. De Afdeling oordeelt dat de omstandigheid dat Ranov-vergunninghouders zijn vrijgesteld van de documenteis, niet maakt dat het onevenredig is dat de minister bij gerede twijfel aan de identiteit en nationaliteit verlangt dat een verzoeker andere documenten ter staving daarvan overlegt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673, onder 2.2.3, is de verlening van het Nederlanderschap door de daaraan verbonden gevolgen een zaak van groot gewicht. Daarom hecht de minister er veel waarde aan dat naturalisatie plaatsvindt op basis van de juiste persoonsgegevens en nationaliteit. Het doel van het door de minister gevoerde beleid is dan ook om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat deze gegevens juist zijn. Het is tussen partijen in hoger beroep niet in geschil dat dit een legitiem doel is en dat het vereiste om bij twijfel aan de identiteit en nationaliteit een paspoort of andere identificerende documenten te verlangen een geschikt middel is om dit doel te bereiken.

Het betoog dat het beleid niet noodzakelijk is, omdat er door het langdurige verblijf van Ranov-vergunninghouders in Nederland weinig risico’s verbonden zijn aan de verlening van het Nederlanderschap, slaagt niet. Ook als de risico’s zoals betoogd klein zouden zijn, mag de minister er bij gerede twijfel over de identiteit en nationaliteit meer belang aan hechten dat deze twijfel zoveel mogelijk wordt weggenomen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister namelijk een zwaarwegend belang om in beginsel alleen het Nederlanderschap te verlenen aan een persoon wiens identiteit en nationaliteit bekend zijn.

Ook is het beleid naar het oordeel van de Afdeling evenwichtig. De minister kan redelijkerwijs van Ranov-vergunninghouders verlangen dat zij de gerede twijfel zo veel mogelijk wegnemen door documenten over te leggen. Hierbij weegt de Afdeling mee dat het voor Ranov-vergunninghouders op deze manier niet feitelijk onmogelijk is om te naturaliseren. Als een Ranov-vergunninghouder geen paspoort of andere documenten ter onderbouwing van zijn identiteit of nationaliteit kan verkrijgen, dan kan hij namelijk met een beroep op bewijsnood alsnog naturaliseren. Bij twijfel die is ontstaan op basis van een deskundigenrapport, kunnen Ranov-vergunninghouders deze twijfel ook wegnemen met een contra-expertise.

7.4. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Is het in het geval van [appellant] evenredig dat de minister het naturalisatieverzoek wegens gerede twijfel aan zijn identiteit en nationaliteit heeft afgewezen en had de minister moeten afwijken van zijn beleid?

8. [appellant] betoogt verder dat het in zijn specifieke geval niet evenredig is om van hem te verlangen dat hij de twijfel over zijn identiteit wegneemt door documenten over te leggen. Hierbij wijst [appellant] erop dat hij al meer dan twintig jaar in Nederland woont, sociaal geïntegreerd is, zijn kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, en hij in een situatie van structurele bewijsnood verkeert. [appellant] vindt daarom dat de minister in zijn geval met toepassing van artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van het beleid.

8.1. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. Gelet op het voorgaande is het beleid om bij gerede twijfel aan de identiteit en nationaliteit van Ranov-vergunninghouders te verlangen dat zij documenten overleggen niet onevenredig. [appellant] heeft geen enkele poging verricht om documenten te verkrijgen om de gerezen twijfel weg te nemen. Zoals de Afdeling onder 6 van deze uitspraak heeft overwogen, slaagt het beroep van [appellant] op bewijsnood niet. Hij heeft niet aangetoond dat hij alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1597, onder 6.2. De minister heeft daarnaast deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb afwijkt van het beleid en van [appellant] vereist dat hij de gerezen twijfel over zijn identiteit wegneemt. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de omstandigheden dat [appellant] al lang in Nederland verblijft, hier geïntegreerd is en dat zijn kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, niet maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken.

8.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Conclusie

9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. De Ruijter

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

887-1127

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. J.J.W.P. van Gastel
  • mr. M. den Heyer

Griffier

  • mr. A.E. de Ruijter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?