ECLI:NL:RVS:2026:2284

ECLI:NL:RVS:2026:2284

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202404364/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de burgemeester van Nissewaard besloten om de woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vanaf 20 juni 2022 voor drie maanden te sluiten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] huurden de woning aan de [locatie] in Spijkenisse van Woningstichting De Leeuw van Putten. Zij woonden daar samen hun twee minderjarige kinderen. Op 2 maart 2022 heeft de politie een melding gekregen over een onwel persoon die cocaïne zou hebben gekocht van [appellant sub 1]. De politie heeft naar aanleiding van deze melding in maart en april 2022 een aantal keer de woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geobserveerd. Hierbij is waargenomen dat de woning door verschillende personen kortstondig werd bezocht.

Uitspraak

202404364/1/A3.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend in Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

2. [appellant sub 2], wonend in Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2024 in zaken nrs. 23/1275 en 23/1512 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

de burgemeester van Nissewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de burgemeester besloten om de woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vanaf 20 juni 2022 voor drie maanden te sluiten.

Bij besluiten van 25 januari 2023 heeft de burgemeester de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2024 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.L. Kuit, advocaat in Rotterdam, [appellant sub 2], en de burgemeester, vertegenwoordigd door J. Bijloo, M. Erdogan, en L. Groenewegen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] huurden de woning aan de [locatie] in Spijkenisse van Woningstichting De Leeuw van Putten. Zij woonden daar samen hun twee minderjarige kinderen. Op 2 maart 2022 heeft de politie een melding gekregen over een onwel persoon die cocaïne zou hebben gekocht van [appellant sub 1]. De politie heeft naar aanleiding van deze melding in maart en april 2022 een aantal keer de woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geobserveerd. Hierbij is waargenomen dat de woning door verschillende personen kortstondig werd bezocht. Op 31 mei 2022 zijn meerdere aanhoudingen verricht waarbij de aangehouden verdachten hebben verklaard bij de bewoners van de woning verdovende middelen te hebben gekocht. Sommige verdachten hebben verklaard dat zij dat al meerdere jaren deden. Bij de aanhouding waren de verdachten ook in het bezit van de zojuist gekochte verdovende middelen. Op basis van deze waarnemingen heeft de politie de woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op 31 mei 2022 betreden en doorzocht. Daar zijn de onderstaande goederen aangetroffen:

- 4,8 gram amfetamine;

- 10,9 gram cocaïne;

- 4,01 gram hasj;

- 2,23 gram hennep;

- 25,1 gram inositol (een versnijdingsmiddel);

- vier balletjespistolen;

- een mobiele telefoon;

- € 2.900,00 contant geld;

- lege gripzakjes;

- ponypacks;

- weegschaaltje;

- vijf steekwapens.

Ook heeft de politie in de auto van [appellant sub 2] 2,82 gram hennep aangetroffen. Deze bevindingen zijn door de politie vastgelegd in een bestuurlijke rapportage van 13 juni 2022.

1.1. De burgemeester heeft vanwege deze vondst de woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vanaf 20 juni 2022 voor drie maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig het Besluit van de burgemeester van de gemeente Nissewaard tot vaststelling van beleidsregels voor de sluiting van woningen, lokalen en daarbij behorende erven bij overtreding van de Opiumwet (Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Nissewaard 2019). Hierbij heeft de burgemeester het gewicht van de met de sluiting te dienen doelen in verhouding zwaarder geacht dan de zwaarte van de gevolgen voor [appellant sub 1], [appellant sub 2] en hun minderjarige kinderen. De burgemeester heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester sluiting van de woning noodzakelijk mocht achten. Uit de omstandigheid dat door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam op 27 september 2022 op grond van de in de bestuurlijke rapportage vermelde feiten bewezen is verklaard dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] 23,2 gram cocaïne en 4,8 gram amfetamine voorhanden hadden en beiden vanuit de woning in cocaïne hebben gehandeld, volgt dat dit een ernstig geval is. Verder is het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding op 31 mei 2022 en het besluit van 15 juni 2022 niet dusdanig groot dat de noodzaak tot sluiting is verminderd. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de sluiting van de woning niet onevenwichtig was. Het is evident dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verwijtbaar hebben gehandeld, omdat gelet op de strafrechtelijke veroordeling ven beiden vast staat da zij vanuit de woning in cocaïne handelden. De burgemeester heeft bij zijn belangenafweging betrokken dat in de woning minderjarige kinderen woonden. Zo heeft de burgemeester de woningsluiting gemeld aan de afdeling Zorg van de gemeente, die hulp heeft aangeboden. [appellant sub 2] heeft de aangeboden hulp niet geaccepteerd. Daarna heeft de burgemeester twee maanden opvang geboden in een hotel, waarna het gezin op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning in een gezinsopvang van het Leger des Heils is opgevangen. De burgemeester heeft daarmee de belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en hun kinderen voldoende in de afweging betrokken en de burgemeester is aan die belangen ook voldoende tegemoetgekomen door hulp en opvang te bieden, aldus de rechtbank. Dat de sluiting ertoe heeft geleid dat de huurovereenkomst voor de woning is ontbonden, maakt de sluiting in de omstandigheden van het geval niet onevenwichtig.

Belang bij inhoudelijke behandeling van het beroep

2.1. De burgemeester heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting te kennen gegeven dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] inmiddels naar Spijkenisse zijn verhuisd. Hij stelt zich op het standpunt dat zij daardoor geen procesbelang meer hebben. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben gedurende de sluiting niet in de woning kunnen verblijven en daarmee is sprake van een inbreuk op hun woonrecht. Ook is niet onaannemelijk dat zij gedurende de periode dat hun woning gesloten was extra kosten hebben moeten maken. Zij hebben daarom procesbelang. Vergelijk de eerdere uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184, onder 5.2.

Beoordeling van de hoger beroepen

3. De gronden in hoger beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zullen tezamen worden behandeld.

3.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting noodzakelijk was. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat geen sprake was van een handelshoeveelheid hennep en amfetamine. De cocaïne was in een grote hoeveelheid ingekocht voor eigen gebruik en gebruik van/doorverkoop aan vrienden. Ook [appellant sub 1] voert aan dat de verdovende middelen voor eigen gebruik en voor vrienden waren. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen allebei dat door de strafrechtelijke maatregelen geen sprake meer was van noodzaak om de woning te sluiten.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen ook dat de sluiting onevenwichtig was. De rechtbank is volgens hen ten onrechte tot een ander oordeel gekomen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren daartoe aan dat [appellant sub 2] niet wist van de verdovende middelen in huis en haar daarom geen verwijt treft. Verder heeft de burgemeester de motivering van de sluiting onvoldoende toegespitst op de situatie van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en hun minderjarige kinderen. De door de burgemeester aangeboden hulp was onvoldoende. Ook is door de sluiting de huurovereenkomst ontbonden. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden had de burgemeester moeten afzien van sluiting, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

4. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.

5. Zowel wat betreft de noodzaak als de evenwichtigheid van de sluiting zijn de gronden die [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hoger beroep hebben aangevoerd zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank, zoals hiervoor weergegeven.

Daar voegt zij naar aanleiding van wat op de zitting is besproken aan toe dat de burgemeester zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de gevolgen die [appellant sub 2] en de kinderen zouden ondervinden, en ook hebben ondervonden, door de sluiting van de woning. De burgemeester heeft in de besluiten van 25 januari 2023 gemotiveerd dat er een zorgdossier is aangemaakt maar dat [appellant sub 2] vooralsnog wilde terugvallen op haar eigen netwerk. Dit volgt ook uit de dossierstukken. Zo is in de dossierstukken opgenomen dat na het besluit van 15 juni 2022 de burgemeester heeft nagevraagd of [appellant sub 2] zich bij een zorginstantie heeft gemeld voor hulp. [appellant sub 1] verbleef toen in detentie. Op 4 juli 2022 heeft de procesregisseur Lokaal Zorg Netwerk aan de burgemeester laten weten dat [appellant sub 2] zich niet heeft gemeld bij een zorginstantie. Vervolgens is gebleken dat [appellant sub 2] zich nergens heeft gemeld en is aan Kwadraad maatschappelijk werk gevraagd om contact op te nemen met [appellant sub 2]. Op 6 oktober 2022 heeft [appellant sub 2] te kennen gegeven dat zij in haar eigen netwerk wil blijven. Op 7 oktober 2022 heeft zij vervolgens te kennen gegeven toch geen aanspraak te willen of kunnen maken op haar netwerk. Op 10 oktober 2022 is een multidisciplinair overleg gepland om deze zaak te bespreken. Verder is contact geweest met Veilig Thuis, Woningstichting De Leeuw van Putten én de Ombudsvrouw om te kijken wat voor [appellant sub 2] en haar kinderen kon worden geregeld. Op 31 oktober 2022 heeft Kwadraad een briefadres voor [appellant sub 2] geregeld. Vervolgens heeft geen van de instanties meer iets van [appellant sub 2] vernomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester in het besluit op bezwaar gemotiveerd is ingegaan op de gevolgen van de sluiting voor [appellant sub 2] en haar kinderen. Ook is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester voldoende aan de belangen van [appellant sub 2] en haar minderjarige kinderen tegemoet is gekomen door hulp en opvang te bieden. Gelet op al het voorgaande en op wat de rechtbank heeft overwogen en de Afdeling onderschrijft zijn de nadelige gevolgen van de woningsluiting niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

990

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M. Willems

Griffier

  • mr. D. Singh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?