202404009/1/A3.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2024 in zaken nrs. C 10 681345 KG ZA 24-602, C 10 681106 FA RK 24-4639, C 10 681360 KG ZA 24-604, C 10 681372 FA RK 24-4767 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2024 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen.
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen.
Bij uitspraak van 28 juni 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A. Hielkema en A. Mahyou, zijn verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. [appellant] heeft een relatie met [persoon] en verblijft regelmatig in haar woning aan de [locatie] in Rotterdam. Volgens processen-verbaal van bevindingen heeft de politie op 7 juni 2024 een melding gekregen van iemand met wie [persoon] aan het videobellen was. De melder vertelde dat er sprake was van een ruzie in de woning van [persoon] waarbij er een mes zichtbaar was. De politie is ter plaatse gaan kijken en zag drie personen in de woning, waaronder [persoon] en [appellant]. [persoon] heeft toen verklaard dat er niets was gebeurd. Daarna is de politie vertrokken. Korte tijd later heeft een buurtbewoner een melding bij de politie gedaan. De buurtbewoner hoorde een ruzie op het adres van [persoon] en hoorde een vrouw meerdere keren ‘au’ roepen. Volgens de buurtbewoner klonk het alsof er iemand geslagen werd en er spullen kapot gegooid werden. De politie is nogmaals ter plaatse gekomen en heeft dit keer zichtbaar letsel bij [persoon] geconstateerd. Zij had een bloedneus en een kras van 5 cm op haar linker pols. Verder was haar shirt gescheurd. Op dat moment waren alleen [persoon] en [appellant] in de woning. Hierop is [appellant] aangehouden.
2. De burgemeester heeft naar aanleiding van het incident dat op 7 juni 2024 heeft plaatsgevonden op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) een huisverbod aan [appellant] opgelegd voor de duur van tien dagen. Het huisverbod is gebaseerd op een door de politie opgesteld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG). Daaruit blijkt dat, naast het incident van 7 juni 2024, ook eerder sprake is geweest van geweldsincidenten in de relatie tussen [appellant] en [persoon] in 2019, 2021 en 2022.
3. De burgemeester heeft het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, omdat de dreiging van het gevaar nog niet was geweken.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
4. De rechtbank heeft overwogen dat er ten tijde van het incident op 7 juni 2024 sprake was van een ernstig vermoeden van gevaar. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat [appellant] in 2019 is veroordeeld voor het plegen van huiselijk geweld tegen [persoon] en dat buurtbewoners hebben verklaard dat zij eerder ruzies hebben gehoord tussen [appellant] en [persoon]. Het feit dat zij beiden verklaren dat er geen sprake was van een geweldssituatie maakt dat niet anders.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat er op het moment van de verlenging van het huisverbod niets aan de situatie was veranderd. Er is geen hulpverlening betrokken en er zijn geen veiligheidsafspraken gemaakt. Daarom is er geen wijziging in het vermoeden van het gevaar. Hoewel [appellant] en [persoon] verklaren dat er niet veel aan de hand is, vertellen de omstandigheden van de situatie een ander verhaal. Het is van belang dat zij veiligheidsafspraken maken, zodat dergelijke situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.
De rechtbank is van oordeel dat het opgelegde huisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De burgemeester mocht zich op het standpunt stellen dat de oplegging van het huisverbod noodzakelijk was om strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld te voorkomen en om de gezondheid en lichamelijke integriteit van [persoon] te beschermen.
5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
6. De gronden die [appellant] over de oplegging en verlenging van het huisverbod heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1-4.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. In aanvulling daarop overweegt de Afdeling het volgende.
6.1. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij niet strafrechtelijk is veroordeeld voor het incident op 7 juni 2024, overweegt de Afdeling dat een strafrechtelijke veroordeling geen voorwaarde is voor het opleggen of verlengen van een huisverbod. Voor het opleggen of verlengen van een huisverbod is het ook niet relevant wie de melding op 7 juni 2024 bij de politie heeft gedaan en is het niet nodig dat eerst het onderzoek van de politie wordt afgewacht, zoals op zitting namens [appellant] naar voren is gebracht. Vanwege de spoedeisende aard van het huisverbod is, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vast staan.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Proceskostenvergoeding
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aantal motiveringsgebreken heeft gepasseerd, maar daarbij ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
7.1. De rechtbank heeft in het besluit tot oplegging van het huisverbod een onduidelijkheid in de motivering van de belangenafweging gezien, nu er een onvolledige zin in staat. In het besluit staat: "Dader staat ingeschreven op een ander adres en kan". De rechtbank heeft overwogen dat uit de stukken blijkt dat de woning waar het incident plaatsvond van [persoon] is en dat [appellant] bij de politie heeft verklaard dat hij een andere plek heeft om te verblijven. Daarom begrijpt de rechtbank de afweging die de burgemeester heeft gemaakt om het huisverbod aan [appellant] op te leggen.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat in zowel het besluit tot oplegging van het huisverbod, als in het besluit tot verlenging van het huisverbod, staat dat [appellant] in 2022 bij [persoon] snijwonden heeft toegebracht. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] terecht heeft aangevoerd dat dit niet is vastgesteld en dat dit een feitelijke onjuistheid is. Volgens de rechtbank maakt dit niet dat sprake is van een dusdanig motiveringsgebrek dat moet leiden tot vernietiging van het besluit. De directe aanleiding voor het huisverbod, te weten het incident van 7 juni 2024, is namelijk duidelijk in het besluit omschreven.
7.2. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van motiveringsgebreken, maar hierin geen aanleiding heeft gezien om de besluiten te vernietigen. De rechtbank heeft deze gebreken wel stilzwijgend met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, door de onvolledige zin over de motivering van de belangenafweging af te maken en door de motivering met betrekking tot het incident in 2022 te wijzigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:265, ligt het in de rede om bij het passeren van dergelijke gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een proceskostenvergoeding uit te spreken, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden om daar van af te zien. Dat heeft de rechtbank nagelaten, terwijl geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken om daarvan af te zien.
7.3. Het betoog slaagt.
Conclusie
8. Gelet op overwegingen 7.1 - 7.2 is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling bepalen dat de burgemeester de proceskosten moet vergoeden. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2024, in zaken nrs. C 10 681345 KG ZA 24-602, C 10 681106 FA RK 24-4639, C 10 681360 KG ZA 24-604, C 10 681372 FA RK 24-4767, voor zover daarbij is nagelaten de burgemeester van Rotterdam te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de burgemeester van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
978