202206524/1/R4.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in [woonplaats],
2. de "Stichting Milieuvrienden Duiven", gevestigd in Duiven, en anderen (de stichting en anderen),
appellanten,
en
1. het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (het college),
2. het college van gedeputeerde staten van Gelderland (het college van GS),
3. de minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister),
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2022 heeft het college voor een periode van 20 jaar aan Windpark Caprice B.V. (de initiatiefnemer) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee windturbines op het terrein van steenfabriek Caprice aan de Scherpekamp 3 in Angeren (de locatie).
Bij besluit van gelijke datum heeft het college van GS aan de initiatiefnemer een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (de Wnb) verleend voor het oprichten en in gebruik nemen van de twee windturbines.
Bij besluit van gelijke datum heeft het college van GS aan de initiatiefnemer ontheffing verleend voor het overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de exploitatie van de twee windturbines (de Wnb-ontheffing).
Bij besluit van 20 september 2022 heeft de minister een watervergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet aan de initiatiefnemer verleend voor het bouwen en behouden van één windturbine en het verrichten van handelingen in een watersysteem.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Tegen één of meer van de besluiten hebben de stichting en anderen en [appellant sub 1] beroep ingesteld.
Het college, het college van GS en de minister hebben een verweerschrift ingediend.
De stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2025, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.A. de Lange, advocaat in Barendrecht, vergezeld door [persoon A], [persoon B] en [persoon C], het college, vertegenwoordigd door mr. B. de Haan en mr. T.A. Hubregtse, beiden advocaat in Arnhem, vergezeld door A. van Kampen, het college van GS, vertegenwoordigd door mr. T.P.P. Paas en drs. P. Meeuwissen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.C.M. Keijser-Vermeulen, mr. P.C. Bielen en M.G.J. Straatman, zijn verschenen. Verder is op de zitting de initiatiefnemer Windpark Caprice B.V., vertegenwoordigd door mr. ing. A.P.J. Timmermans en ir. F.P. de Jong, vergezeld door [persoon D] en [persoon E] van Renewable Factory, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden.
2. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3. Als een aanvraag om een natuurvergunning of een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvragen om een Wnb-ontheffing en natuurvergunning zijn ingediend op 5 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 13 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
5. De besluiten maken de realisatie van "Windpark Caprice" (de ontwikkeling) mogelijk. De ontwikkeling bestaat uit twee windturbines met bijbehorende voorzieningen. De windturbines hebben een ashoogte van minimaal 130 en maximaal 160 meter, een rotordiameter van minimaal 130 en maximaal 170 meter, een tiphoogte van minimaal 195 en maximaal 240 meter en een vermogen van in totaal maximaal 14 MW (de windturbines).
6. De locatie voor de ontwikkeling ligt in de uiterwaarden van de Nederrijn, die overgaat in het Pannerdensch Kanaal (het kanaal). Beoogd is om de windturbines te plaatsen aan weerszijden van het toekomstige tracé van de A15, dat over het terrein van de steenfabriek zal lopen. De windturbine ten noorden van dat tracé zal volledig in het Natura 2000-gebied Rijntakken (Rijntakken) staan. Van de windturbine ten zuiden van dat tracé zal alleen de wiekoverslag in Rijntakken plaatsvinden.
7. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] in [woonplaats], binnen de slagschaduw van de windturbines. Daarnaast hebben de stichting, 31 natuurlijke personen die in de omliggende dorpen Doornenburg, Loo of Angeren wonen, de "Vereniging Dorpsbelangen Loo" (de vereniging) en de "Stichting Leefbaar Rijnstrangen en Loowaard i.o." (stichting Rijnstrangen en Loowaard) beroep ingesteld. Zij vrezen voor aantasting van het woon- en leefklimaat en de natuur in de omgeving door de ontwikkeling.
8. De stichting heeft onder meer als doel het behouden en het verbeteren van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het grondgebied van de gemeente Duiven en aangrenzende gemeenten.
De vereniging heeft onder meer als doel het behartigen van de belangen van de inwoners van Loo in het maatschappelijk leven en het bevorderen van de contacten tussen inwoners en verenigingen.
De stichting Rijnstrangen en Loowaard heeft als doel het toezien op en bevorderen van de leefbaarheid in het Rijnstrangengebied en Loowaard voor flora en fauna en voor bewoners en direct omwonenden.
Opzet uitspraak
9. De Afdeling zal hierna eerst ingaan op de ontvankelijkheid van de beroepen (onder 10 tot en met 13). Daarna zal zij ingaan op enkele beroepsgronden in relatie tot de Crisis- en herstelwet (Chw) (onder 14 en 15), de ingetrokken beroepsgrond (onder 16) en de relativiteit (onder 17 tot en met 22.3). Vervolgens zal zij de beroepsgronden met een conclusie per besluit behandelen, eerst de omgevingsvergunning (onder 23 tot en met 42), daarna de natuurvergunning (onder 43 tot en met 47), vervolgens de Wnb-ontheffing (onder 48 tot en met 50) en als laatste besluit de watervergunning (onder 51 tot en met 53). Tot slot zijn de eindconclusie en de proceskosten opgenomen (onder 54 tot en met 56). Na het dictum zijn in de bijlage de regels opgenomen die van belang zijn voor deze zaak.
Ontvankelijkheid beroepen
10. Op de zitting is de vraag aan de orde gesteld of appellanten belanghebbenden zijn bij de door hen bestreden besluiten. De Afdeling overweegt hierover als volgt.
11. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft de Afdeling echter - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.
Ontvankelijk beroep vereniging, stichting en natuurlijke personen
12. [appellant sub 1], de vereniging, de stichting en een groot deel van de natuurlijke personen die beroep hebben ingesteld, hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om over de ontwerpen van de besluiten een zienswijze naar voren te brengen. Omdat zij een zienswijze hebben ingediend, kan in het midden blijven of zij belanghebbenden zijn bij de door hen bestreden besluiten. Hun beroepen zijn ontvankelijk.
13. Het beroep van de inwoners van Loo die geen zienswijze hebben ingediend is ook ontvankelijk, omdat dit dorp binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine ligt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616), dus binnen een straal van 2.400 meter, zodat zij belanghebbenden zijn bij de besluiten.
Dit laatste geldt ook voor de inwoners van Doornenburg die aan de Krakkedel en Koffiemolen wonen en geen zienswijze hebben ingediend. Hun woningen liggen ook binnen die straal.
Crisis- en herstelwet
14. Op de besluiten is de Chw van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd.
15. De stichting en anderen hebben voor het eerst in de nadere stukken van 28 februari 2025, na afloop van de beroepstermijn, gronden aangevoerd over de inspraak bij de RES, Zeer Zorgwekkende Stoffen op windturbinebladen, Leading Edge Erosion, PFAS en BPA en de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet. Het betoog dat het besluit over de watervergunning te laat is genomen, dat in die vergunning een periode voor de afname van stroom van de windturbines ontbreekt en dat de zienswijzennota niet is bijgesloten bij die vergunning, is ook pas aangevoerd na afloop van de beroepstermijn. Deze beroepsgronden zal de Afdeling dus niet beoordelen. De stelling van de stichting en anderen ter zitting dat dit nadere argumenten zijn ter toelichting op eerder door haar ingediende beroepsgronden over gezondheid en externe veiligheid, volgt de Afdeling niet.
Ingetrokken beroepsgrond
16. De stichting en anderen hebben de beroepsgrond over Natura 2000 en stikstof op de zitting ingetrokken.
Relativiteit
17. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
18. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
19. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen.
Relativiteit en omgevingsvergunning
20. Het betoog van de stichting en anderen dat de windturbines het werkklimaat van het personeel van de steenfabriek aan de [locatie 2] en het leef-, woon- en werkklimaat van de molenaarswoning aan de [locatie 3] in Angeren aantasten en geluidhinder, slagschaduw en andere vormen van hinder bij de molenaarswoning veroorzaken, heeft geen betrekking op de belangen van de omwonenden die beroep hebben ingesteld of waarvoor de stichting en de vereniging krachtens hun statutaire doelstellingen opkomen. Het betoog kan dus vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van de besluiten. De Afdeling zal de beroepsgronden over het personeel van de steenfabriek en de molenaarswoning daarom niet inhoudelijk bespreken.
Relativiteit en Wnb-ontheffing / soortenbescherming
21. Volgens het college van GS staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat de beroepen die tegen de Wnb-ontheffing zijn gericht, voor zover ingesteld door [appellant sub 1] en de inwoners van Loo, inhoudelijk worden beoordeeld. Zij wonen volgens het college van GS op een afstand van meer dan een kilometer van de projectlocatie en dat is te ver om aan te nemen dat er directe verwevenheid is tussen hun woon- en leefgebied en de door de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb te beschermen belangen.
21.1. Als een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Niet in alle gevallen behoeft echter op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Wnb met de bescherming van plant- en diersoorten ook bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van natuurlijke personen. De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4391, onder 8.2, wordt bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van appellant en de locatie waarop het voorziene project wordt uitgevoerd. Als die afstand hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, zal in het algemeen niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. De kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant houdt dan onvoldoende verband met de bescherming van de volgens hem op de gronden van het voorziene project levende diersoorten.
21.2. Niet in geschil is dat [appellant sub 1] hemelsbreed op een afstand van meer dan 1 kilometer van de dichtstbijzijnde windturbine woont. Die afstand is te groot om de hiervoor bedoelde verwevenheid aan te nemen. Artikel 8:69a van de Awb staat daarom in de weg aan vernietiging van de Wnb-ontheffing op zijn beroepsgronden. Dit betekent dat de Afdeling deze beroepsgronden niet inhoudelijk zal beoordelen.
21.3. Gelet op de statutaire doelstelling van de stichting, die onder meer betrekking heeft op het behoud en het verbeteren van de natuurwaarden in de gemeente Duiven en aangrenzende gemeenten, kunnen de tegen de Wnb-ontheffing gerichte beroepsgronden van de stichting en anderen, ook ingediend namens inwoners van Loo, daarentegen wel tot vernietiging van het betreffende besluit leiden. Anders dan het college van GS betoogt, zal de Afdeling deze beroepsgronden daarom wel inhoudelijk beoordelen.
Relativiteit en Wnb-vergunning / gebiedsbescherming
22. Volgens het college van GS staat het relativiteitsvereiste ook in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden die [appellant sub 1] tegen de natuurvergunning heeft gericht, omdat zijn woning op een afstand van meer dan 1 kilometer van Rijntakken ligt.
22.1. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
22.2. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat de individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- of leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Bij de beantwoording van de vraag of zo’n verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het directe zicht vanuit de woning op het gebied. Als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van betrokkene, dan is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.
22.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] op een afstand van ongeveer 150 meter van Rijntakken woont en dat er geen tussenliggende bebouwing is. Aannemelijk is dat [appellant sub 1] dus direct zicht heeft op dit natuurgebied. Artikel 8:69a van de Awb staat daarom niet in de weg aan vernietiging van de natuurvergunning op de hiertegen gerichte beroepsgronden van [appellant sub 1]. De Afdeling zal deze beroepsgronden om die reden inhoudelijk beoordelen.
Omgevingsvergunning
23. Bij het besluit van 22 september 2022 heeft het college aan de initiatiefnemer een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en e van de Wabo:
- het (ver)bouwen van een bouwwerk;
- het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;
- het oprichten, veranderen van het inwerking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, voor een periode van 20 jaar.
De initiatiefnemer heeft onverplicht een milieueffectrapport (het MER) op laten stellen voor de aanvraag hiertoe.
Toetsingskader voor de omgevingsvergunning
24. Voor de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geldt, gelet op het hier toegepaste artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van die wet dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening en de motivering een goede ruimtelijke onderbouwing moet bevatten. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
25. Voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk geldt dat het college, gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als zich wel zo’n weigeringsgrond voordoet, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken. De Afdeling toetst aan de hand van de beroepsgronden of het college die beoordeling juist heeft uitgevoerd.
26. Artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. In het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Dit betekent dat het college een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu moet worden geweigerd.
Regionale Energiestrategie
27. [appellant sub 1] betoogt dat de locatie voor de ontwikkeling buiten de zoeklocaties van de "Regionale Energiestrategie’ (de RES) valt.
27.1. In Nederland wordt op verschillende manieren gewerkt aan de klimaatdoelen, zoals met de RES, waarin op regionaal niveau, door onder meer gemeenten, provincies en waterschappen, wordt bekeken waar kansen liggen voor het grootschalig opwekken van energie op land. Omdat de energie opbrengst van de twee windturbines naar verwachting genoeg is om duurzaam te voorzien in de elektriciteitsvraag van circa 15.000 huishoudens, leveren de windturbines volgens het college een belangrijke bijdrage aan de regionale doelstelling van de RES. Dat de locatie van de windturbines niet tot de zoeklocaties behoort van de RES voor de regio Arnhem-Nijmegen, betekent op zichzelf niet dat de windturbines niet zijn toegestaan op de locatie.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsverordening Gelderland
Stiltegebied
28. [appellant sub 1] betoogt ook dat er aan beide zijden van het Kanaal een stiltegebied ligt met een maximaal geluidniveau van 40 dB(A), terwijl het geluid van de windturbines meer dan dat bedraagt, namelijk 47 dB(A).
28.1. Op grond van artikel 3.56 van de Omgevingsverordening Gelderland wijzen Provinciale Staten stiltegebieden aan waar regels gelden om geluidhinder te voorkomen of te beperken. In de artikelen 3.58 en 3.59 zijn de verbodsbepalingen voor stiltegebieden opgenomen. Deze zijn niet van toepassing op windturbines. Uit artikel 3.57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingsverordening Gelderland volgt namelijk dat de verbodsbepalingen voor stiltegebieden niet gelden voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting. Van strijd met de Omgevingsverordening Gelderland is op dit punt dus niet gebleken.
28.2. Voor zover het betoog zo moet worden begrepen dat het betrekking heeft op de ruimtelijke afweging van het college over geluid, is het volgende van belang. Het stiltegebied ligt aan de overzijde van de locatie en het kanaal, zoals inzichtelijk is gemaakt in het akoestisch rapport van Bosch & Van Rijn van 13 februari 2021. Uit dit rapport volgt dat als wordt uitgegaan van een worst-case scenario, de jaargemiddelde geluidsdruk vanwege de turbines op het stiltegebied lager is dan 40 dB(A). Aan de rand van het stiltegebied kan de maximale geluidsdruk volgens het akoestisch rapport oplopen tot 42 dB(A) bij een wind van 11 m/s. Het college acht dit aanvaardbaar omdat dit alleen gebeurt bij een dergelijke krachtige wind en de overschrijding beperkt is. De Afdeling acht dit standpunt van het college aanvaardbaar.
Het betoog slaagt niet.
Groene ontwikkelingszone
29. De stichting en anderen betogen dat geen rekening is gehouden met de randvoorwaarden die aan nieuwe ontwikkelingen in de "Groene ontwikkelingszone" (GO) van de Omgevingsverordening Gelderland worden gesteld, zoals fysieke natuurcompensatie. Verder betogen zij dat niet is gebleken dat is getoetst of de ontwikkeling tot significante aantasting van de kernkwaliteiten van de GO leidt.
29.1. Artikel 2.52, eerste lid, van de Omgevingsverordening Gelderland stelt eisen aan nieuwe activiteiten of ontwikkelingen in de GO.
In de bijlage "Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone" van de Omgevingsverordening Gelderland zijn de kernkwaliteiten, de actuele waarden en de ontwikkelingsdoelen van elk deelgebied binnen de GO beschreven.
29.2. De windturbines zijn voorzien binnen het uitbreidingsdeel van het bedrijventerrein van de steenfabriek. Dit ligt binnen het deelgebied "Gelderse Poort noord" van de GO. De kernkwaliteiten, waarden en ontwikkelingsdoelen van dit deelgebied van de GO zijn uiteengezet in paragraaf 10 van het rapport "Gebiedsbescherming Windpark Caprice te Angeren" van Econsultancy van 25 mei 2021 (het rapport gebiedsbescherming). Daarin heeft Econsultancy opgemerkt dat voor de voorgenomen plannen geen bomenrijen worden verwijderd of grote aanpassingen aan het landschap worden gemaakt, waardoor de meeste kernkwaliteiten behouden worden en de ontwikkelingsdoelen niet belemmerd worden. Econsultancy heeft geconcludeerd, ook op basis van de rapportage soortbescherming van 17 augustus 2020, dat de voorgenomen plannen zijn in te passen in de GO.
In de toelichting op de aanvraag omgevingsvergunning is verder gewezen op het "Inrichtingsplan natuurversterking ten behoeve van de herinrichting steenfabrieksterrein" (het inrichtingsplan natuurversterking), opgenomen als figuur 15 in de ruimtelijke onderbouwing. Dit is ingediend om de uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk te maken. Het inrichtingsplan natuurversterking bevat maatregelen om de kernkwaliteiten van de GO in de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder te versterken. Daarbij is vermeld dat de provincie Gelderland akkoord is gegaan met deze natuurversterkingsmaatregelen. Met het inrichtingsplan natuurversterking wordt volgens het college een ruimtelijke kwaliteitsbijdrage en landschapsversterking geleverd en zijn de natuurversterkingsmaatregelen voor de GO geborgd.
29.3. Het betoog van de stichting en anderen geeft geen aanleiding tot twijfel aan het standpunt van het college. Zij hebben niet geconcretiseerd met welke kernkwaliteiten, waarden en ontwikkelingsdoelen van de Gelderse Poort noord het college onvoldoende rekening heeft gehouden of waarnaar onvoldoende onderzoek is gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Weidevogel- en ganzenrustgebieden
30. De stichting en anderen betogen dat het volgens het reglement van het Gelders Natuurnetwerk is uitgesloten om windturbines te plaatsen in weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen.
30.1. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat de stichting en anderen een beroep doen op de artikelen 2.51a en 2.51b van de Omgevingsverordening Gelderland, waarin de instructieregels voor een Weidevogelgebied (een broedgebied voor weidevogels) en een Ganzenrustgebied (een rustgebied voor overwinterende ganzen) zijn opgenomen.
Op grond van artikel 2.51a, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland wordt een nieuwe windturbine in ieder geval niet toegelaten als het bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied.
De door de provincie aangewezen Weidevogelgebieden liggen op afstand van de locatie, dus de ontwikkeling is niet in strijd met artikel 2.51a, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland.
30.2. Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied, laat het op grond van artikel 2.51b, aanhef en onder a en b, van die verordening een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat een nieuwe ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt en er na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft.
30.3. Niet is gebleken dat artikel 2.51b van de Omgevingsverordening Gelderland in de weg staat aan de ontwikkeling. Ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning lag nagenoeg het hele terrein van de steenfabriek buiten de begrenzing van de Ganzenrustgebieden. Volgens het college lag een deel van dit terrein per abuis binnen die begrenzing. Dit is hersteld in het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland van 14 maart 2023, bekendgemaakt op 21 maart 2023. Zoals het college stelt, zullen de windturbines, inclusief overdraai, buiten de Ganzenrustgebieden worden gesitueerd.
Uit de rapporten van Econsultancy volgt bovendien dat de ontwikkeling geen significante nadelige invloed heeft op Ganzenrustgebieden. Verder heeft Bosch & Van Rijn in de memo van 14 september 2022, in reactie op vragen van omwonenden, opgemerkt dat het resterende oppervlak voor de Ganzenrustgebieden ruim boven de 500 hectare ligt. Voor zover de windturbines binnen het ten tijde van de bestreden besluiten nog niet opnieuw begrensde Ganzenrustgebied zijn gesitueerd, wordt dus aan de voorwaarden van artikel 2.51b van de Omgevingsverordening Gelderland voldaan.
Het betoog slaagt niet.
Verkenningsbied voorwaarden natuurbegraven
31. De stichting en anderen stellen dat de locatie in het "Verkenningsgebied voorwaarden Natuurbegraven en Kleinschalige recreatie Gelders Natuurnetwerk" ligt. Volgens hen neemt het realiseren van de windturbines een reële mogelijkheid weg tot het realiseren van een natuurbegraafplaats of kleinschalige recreatie.
31.1. De Afdeling stelt vast dat de locatie niet op gronden ligt die in de Omgevingsverordening Gelderland zijn aangewezen als verkenningsgebied voor de functies waarop de stichting en anderen doelen. Het college heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de windturbines geen belemmering daarvoor opleveren. Niet is gebleken dat het besluit van 22 september 2022 tot verlening van de omgevingsvergunning op dit punt in strijd is met bepalingen van de Omgevingsverordening Gelderland.
Het betoog slaagt niet.
Provinciaal beleid
32. De stichting en anderen betogen dat in de Windvisie Gelderland is gesteld dat het van belang is om windturbines te combineren met andere intensieve functies en dat hierin locaties zijn vastgesteld waar windturbines kunnen worden gerealiseerd en kansrijk zijn. Volgens de stichting en anderen is er wel enige, maar geen intensieve, bedrijvigheid bij de locatie en is de toekomst van de steenfabriek vanwege de hoge gasprijzen ongewis.
32.1. In het MER van 25 februari 2020 staat dat de locatie volgens de "Omgevingsvisie Gaaf Gelderland" van 19 december 2018, ligt in een "windenergie aandachtsgebied". Zoals in het MER staat, betekent dit dat er op voorhand geen belemmering is vanuit provinciaal belang voor windenergie, maar dat een gesprek met de juiste personen nodig is voor verduidelijking van de (on)mogelijkheden en dat locatiespecifiek onderzoek moet worden gedaan. In het MER is wat betreft de door de provincie gewenste combinatie van windturbines met andere, intensieve functies, zoals infrastructuur of regionale bedrijventerreinen, opgemerkt dat realisatie van windturbines op de locatie zorgt voor een samenhang tussen opwek en consumptie, waarbij het bedrijventerrein op directe wijze wordt verduurzaamd en de ligging langs de snelweg als duurzame poort naar de Lingewaard kan worden ervaren.
De stichting en anderen gaan met de stelling dat er geen intensieve bedrijvigheid is, voorbij aan de in het MER genoemde combinatie van windturbines met infrastructuur en de steenfabriek ter plaatse. De Afdeling ziet in deze stelling dan ook geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met het provinciaal beleid is vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Gemeentelijk beleid
33. De stichting en anderen betogen dat de besluiten haaks staan op het gemeentelijk beleid omdat solitaire windturbines niet de voorkeur hebben, de visuele impact van de windturbines heel groot en beeldbepalend is, en de windturbines zullen leiden tot ongewenste versnippering en verrommeling van het landschap. Ook [appellant sub 1] betoogt dat de windturbines het landschap visueel zullen aantasten en dat cultuurlandschap, stilte en natuurbeleving verder zullen verdwijnen hierdoor. Volgens [appellant sub 1] wordt ontoelaatbaar afgeweken van het negatieve advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Lingewaard (de commissie).
33.1. Op 18 september 2019 heeft de raad van de gemeente Lingewaard het "Beleidskader Windenergie" (het gemeentelijk beleidskader) vastgesteld. Hierin staat dat vanuit de noodzaak van de energietransitie de grondhouding over windenergie positief is en dat binnen het beleidskader wordt meegewerkt aan initiatieven. In het gemeentelijk beleidskader is opgenomen dat moderne windturbines een tiphoogte hebben van 150-240 meter en dat deze een nieuwe dominante laag vormen in het landschap. Volgens het gemeentelijk beleid streeft de gemeente Lingewaard naar een ordelijk landschappelijk beeld, waarbij windturbines worden gekoppeld aan bestaande grootschalige infrastructuur en glastuinbouw. Solitaire windturbines worden volgens het gemeentelijk beleid negatief beoordeeld.
33.2. De commissie heeft aan het college van burgemeester en wethouders op 16 december 2019 negatief geadviseerd over windpark Caprice. Gelet op de tiphoogte van 240 meter zijn de twee windturbines volgens de commissie, indien waarneembaar, binnen een straal van 2.400 meter beeldbepalend en binnen een straal van vijf keer de tiphoogte zeer dominant aanwezig. De commissie stelt dat de windturbines de beleving van het uiterwaardenlandschap zullen domineren en de ruimtelijke kwaliteit hiervan significant zullen aantasten. De windturbines passen volgens de commissie ook niet in het kleinschalige dorpse karakter van de omliggende dorpen. Ook ’s nachts zullen de windturbines door de verlichting te zien zijn. Tegelijkertijd realiseert de commissie zich dat windenergie van belang is voor een duurzaam Lingewaard en dat het gemeentebestuur de argumenten van ruimtelijke kwaliteit moet afwegen tegen die van energietransitie en duurzaamheid. De commissie adviseert om bij realisatie het verlies aan ruimtelijke kwaliteit te compenseren door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit of landschapsverbetering op verschillende plekken, en dit te borgen in een groen- of landschapsfonds.
33.3. Volgens de Landschappelijke beoordeling van Bosch & van Rijn van 10 februari 2021 ligt de locatie op een uniek kruispunt. Enerzijds is op de locatie windenergie gewenst vanuit het beleid, vanwege de combinatie met infrastructuur. Anderzijds is dit niet gewenst, vanwege de ligging in de uiterwaarden van het kanaal, in de "Gelderse Poort", deels in Rijntakken, bij het Gelders Natuurnetwerk en de GO. De windturbines hebben volgens Bosch & van Rijn de meeste impact op de uiterwaarden en passen hier vanwege het natuurlijke karakter van het landschap zeer slecht en de impact voor de direct omwonenden binnen een straal van 2,5 kilometer zal groot zijn. Het landschap is echter dynamisch en aan verandering onderhevig en de toekomstige energiecorridor A15 is volgens de Landschappelijke beoordeling één van de weinige voorbeelden waarbij de ontwikkeling een mogelijke aansluiting vindt. Bosch & van Rijn adviseert eventuele mitigerende maatregelen vooral in de uiterwaarden toe te passen, zoals het versterken van de huidige kwaliteiten hiervan, en verder de windturbines minder zichtbaar te maken op significante plekken.
33.4. Het college heeft het advies van de commissie onderschreven voor zover dit betrekking heeft op het sterke ruimtelijke effect en de dominantie van de windturbines in het landschap. Het college heeft bij toetsing van de ontwikkeling aan het gemeentelijk beleidskader echter geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid, omdat in zekere mate sprake is van een rustig en ordelijk beeld, bestaande uit twee windturbines, dus geen solitaire windturbine, op een locatie binnen het uitbreidingsdeel van het bedrijventerrein van de steenfabriek, op/onder het tracé van de Betuwelijn en de nog door te trekken A15 en aan het kanaal, zodat is voldaan aan de voorwaarde van koppeling aan grootschalige infrastructuur. Daardoor vormen de windturbines volgens het college een onderdeel van de totale beleving van het landschap. Omdat het er niet meer dan twee zijn, nemen deze de beleving van het landschap in algemene zin niet over. Het college wijst verder op het hiervoor vermelde "Inrichtingsplan natuurversterking", waarmee de provincie akkoord is gegaan en waarmee volgens het college in navolging van het advies van de commissie een bijdrage wordt geleverd aan de landschapsverbetering.
33.5. Naar het oordeel van de Afdeling is het college hiermee gemotiveerd van het advies van de commissie afgeweken en kan deze motivering het standpunt van het college dragen dat het initiatief in lijn is met het gemeentelijk beleid. Niet bestreden is dat het college gevolg heeft gegeven aan het advies van de commissie om het verlies aan ruimtelijke kwaliteit bij realisatie van het project te compenseren. Daarbij is ook de notitie van 7 juli 2020 over de financiële participatie van belang, waaruit volgt dat de initiatiefnemer overeenkomstig paragraaf 5.5. van het gemeentelijk beleidskader een omgevingsfonds voor de dorpsraden van Angeren, Loo en Doornenburg heeft opgericht, waaraan een deel van de winst van de windturbines ten goede zal komen. Verder komt een deel hiervan ten goede aan omwonenden en aan een gemeenschapsfonds, dat onder meer gebruikt kan worden voor de verbetering van de ontsluiting, natuur, leefbaarheid en duurzaamheidsprojecten. Daarnaast zijn, in navolging van het advies van de commissie, in het Windfonds gestorte bedragen bestemd voor de omgeving. Het college heeft de impact van de twee windturbines op de omgeving en de aantasting van het landschap dus onder ogen gezien, maar aan de belangen van deze windturbines voor de energietransitie voorrang gegeven. Het gemeentelijk beleid maakt deze afweging mogelijk.
De betogen van de stichting en anderen en [appellant sub 1] slagen niet.
Milieunormen
Geluid
34. De stichting en anderen betogen dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) van toepassing zijn. Zij voeren aan dat deze normen voor windturbines met een masthoogte van 80 meter zijn vastgesteld en dat deze normen niet meer gelden voor drie of meer windturbines. Volgens de stichting en anderen gelden deze daarom ook niet meer voor twee windturbines. De stichting en anderen voeren verder aan dat de geluidsnormen die in de omgevingsvergunning zijn opgenomen van 46 Lden en 40 dB Lnight niet actueel en niet deugdelijk zijn en onvoldoende op de situatie zijn toegesneden. Op de zitting hebben zij toegelicht dat zij niet de door het college gebruikte maatstaf Lden (Level day evening night) op zichzelf bestrijden. Volgens hen had het college echter, gelet op de publicatie van 10 oktober 2018 van de World Health Organization (de WHO), de strengere norm 45 dB Lden als bovengrens voor geluid moeten hanteren. Uit die norm leiden de stichting en anderen af dat ’s nachts de norm van 38 dB Lnight zou moeten gelden. Tot slot voeren zij aan dat gecumuleerde geluidsbelasting en het laagfrequent geluid had moeten worden berekend.
34.1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, voor windturbineparken, dat wil zeggen een park bestaande uit ten minste drie windturbines, overwogen dat aan de windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen milieubeoordeling vooraf is gegaan en dat deze bepalingen daarom vanwege strijd met het Unierecht buiten toepassing moeten worden gelaten.
Omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op twee windturbines en dit geen windturbinepark is in de hiervoor vermelde zin, is het college er terecht vanuit gegaan dat de windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling van toepassing zijn. De stichting en anderen worden dus niet gevolgd in het betoog dat het college de normen van het Activiteitenbesluit niet had mogen toepassen.
34.2. Dit neemt niet weg dat het college bevoegd is, op grond van artikel 8.42, derde lid, van de Wet milieubeheer gelezen in samenhang met artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit, om in verband met bijzondere lokale omstandigheden bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vast te stellen. Het college heeft hieraan toepassing gegeven door maatwerkvoorschriften in de omgevingsvergunning op te nemen (de voorschriften) die afwijken van de normen van het Activiteitenbesluit, waaronder voor geluid.
34.3. Het college heeft akoestisch onderzoek laten uitvoeren door Bosch & Van Rijn en Pondera. In het rapport van Bosch & Van Rijn "Windpark Caprice Lingewaard Akoestisch onderzoek t.b.v. projectMER" van 13 februari 2021 (het akoestisch rapport) is voor het MER met het rekenprogramma Geomilieu de geluidsimmissie bij woningen in en nabij de ontwikkeling berekend, uitgaande van verschillende opstellingsvarianten van de windturbines. In het rapport is geconcludeerd dat de geluidbelasting bij de woningen van derden maximaal 45 dB Lden en 39 dB Lnight is, zodat geen mitigerende maatregelen nodig zijn.
Bosch & Van Rijn heeft ook de gecumuleerde geluidsbelasting beoordeeld van verschillende bronnen, namelijk het scheepvaart- en wegverkeerslawaai in de bestaande situatie en na realisatie van de verlenging van de A15, industrielawaai van de steenfabriek, en het geluid van de toekomstige ontgronding Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. Met toepassing van de methode Miedema is inzicht gegeven in de verwachte kwaliteitsveranderingen van de akoestische omgeving. In het akoestisch rapport heeft Bosch & Van Rijn de resultaten zonder windenergie en inclusief verschillende MER-alternatieven voor windenergie vergeleken en geconcludeerd, voor zover hier van belang, dat de windturbines niet leiden tot een verandering in woonklimaat ten opzichte van de autonome situatie.
Bosch & Van Rijn heeft in het rapport "WP Caprice Onderbouwing milieunormen" van 24 mei 2022 voor het college inzichtelijk gemaakt welke gevolgen verschillende geluidsnormen hebben voor het aantal ernstig gehinderden en het opbrengstverlies en geconcludeerd dat het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de ontwikkeling beperkt is.
34.4. Pondera heeft in het rapport "Motivering aanvullende voorschriften Windpark Caprice" van 21 april 2022 met een figuur inzichtelijk gemaakt wat de cumulatieve geluidbelasting is in de huidige situatie zonder windturbines. Volgens het rapport verschilt het heersende achtergrondgeluid per locatie met als voornaamste bron het wegverkeersgeluid van de Rijndijk ’s nachts, dat tussen de 41-45 dB Lnight bedraagt.
Pondera heeft daarnaast inzichtelijk gemaakt wat de additionele geluidbelasting is als gevolg van de windturbines voor zo’n 3.000 woningen binnen 3 kilometer van de ontwikkeling. Bij 2.939 woningen, 98% van het totaal, is deze geluidbelasting lager dan 40 dB. Bij 26 woningen (0,9%) bedraagt deze 40 dB tot 42 dB, bij 31 woningen (1%) 42 dB tot 45 dB en bij 4 woningen (0,1%) 45 dB tot maximaal 46 dB. Pondera heeft geconcludeerd dat hiermee wordt voldaan aan de normen van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.
Voor de door het college te kiezen voorschriften heeft Pondera voorgesteld de geluidnorm van 40 dB Lnight toe te passen, 1 dB lager dan de norm van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De windturbines veroorzaken namelijk in de nacht een geluidbelasting van maximaal 40 dB Lnight en daarmee wordt hinder van windturbinegeluid ’s nachts voorkomen. De maximale geluidbelasting van de windturbines op geluidgevoelige objecten bedraagt 46 dB Lden. Pondera heeft voorgesteld om ook dit vast te leggen in de voorschriften, zodat dit voor de omgeving is geborgd. Omdat de initiatiefnemer een windturbine met een maximaal geluidbronvermogen van 106,5 dB(A) (LW, max) wil realiseren, heeft Pondera verder geadviseerd dit op te nemen in de voorschriften. Hiermee wordt volgens Pondera recht gedaan aan de bescherming van de omgeving enerzijds en het belang van opwekking van duurzame elektriciteit met windturbines anderzijds.
34.5. Het college heeft in navolging van dit advies in de omgevingsvergunning opgenomen dat de windturbines moeten voldoen aan de, door hem vastgestelde, normen van ten hoogste 46 dB Lden en 40 dB Lnight op de gevel van geluidgevoelige objecten. Verder mogen de windturbines uitsluitend in gebruik worden genomen en gehouden als het geluidvermogen (LW, max) bij geen enkele windsnelheid meer dan 106,5 dB(A) per turbine bedraagt. Het jaargemiddeld geluidvermogen mag in de dag-, avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan 104,7 dB(A), 105,4 dB(A) en 105,9 dB(A). Daarnaast is voorgeschreven dat geen tonaliteit in de geluidemissie van de windturbine mag optreden en dat een toeslag van 0 tot 6 dB wordt toegepast als dit toch wordt geconstateerd. In de omgevingsvergunning is vermeld dat het college met deze normen een balans tussen zo min mogelijk hinder voor omwonenden en het behalen van de doelstellingen van de energietransitie heeft willen bereiken.
34.6. De Afdeling stelt vast dat deze geluidsvoorschriften strenger zijn voor de initiatiefnemer dan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. In wat de stichting en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet redelijkerwijs voor de in de omgevingsvergunning opgenomen voorschriften voor geluid heeft mogen kiezen of dat aan de akoestische rapporten zodanige gebreken kleven dat het college deze niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag had mogen leggen. Uit deze rapporten volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van geluidgevoelige objecten als gevolg van de windturbines maximaal 46 dB Lden en 40 dB Lnight is.
34.7. Het betoog over laagfrequent geluid geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Zoals onder 7.2.5 van het MER is opgemerkt, wordt laagfrequent geluid betrokken bij de berekening van de geluidbelasting met Lden. Het college heeft gewezen op onderzoeken van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Bureau LBP/Sight, waaruit niet is gebleken dat laagfrequent geluid extra hinder oplevert ten opzichte van "gewoon" geluid. De Afdeling kan het standpunt van het college volgen en ziet in wat de stichting en anderen hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten voor de conclusie dat onvoldoende rekening is gehouden met laagfrequent geluid (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677).
34.8. De door de stichting en anderen aangehaalde geluidsnorm van 45 dB Lden van de WHO is een advieswaarde, waaraan geen beslissende betekenis toekomt en er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college die norm had moeten hanteren. De Afdeling verwijst hiervoor ook naar haar uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4442, onder 14.2. Ook voor het toepassen van de door de stichting en anderen genoemde norm van 38 dB Lnight heeft het college geen aanleiding hoeven zien.
34.9. Het betoog slaagt niet.
Geluid en handhaving
35. De stichting en anderen betogen ook dat het college in de omgevingsvergunning een voorschrift had moeten opnemen dat een akoestisch onderzoek moet plaatsvinden voor het definitieve windturbinetype. Daarnaast had het college volgens hen een bepaling moeten opnemen dat als uit dit onderzoek blijkt dat de gestelde normen voor de bronsterkte worden overschreden, gehandhaafd wordt. Volgens hen is handhaving op basis van jaargemiddelden niet goed uitvoerbaar en geeft dit geen goed beeld van overlast die van korte duur is.
35.1. Het college heeft opgemerkt dat bij alle onderzoeken is uitgegaan van een worst-case scenario. Ongeacht het type windturbine dat daadwerkelijk zal worden gerealiseerd moet volgens het college voldaan worden aan de geluidsvoorschriften die in de omgevingsvergunning zijn opgenomen. Het college stelt dat handhaving zich zal concentreren op de geluidemissie van de windturbines en dat juist daarom ook een maximaal geluidbronvermogen van de windturbines is voorgeschreven. Voor de wijze waarop het maximaal geluidbronniveau kan worden gehandhaafd, heeft het college verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064, onder 36.1. Op de zitting heeft het college verder naar voren gebracht dat de windturbines niet in gebruik kunnen worden genomen als niet aan de geluidvoorschriften is voldaan.
35.2. Gelet op deze toelichting van het college en het door het college voorgeschreven maximale geluidbronvermogen van de windturbines, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college een aanvullende bepaling in de omgevingsvergunning had moeten opnemen over een nader akoestisch onderzoek of over de handhaving. Daarbij betrekt de Afdeling de hiervoor in 35.1 genoemde uitspraak en de daarin beschreven werkwijze voor handhavingsmetingen bij windturbines. Deze worden toegespitst op controle van het geluidvermogen van individuele windturbines. Aan de hand van de productiegegevens van de windturbines kan worden berekend of dit leidt tot een overschrijding van de normen bij de omliggende woningen. Bij overschrijding kan terugregeling van de windturbines plaatsvinden of kunnen in een uiterste situatie een of meer windturbines worden stilgezet.
De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover in deze zaak anders te oordelen. De Afdeling betrekt daarbij dat het college heeft toegelicht dat de specificaties van de leverancier van de windturbines gecontroleerd zullen worden en dat binnen drie maanden na ingebruikname een geluidsmeting van de bronsterkte van beide windturbines dient plaats te vinden. Daarnaast heeft het college gesteld dat de initiatiefnemer in overleg omwonenden zal betrekken bij de monitoring van geluid.
Het betoog slaagt niet.
Gezondheid algemeen
36. De stichting en anderen betogen dat er geen gedegen onderzoek beschikbaar is dat inzicht geeft in de gezondheidseffecten van windturbines met een masthoogte van 160 meter en tiphoogte van 240 meter.
36.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301, onder 31.1, onder verwijzing naar de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 99 en verder, is er op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs voor directe effecten van windturbines op de gezondheid. Het RIVM heeft in 2020 een literatuuronderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van windturbines. In de "Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid" van het RIVM is een beknopte uitleg over dit onderzoek gegeven met bronvermelding. Het RIVM heeft op basis van dit onderzoek opgemerkt dat onvoldoende bewijs is gevonden voor een relatie tussen het geluid van windturbines en gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op de mentale gezondheid. Ook heeft het RIVM hierin naar voren gebracht dat grotere windturbines met meer vermogen niet noodzakelijkerwijs meer geluid maken dan kleinere en dat de geluidproductie vooral samenhangt met het type windturbine.
Het betoog slaagt niet.
Externe veiligheid
37. De stichting en anderen betogen dat de veiligheid in het geding is, omdat meerdere woningen binnen de afstand van 4x de ashoogte van de windturbines staan. Verder betogen zij dat geen alomvattend onderzoek is verricht naar windturbines met een rotordiameter van 170 meter. In de gevarencirkel vallen volgens hen de daar verblijvende personen, woningen, bedrijven met gevaarlijke apparatuur en leidingen, waaronder gasleidingen met een mogelijk domino-effect bij een calamiteit, een camping, een zalencomplex, een groot deel van het natuur- en recreatiegebied Loowaard, de scheepvaart op het kanaal, vaak ook met gevaarlijke lading, en de dijk.
Daarnaast is de werpafstand bij overtoeren volgens hen niet goed berekend omdat het ballistische model zonder luchtkrachten is gebruikt.
De stichting en anderen betogen ook dat het onduidelijk is wat het college heeft gedaan met de opmerkingen van de Commissie m.e.r. over inconsistenties in de berekende werpafstand, mogelijk hogere kans op dijkschade en het ontbreken van een aantal risicoberekeningen en haar advies om het MER op deze punten uit te werken en aan te vullen.
37.1. Het college stelt dat deugdelijk onderzoek is verricht dat aantoont dat er geen knelpunten zijn voor de externe veiligheid. De windturbines worden op voldoende afstand tot onder meer infrastructuur en objecten van waterkeringen gerealiseerd.
37.2. De externe veiligheidsrisico’s zijn onderzocht in het rapport van Bosch & Van Rijn van 21 januari 2021 "Windpark Caprice Lingewaard Kwantitatieve Risicoanalyse t.b.v. projectMER en aanvraag omgevingsvergunning". Anders dan de stichting en anderen kennelijk veronderstellen waren ten tijde van de vergunningverlening geen afstanden vastgesteld als bedoeld in artikel 3.15a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. De normstelling voor windturbines en objecten waar personen verblijven, is opgenomen in artikel 3.15a, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit. Bosch & Van Rijn is op basis hiervan onder meer nagegaan of zich binnen de hierin genoemde 10-6 en 10-5 contour kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Activiteitenbesluit bevinden, uitgaande van drie typen windturbines met ashoogtes en rotordiameters van 100, 130 en 160 meter. Binnen de 10-6 contour heeft een persoon die continu en onbeschermd op die plaats zou verblijven, een kans op overlijden van één keer in de miljoen jaar, en binnen de 10-5 contour is deze kans één keer in de 100.000 jaar. Gebleken is dat zich geen kwetsbare objecten, zoals woningen, binnen de 10-6 contour en ook geen beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-5 contour van de drie typen windturbines bevinden. Daarmee is voldaan aan de veiligheidseisen van artikel 3.15a, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit.
37.3. Ook de risico’s van het afbreken van (een deel van) een windturbineblad binnen de straal van de maximale werpafstand bij nominaal toerental en bij overtoeren is in het onderzoek betrokken. In figuur 3 van het rapport van Bosch & Van Rijn is van de grootste werpafstand bij overtoeren van 478 meter uitgegaan om de objecten die zich binnen die invloedssfeer van de windturbines bevinden in kaart te brengen, zoals hoogspannings- en buisleidingen, primaire waterkeringen, een gas ontvang station, openbare wegen en een spoorweg.
Bosch & Van Rijn heeft berekend wat de intrinsieke faalkans van deze installaties is en daarnaast wat de faalkansverhoging is als gevolg van de windturbines. Uit de berekeningen volgt dat de maximale faalkansverhoging 0,35% is, wat ruim onder de richtwaarde van 10% ligt die op grond van het Handboek Risicozonering Windturbines wordt gehanteerd. Verder is de berekening voor de waterkering door de Omgevingsdienst Regio Arnhem getoetst. Daaruit is volgens het college gebleken dat aanvullend onderzoek naar de verhoging van de intrinsieke faalkans van de primaire waterkering niet nodig is.
In het rapport is uiteengezet dat is voldaan aan de adviesafstanden van TenneT voor hoogspanningsinfrastructuur, van ProRail voor de spoorwegen, van Gasunie voor de buisleidingen en van Rijkswaterstaat voor de infrastructuur en vaarwegen.
37.4. Dat Bosch & Van Rijn niet is uitgegaan van een windturbine met een rotordiameter van 170 meter, zoals de stichting en anderen stellen, betekent niet dat de maximale werpafstand is onderschat. Op de zitting heeft de initiatiefnemer toegelicht dat hoe groter de rotor is, hoe langzamer deze ronddraait en hoe kleiner de werpafstand is. Dit volgt ook uit de onderzoeksresultaten van het rapport van Bosch & Van Rijn. De maximale werpafstand van de hierin genoemde referentiewindturbine met een ashoogte van 155 meter en een rotordiameter van 170 meter bedraagt 181 meter bij een nominaal toerental en 455 meter bij overtoeren. Bij het type windturbine met een kleinere ashoogte en rotordiameter van 130 meter is de maximale werpafstand groter, namelijk 181 meter en bij overtoeren 478 meter. Zoals hiervoor is overwogen, is in de risicoanalyse van laatstgenoemde grootste werpafstand van 478 meter uitgegaan.
37.5. Het college heeft voor het berekenen van de werpafstand een ballistisch rekenmodel zonder luchtkrachten gehanteerd, omdat dit in het algemeen de verste werpafstand oplevert. Het college heeft opgemerkt dat de berekening is gecontroleerd met SAVE-W, een programma waarvan de formules en uitkomsten zijn geverifieerd door het RIVM. Uit de berekening met luchtkrachten voor de VKA-bovengrens volgt dezelfde maximale werpafstand als die met het ballistisch rekenmodel zonder luchtkrachten. Een berekening met luchtkrachten zal volgens het college in ieder geval niet leiden tot een grotere risicocontour.
37.6. Het college heeft gesteld dat hij per abuis enkele verkeerde documenten naar de Commissie m.e.r. heeft gestuurd, met onjuiste afstanden, waardoor de contouren in verschillende figuren niet klopten. Naar het college onweersproken heeft gesteld, is deze fout hersteld en zijn de afstanden en contouren die zijn vermeld in de risicoanalyse die als bijlage bij de omgevingsvergunning is gevoegd, correct.
37.7. Het college heeft verder gesteld dat in reactie op het advies van de Commissie m.e.r. berekeningen van een aanvullend onderzoek over de toekomstige A15 zijn toegevoegd. Daaruit is gebleken dat het gelet op de aard van de weg niet realistisch is dat het individueel passanten risico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) worden overschreden. Van een overschrijding zou namelijk pas sprake zijn als meer dan 3,1 miljard passanten per jaar de windturbines passeren op de A15 (MR) en als één persoon meer dan 1.582.278 keer per jaar de windturbines passeert (IPR).
37.8. Wat de stichting en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het college van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan en zijn besluit niet op de risicoanalyse van Bosch & Van Rijn heeft kunnen baseren. Gelet op die risicoanalyse en de toelichting hierop van het college, ziet de Afdeling in wat de stichting en anderen hebben aangevoerd geen knelpunten voor de externe veiligheid.
Het betoog slaagt niet.
Grondwater
38. De stichting en anderen betogen dat de bouw van de windturbines op deze locatie tot een zeer ongewenste en riskante situatie leidt, omdat de kwaliteit van het grondwater ernstig in gevaar komt en er risico bestaat voor uitspoeling naar het rivierwater. Volgens hen moet daarom eerst een saneringsplan worden uitgevoerd voordat er gebouwd mag worden.
38.1. In het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning staat dat er is gebleken van een (potentieel) geval van bodemverontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming. Daarom mag pas worden gebouwd als door het bevoegd gezag is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging of is ingestemd met het saneringsplan of bij het bevoegd gezag een melding is gedaan van een voornemen tot sanering. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee de door de stichting en anderen gevreesde situatie ondervangen.
Het betoog slaagt niet.
Archeologie
39. De stichting en anderen betogen dat het college eraan voorbij is gegaan dat de windturbines zijn beoogd binnen de zogenoemde "Limes", de ter plaatse aanwezige voormalige grens- en verdedigingszone van het Romeinse rijk. Dit aspect is volgens hen niet onderzocht en in de ruimtelijke onderbouwing onbesproken gebleven.
39.1. De Afdeling stelt vast dat in de Landschappelijke beoordeling van 10 februari 2021 van Bosch & Van Rijn, waaronder figuur 11, is besproken dat de locatie binnen de "Limes beschermingszone" ligt. In de "Reactienota vooroverleg Conceptaanvraag omgevingsvergunning Windpark Caprice" heeft het college vermeld dat de locatie van de noordelijke windturbine is vrijgegeven voor het aspect archeologie omdat daar al bodemverstoring en ophoging heeft plaatsgevonden. Verder heeft het college opgemerkt dat de zuidelijke windturbine binnen het gebied valt waar al archeologisch onderzoek voor het bestemmingsplan "Steenfabriek Huissenswaard" heeft plaatsgevonden. Gezien de onderzoeksresultaten en de voorgenomen ingrepen in het plangebied heeft het college geconcludeerd dat geen archeologische resten zullen worden verstoord en dat daarom geen aanvullend archeologisch vooronderzoek hoeft te worden verricht.
De Afdeling kan dit standpunt van het college volgen.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
40. Het college heeft volgens de stichting en anderen geen zorgvuldige belangenafweging gemaakt, omdat de belangen van omwonenden onvoldoende zijn onderzocht en meegewogen. De gezondheids-, veiligheids- en leefbaarheidsbelangen van omwonenden wegen volgens de stichting en anderen zwaarder dan de economische belangen van de steenfabriek, de exploitant van de windturbines en de gemeente. Volgens de stichting en anderen dragen de windturbines niet bij aan reële verduurzaming van Nederland of van de steenfabriek, omdat de windturbines niet voor het elektriciteitsgebruik van de steenfabriek worden ingezet.
40.1. De aanvraag is door de initiatiefnemer ingediend omdat de steenfabriek het energieverbruik wil verduurzamen door een deel van de energieproductie in te zetten voor de benodigde elektriciteit en warmte voor de productie van de stenen. De steenfabriek kan ongeveer 97% van het elektriciteitsverbruik afnemen van de windturbines. Met de energieopbrengst kan ook duurzaam worden voorzien in de elektriciteitsvraag van ongeveer 15.000 huishoudens. Daarmee dragen de windturbines volgens de initiatiefnemer bij aan de verduurzaming van de steenfabriek en van omgeving.
40.2. Het college heeft opgemerkt dat de opwekking van duurzame energie met behulp van windturbines van belang is voor het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen, zodat de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperkt worden. Volgens het college zijn er in Lingewaard beperkte mogelijkheden om windparken te realiseren en dient de inpassing van windenergie te gebeuren op een verantwoorde manier, met oog voor natuur, landschap, leefbaarheid en het eerlijk verdelen van de lusten en laten.
Volgens het college was het niet makkelijk om het besluit op de aanvraag van de initiatiefnemer te nemen, omdat het evenwicht gevonden moest worden tussen het belang van een aanvaardbare ruimtelijke impact en de doelstelling in het kader van de energietransitie. Omdat uit onderzoek is gebleken dat met de ontwikkeling minimale effecten optreden voor de omgeving en natuur en de ontwikkeling een groot aandeel, zo’n 23 tot 42%, kan hebben in de doelstelling van de gemeente Lingewaard om in 2030 111 Gwh duurzame energie met wind op te wekken, heeft het college de omgevingsvergunning toch verleend. Daarbij heeft het college ook betrokken dat er sprake is van een goede compensatie voor de omgeving. Het college wijst erop dat uit de notitie financiële participatie volgt dat de gemeenschap van Lingewaard een belangrijk aandeel zal krijgen van de inkomsten van het windpark.
40.3. Uit het voorgaande volgt dat het college, zoals het stelt, niet alleen de belangen van een duurzame energievoorziening maar ook de belangen van de omwonenden heeft betrokken. Zoals hiervoor is overwogen heeft het college het verlies aan ruimtelijke kwaliteit vanwege de windturbines onderkend, maar dit aanvaardbaar geacht omdat het geen solitaire windturbine midden in de polder, maar twee windturbines betreft. Deze vormen volgens het college een rustig en ordelijk beeld en worden langs de snelweg en op het bedrijventerrein van de steenfabriek geplaatst, overeenkomstig het provinciale en gemeentelijke beleid. Om een balans te bereiken tussen zo min mogelijk hinder van de windturbines voor omwonenden en het behalen van de doelstellingen van de energietransitie, heeft het college verschillende voorschriften, onder meer op het gebied van geluid, in de omgevingsvergunning opgenomen die strenger zijn dan wettelijk is verplicht. Niet is gebleken dat geluidhinder of gezondheids-, veiligheids- of leefbaarheidsbelangen van omwonenden in de weg staan aan verlening van de omgevingsvergunning. De Afdeling ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door het college gemaakte belangenafweging onzorgvuldig is geweest.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie omgevingsvergunning
41. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college op basis van de onderzoeken naar onder meer geluid, externe veiligheid, bodem, water en archeologie, landschap, ecologie en energieopbrengst, na afweging van de betrokken belangen kunnen besluiten de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
42. De beroepen van de stichting en anderen en [appellant sub 1] tegen het besluit van het college tot verlening van de omgevingsvergunning zijn ongegrond.
Natuurvergunning
43. Het college van GS heeft bij besluit van 22 september 2022 een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (de natuurvergunning) aan de initiatiefnemer verleend voor de realisatie en exploitatie van de ontwikkeling. Het hierboven onder 29.2 genoemde rapport gebiedsbescherming van Econsultancy van 25 mei 2021, dat door het college van GS als passende beoordeling is aangemerkt, is hieraan ten grondslag gelegd.
44. Gelet op de ingetrokken beroepsgrond is de in het besluit betrokken stikstofdepositie op het Natura 2000 gebied Rijntakken niet meer in geschil. Partijen zijn nog verdeeld over de vraag of het rapport gebiedsbescherming aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd.
45. De stichting en anderen betogen dat het rapport gebiedsbescherming onvolledig en onzorgvuldig is. Zij voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden aan de Loose zijde van Rijntakken, aangewezen als broedgebied voor meerdere vogelsoorten. Daar zal volgens hen een groot gedeelte van de fauna worden getroffen en vluchtgedrag vertonen als gevolg van het geluid en de slagschaduw van de windturbines. De stichting en anderen betogen verder dat de samenhang in de natuur van Rijntakken ernstig verstoord zal worden door het geluid, de slagschaduw, trillingen, luchtdrukverschillen en visuele afschrikking, wat volgens hen zal leiden tot omvliegroutes en het verlaten van het gebied. Zij stellen dat Econsultancy nauwelijks aandacht hieraan heeft besteed en dat over de gevolgen van slagschaduw voor de fauna ook niets is vermeld.
Volgens [appellant sub 1] is het niet uitgesloten dat de windturbines, mede gelet op hun maximale omvang, vanwege de verstoring door geluid en slagschaduw, significante negatieve gevolgen zullen hebben op de fauna van Rijntakken, waaronder de bever en de otter. Hij merkt op dat de bevers hun burcht hebben in de Kandiaplas, op een afstand van nog geen 500 meter van de windturbines. [appellant sub 1] betoogt ook dat Econsultancy over het hoofd heeft gezien dat de zuidelijk gelegen windturbine een obstakel vormt voor watervogels, omdat de windturbine zal worden gesitueerd op hun vliegroute naar foerageergebieden in de Rijn en de Waal.
[appellant sub 1] betoogt verder, onder verwijzing naar de "Risicokaart externe werking wind- en zonne-energie voor ganzen rondom Natura 2000-gebieden" en de "Risicokaart externe werking wind- en zonne-energie voor zwanen rondom Natura 2000-gebieden" van het A&W-rapport 21-084, dat Econsultancy ook voorbij is gegaan aan de hoge risico’s voor ganzen en zwanen door de plaatsing van de turbines nabij hun rustgebieden.
Verschillende storingsfactoren
45.1. Econsultancy heeft in het rapport gebiedsbescherming de gevolgen van de ontwikkeling voor de vogel- en habitatrichtlijnsoorten waarvoor Rijntakken is aangewezen, onderzocht. Econsultancy heeft op basis van de "effectenindicator" van het Ministerie van Economische Zaken en zogenoemde "expert judgement", de kennis en ervaring van de deskundige, de storingsfactoren oppervlakteverlies, versnippering, verzuring, vermesting, verstoring door licht, trilling, geluid, mechanische effecten, optische verstoring, verandering in populatiedynamiek en slagschaduw in het rapport betrokken. Econsultancy heeft opgemerkt dat bij broedvogels in de regel wordt uitgegaan van 100 tot 200 meter en bij niet-broedvogels van 500 meter waarbinnen verstorende effecten kunnen optreden. De Afdeling begrijpt dit zo dat de hiervoor genoemde storingsafstanden rondom de windturbines liggen. De Afdeling zal hierna nader ingaan op de bevindingen van het rapport gebiedsbescherming voor zover relevant gelet op de betogen van de stichting en anderen en [appellant sub 1].
Verstoring door geluid
45.2. Econsultancy voorziet enige toename aan geluidsverstoring door de windturbines, maar sluit op voorhand uit dat dit een significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelen van de vogelrichtlijnsoorten. Omdat er in de bestaande situatie al geluidsverstoring is, zowel door de werkzaamheden van de steenfabriek als door het zware vrachtverkeer van en naar de steenfabriek, acht Econsultancy het niet waarschijnlijk dat vogelrichtlijnsoorten binnen 200 meter van het projectgebied een nestlocatie hebben, ook omdat het habitat niet optimaal geschikt is daarvoor.
Verstoring door trillingen
45.3. Over verstoring door trillingen stelt Econsultancy dat het vanwege de al aanwezige trillingsverstoring van de steenfabriek niet waarschijnlijk is dat habitat- en/of vogelrichtlijnsoorten hun nestlocatie of vaste rust- en verblijfplaats binnen 200 meter van het plangebied hebben. Econsultancy voorziet wel enige toename aan verstoring door trillingen, maar sluit op voorhand uit dat deze toename een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de vogelrichtlijnsoorten.
Barrièrewerking
45.4. Voor zover de stichting en anderen met het betoog over verstoring van de samenhang van de natuur in Rijntakken doelen op barrièrewerking, is van belang dat in het rapport gebiedsbescherming is opgemerkt dat dit alleen optreedt in de gebruiksfase, als windturbines in een lange, lijnvormige opstelling staan, waardoor vogels ver moeten uitwijken om niet door de windturbines te vliegen. Omdat het in dit geval niet gaat om een lange, lijnvormige opstelling maar om twee windturbines, die op relatief grote afstand van elkaar worden geplaatst, namelijk 400 meter, is barrièrewerking volgens Econsultancy redelijkerwijs op voorhand uit te sluiten.
Verstoring habitatrichtlijnsoorten
45.5. Econsultancy heeft habitatrichtlijnsoorten voor Rijntakken in het onderzoek betrokken, waaronder de bever, die langs de Nederrijn ten oosten van de projectlocatie is waargenomen. Het is volgens Econsultancy uitgesloten dat door de ontwikkeling negatieve effecten optreden voor de bever, omdat er geen geschikt habitat binnen de projectlocatie is en sporen van de bever ontbreken.
Optische verstoring
45.6. Voor zover de stichting en anderen met het betoog over verstoring van de samenhang van de natuur in Rijntakken doelen op optische verstoring door de bewegende elementen van de windturbines, overweegt de Afdeling dat Econsultancy naar voren heeft gebracht dat optische verstoring leidt tot vluchtgedrag van dieren, vooral van vogels. Omdat het niet op voorhand is uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken daardoor in het geding komen, heeft Econsultancy in het rapport gebiedsbescherming een inschatting gemaakt van de potentiële verstoring van vogel- en habitatrichtlijnsoorten op basis van reeds uitgevoerde veldbezoeken, verspreidingsgegevens en literatuur.
Broedvogels en niet-broedvogels
45.7. Volgens het rapport gebiedsbescherming van Econsultancy is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de broedvogels van de vogelrichtlijnsoorten van Rijntakken tijdens de aanlegfase vanwege vogelsterfte in het geding komen. Daarbij is onder meer van belang dat op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan geen nesten zijn aangetroffen. Voor het aanvaringsrisico van die broedvogels in de gebruiksfase is Econsultancy nader ingegaan op de aalscholver en oeverzwaluw die op de onderzoekslocatie voor kunnen komen. Omdat er geen vis is op of direct rondom de onderzoekslocatie en de aalscholver zich verplaatst in de lengte van oppervlaktewater, is het aanvaringsrisico voor de aalscholver volgens Econsultancy minimaal. Voor de oeverzwaluw ontbreekt open water op de onderzoekslocatie en een oeverzwaluw vliegt laag en dus niet op rotorhoogte om te foerageren. Econsultancy concludeert daarom dat het op voorhand redelijkerwijs is uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van deze soorten in het geding komen door de ontwikkeling.
45.8. De instandhoudingsdoelen van de niet-broedvogels van de vogelrichtlijnsoorten van Rijntakken komen in de aanlegfase volgens Econsultancy ook niet in het geding. Wel bestaat in de gebruiksfase een aanvaringsrisico voor deze vogels. Econsultancy is voor deze vogels uitgegaan van wintertellingen ter plaatse, om een goed beeld te krijgen van de gebruiksintensiteit van hun vliegroute door de onderzoekslocatie. Daaruit is onder meer gebleken dat de kleine zwaan, wilde zwaan, bergeend, pijlstaart, het nonnetje, de goudplevier, kemphaan, grutto en tureluur tijdens geen van de wintertellingen rond het projectgebied zijn waargenomen. Op basis van de wintertellingen en een modelberekening heeft Econsultancy geconcludeerd, uitgaande van een worst-case scenario, dat het voorspelde aantal aanvaringsslachtoffers van alle betrokken soorten niet-broedvogels, zoals de kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans en brandgans, waarvoor in Rijntakken een instandhoudingsdoelstelling geldt, onder het 1%-mortaliteitscriterium blijft. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze soorten zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Ook in cumulatie met andere vergunde, maar nog niet gerealiseerde, windparken en andere grote autonome ontwikkelingen, heeft Econsultancy geconcludeerd dat significante effecten op instandhoudingsdoelen van Rijntakken redelijkerwijs zijn uit te sluiten.
Slagschaduw
45.9. In het rapport gebiedsbescherming heeft Econsultancy ook de effecten van slagschaduw, dat wil zeggen bewegende schaduw van de draaiende wieken, wat tot vluchtgedrag van vogels kan leiden, beoordeeld. Uit de vogeltellingen is gebleken dat de betreffende gebieden voornamelijk worden gebruikt door de kolgans en grauwe gans en dat andere vogelrichtlijnsoorten niet rustend of foeragerend binnen 500 meter van de beoogde locatie van de windturbines zijn waargenomen. Er is volgens Econsultancy weliswaar enig verlies van leefgebied van vogelrichtlijnsoorten. Maar deze gebieden kunnen in de gebruiksfase van de windturbines nog steeds, zij het in mindere mate, functioneren als foerageergebied en er is in de omgeving veel alternatief rust- en foerageergebied aanwezig. Het gaat ook om de meer algemene vogelrichtlijnsoorten, waarvan veel individuen significant verstoord moeten worden voordat de instandhoudingsdoelen van deze soorten in het geding komen. Econsultancy heeft daarom geconcludeerd dat het op voorhand redelijkerwijs is uit te sluiten dat het verlies van kwaliteit van leefgebied als gevolg van slagschaduw een significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelen van de betreffende vogelrichtlijnsoorten.
Beoordeling betoog natuurvergunning
45.10. Op grond van artikel 2.8, derde lid van de Wnb verlenen gedeputeerde staten voor een project als bedoeld in het eerste lid uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
45.11. Gelet op de bevindingen van de passende beoordeling (het rapport gebiedsbescherming), heeft Econsultancy, anders dan de stichting en anderen en [appellant sub 1] hebben gesteld, de effecten van de verschillende mogelijke effecten en storingsfactoren op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied Rijntakken naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderzocht.
Uit de passende beoordeling volgt dat ook de vliegroutes van de vogels en de risico’s van de ontwikkeling voor ganzen en zwanen in het onderzoek zijn betrokken en dat mogelijk vluchtgedrag en het verlies van de kwaliteit van leefgebied zijn onderkend. Econsultancy heeft op basis van het ecologisch onderzoek geconcludeerd dat valt uit te sluiten dat de ontwikkeling, afzonderlijk of in cumulatie met andere ontwikkelingen, significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken vogelrichtlijnsoorten van Rijntakken. De stichting en anderen en [appellant sub 1] hebben dit niet gemotiveerd weerlegd met een deskundigenrapport of op een andere wijze.
Uit de passende beoordeling volgt verder dat negatieve gevolgen voor de bever zijn uitgesloten. Ook dit is niet gemotiveerd bestreden. Het betoog over de otter treft geen doel omdat uit het "Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken" volgt dat dit geen habitatrichtlijnsoort is van Rijntakken.
Wat de stichting en anderen en [appellant sub 1] verder hebben aangevoerd, geeft ook geen grond voor het oordeel dat het college van GS zich niet op de passende beoordeling heeft kunnen baseren bij de vergunningverlening.
Het betoog slaagt niet.
ADC-toets
46. De stichting en anderen betogen dat de ADC-toets moest worden uitgevoerd. Zij stellen dat het initiatief de stappen van die toets niet zou doorstaan omdat er geen verbondenheid tussen de windturbines en de steenfabriek is, oplossingen op een andere locatie mogelijk zijn en dwingende redenen van groot openbaar belang ontbreken.
46.1. Uit de systematiek van artikel 2.8 van de Wnb volgt dat een ADC-toets als bedoeld in het vierde lid van dit artikel pas aan de orde is als uit de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid is verkregen dat het plan of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Met de passende beoordeling is de vereiste zekerheid verkregen dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Rijntakken niet zal aantasten. Zoals het college van GS stelt, hoefde daarom geen ADC-toets te worden uitgevoerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
47. De beroepen tegen de natuurvergunning zijn ongegrond.
Ontheffing Wnb, soortbescherming
48. Bij besluit van 22 september 2022 heeft het college van GS voor de realisatie van de ontwikkeling aan de initiatiefnemer ontheffing verleend van de in de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.5, eerste lid, van de Wnb neergelegde verboden op het opzettelijk doden van vogels en vleermuizen. De ontheffing heeft betrekking op 62 in het besluit genoemde vogelsoorten en is verleend voor de periode tot en met 31 december 2050 voor het bedrijfsterrein van de steenfabriek. Daarnaast heeft de ontheffing betrekking op twee vleermuissoorten, namelijk de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.
Aan de ontheffing ligt de "Rapportage soortbescherming Windpark Caprice te Angeren" van Econsultancy van 17 augustus 2020 (rapport soortbescherming) ten grondslag. Daarin heeft Econsultancy geconcludeerd dat voor geen vogel- of vleermuissoort het 1%-mortaliteitscriterium wordt overschreden. Verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoorten en afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de betrokken vleermuissoorten is daarom redelijkerwijs uit te sluiten.
Het college van GS heeft in de ontheffing een voorschrift opgenomen voor het treffen van een stilstandvoorziening om het aantal aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen zoveel mogelijk te beperken.
49. De stichting en anderen betogen dat het college van GS geen ontheffing op grond van de Wnb had mogen verlenen omdat het onderzoek van Econsultancy onvolledig is. Zij voeren aan dat het onderzoeksgebied ten onrechte is beperkt tot 500 meter rondom de windturbines. Dit onderzoeksgebied had groter moeten zijn vanwege de ecologische verbondenheid van Rijntakken met het onderzoeksgebied en de "flyways" van de trekvogels. Verder voeren de stichting en anderen aan dat Econsultancy te weinig veldbezoeken, tellingen en metingen heeft verricht en te weinig soorten heeft betrokken. Econsultancy had de SOVON soortenlijst van Rijntakken moeten gebruiken. Omdat dit niet is gebeurd, is de ontheffingslijst volgens de stichting en anderen onvolledig.
Volgens de stichting en anderen zijn de cijfers van het onderzoek van Econsultancy ook onvolledig en daardoor onbetrouwbaar, omdat Econsultancy ten onrechte niet de herinrichting van de Angerensche polder in de directe omgeving van de steenfabriek door Delgromij heeft betrokken die heeft plaatsgevonden na het soortenonderzoek door Econsultancy. Voor de herinrichting werd klei en zand onttrokken en werd nieuwe natuur ontwikkeld met grote waterpartijen voor het aantrekken van water-, broed- en trekvogels. In 2022 was de situatie volgens de stichting en anderen daardoor anders dan ten tijde van het onderzoek van Econsultancy.
De stichting en anderen wijzen tot slot op onderzoeken, onder meer van Wageningen University van juli 2020, waaruit volgt dat de effecten van windturbines op vogelpopulaties vaak worden onderschat.
49.1. De Afdeling overweegt dat een ontheffing voor het doden van vogels onderscheidenlijk vleermuizen slechts kan worden verleend, als aan het bepaalde in artikel 3.3, vierde lid, onder a, b en c, van de Wnb respectievelijk artikel 3.8, vijfde lid, onder a, b en c, van de Wnb is voldaan. Dit betekent dat zo’n ontheffing alleen kan worden verleend, als voldaan wordt aan elk van de volgende drie voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. de ontheffing is nodig vanwege een in artikel 3.3, vierde lid, onder b, van de Wnb respectievelijk artikel 3.8, vijfde lid, onder b, van de Wnb genoemd belang;
c. voor vogels geldt dat de maatregelen - waarmee is gedoeld op de activiteit(en) met het oog waarop de ontheffing wordt verleend - niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort(en) leiden.
Voor vleermuizen geldt als derde voorwaarde dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Andere bevredigende oplossing?
49.2. Uit het MER volgt dat de ontwikkeling het duurzaam opwekken van elektriciteit voor de steenfabriek en binnen de gemeente Lingewaard tot doel heeft. Het college van GS heeft onder verwijzing naar het MER opgemerkt dat verschillende alternatieven met elkaar zijn vergeleken. Volgens het college van GS wijken de onderzochte varianten niet af in slachtofferaantallen, maar wel in overige effecten op de natuur. Het voorkeursalternatief is als het meest gunstige beoordeeld. Het college van GS heeft geconcludeerd dat er geen andere bevredigende oplossing is.
De enkele stelling van de stichting en anderen dat er efficiëntere alternatieven zijn, biedt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt.
Ontheffingsgronden
49.3. De ontheffing voor de betrokken vogels is verleend op de grond "de volksgezondheid of openbare veiligheid" als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onder 1, van de Wnb. De ontheffing voor de betrokken vleermuizen is gebaseerd op de grond "de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten" als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, onder 3, van de Wnb. Het college van GS heeft in de ontheffing vermeld dat de opwekking van duurzame energie met windturbines in het algemeen en de ontwikkeling in het bijzonder een bijdrage levert aan het beperken van klimaatverandering en luchtverontreiniging en het vergroten van de voorzieningszekerheid. Daarmee zijn de belangen gediend van volksgezondheid, openbare veiligheid en dwingende redenen van groot openbaar belang waaronder redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
49.4. Het betoog geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college van GS deze ontheffingsgronden niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227, onder 7, en 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2621, onder 13), kunnen aan de ontheffing voor windturbines de ontheffingsgronden volksgezondheid en openbare veiligheid ten grondslag gelegd. De klimaatverandering en de elektriciteitsvoorziening zijn hiervoor de belangrijkste redenen. Klimaatverandering heeft effecten op de openbare veiligheid, volksgezondheid en flora en fauna. De realisatie van de windturbines draagt bij aan het behalen van de klimaatdoelstelling.
"Rapportage soortbescherming Windpark Caprice te Angeren" van Econsultancy van 17 augustus 2020 (rapport soortbescherming)
49.5. Econsultancy heeft in het aan de ontheffing ten grondslag gelegde rapport soortbescherming onderzocht hoeveel aanvaringsslachtoffers van vleermuizen en vogels per jaar kunnen vallen door realisatie van de windturbines. Verder heeft Econsultancy onderzocht of in het onderzoeksgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wnb een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de ontwikkeling.
- Vleermuizen
49.6. Om de potentiële negatieve effecten van de ontwikkeling op vleermuizen te bepalen heeft Econsultancy de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, de verstoring en sterfte van foeragerende vleermuizen en vleermuizen langs een vliegroute en de verstoring en sterfte van trekkende vleermuizen onderzocht. Econsultancy heeft in de periode half april tot oktober 2018 in totaal twee veldbezoeken in de avond- en/of ochtenduren uitgevoerd. Econsultancy heeft in het rapport soortbescherming toegelicht dat in de periode van half mei tot half juli, de kraamperiode van de meeste vleermuissoorten, in beeld is gebracht hoeveel het onderzoeksgebied gebruikt wordt door vleermuizen om te foerageren. In de periode van half augustus tot eind september kan paargedrag geïdentificeerd worden en kunnen verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis worden aangetoond, waardoor Econsultancy een beeld heeft gevormd over de functie van het onderzoeksgebied voor doortrekkende ruige dwergvleermuizen. Daarnaast heeft Econsultancy vliegroutes van vleermuizen, waaronder vliegroutes van de winter- naar de zomerverblijfplaatsen, in het onderzoek betrokken. Voor het onderzoek heeft Econsultancy gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid in combinatie met een batlogger en het analyseprogramma "Batsound".
49.7. Econsultancy heeft opgemerkt dat relatief weinig vleermuisactiviteit is waargenomen, tussen de 5 en 10 individuen, grotendeels gewone dwergvleermuizen met één enkele waarneming van de ruige dwergvleermuis. Het onderzoeksgebied dient als foerageergebied voor beide soorten en er is een vaste vliegroute voor de gewone dwergvleermuis vastgesteld langs het terrein van de steenfabriek. Omdat de vliegroute langs een bomenrij loopt, deze rij gehandhaafd blijft en niet binnen de invloedszone ligt van de windturbines, blijft de vliegroute volgens Econsultancy behouden. Econsultancy acht het uitgesloten dat er vaste rust- en verblijfplaatsen van deze vleermuissoorten verloren gaan, omdat het terrein onbebouwd is en er geen bomen worden gekapt.
49.8. Voor beantwoording van de vraag of realisatie van de ontwikkeling afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, is Econsultancy uitgegaan van een straal van 30 kilometer waarbinnen beide vleermuissoorten uitzwermen. Econsultancy heeft voor zowel de gewone dwergvleermuis als de ruige dwergvleermuis de additionele sterfte door de realisatie van de ontwikkeling vergeleken met het 1%-mortaliteitscriterium.
Econsultancy heeft toegelicht dat de netwerkpopulatie binnen een straal van 30 kilometer uit 19.792 gewone dwergvleermuizen bestaat, dat het 1%-mortaliteitscriterium op 40 ligt en de voorspelde sterfte gewone dwergvleermuizen in totaal 7 betreft, wat maximaal 18% is van dat mortaliteitscriterium.
Wat de ruige dwergvleermuizen betreft, bestaat de netwerkpopulatie binnen een straal van 30 kilometer volgens Econsultancy uit 6.815 individuen, de voorspelde sterfte wordt ingeschat op 1 individu, wat maximaal 4% is van het 1%-mortaliteitscriterium dat op 23 individuen ligt.
49.9. Econsultancy heeft in het onderzoek ook de toename van aanvaringsslachtoffers betrokken van tien geplande, maar nog niet gerealiseerde windprojecten binnen 30 kilometer. Ook in cumulatie wordt voor geen van beide vleermuissoorten het 1%-mortaliteitscriterium overschreden.
49.10. De conclusie van Econsultancy is dat de voorspelde sterfte van de lokale populatie gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen als gevolg van realisatie van de windturbines het 1%-mortaliteitscriterium niet overschrijdt, ook niet in cumulatie. Volgens Econsultancy moet voor deze soorten wel ontheffing worden aangevraagd.
- Vogels
49.11. Voor beantwoording van de vraag of de ontwikkeling niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoorten, heeft Econsultancy volgens het rapport soortbescherming voor vogels drie verschillende aspecten onderzocht, namelijk verstoring van jaarrond beschermde nesten van vogels, verstoring en sterfte van broedvogels rondom het plangebied en verstoring en sterfte van niet-broedvogels die over het plangebied vliegen.
Voor de broedvogels heeft Econsultancy overeenkomstig de werkwijze van Stelsel Natuur en Landschap (SNL) 5 veldrondes uitgevoerd in de periode van juni 2018 t/m mei 2019. Daarbij heeft Econsultancy toegelicht dat in deze periode alle broedvogels actief op zoek zijn naar een partner waardoor zij goed kunnen worden gemonitord. Het aantal veldrondes is nodig omdat verschillende soorten op verschillende momenten in het seizoen het actiefst zijn en de aantallen daardoor goed inzichtelijk kunnen worden gemaakt. De omvang van het onderzoeksgebied strekte zich volgens het rapport soortbescherming uit over het plangebied zelf en ongeveer 500 meter rondom dit gebied om een goed beeld te krijgen van de soorten en de aantallen broedvogels. Ook is zo bepaald of er jaarrond beschermde nesten zijn die tijdens de aanlegfase van de windturbines verloren kunnen gaan.
De potentiële negatieve effecten van de ontwikkeling op trekvogels en watervogels heeft Econsultancy bepaald aan de hand van 3 wintertellingen in het onderzoeksgebied in de periode oktober tot en met februari, met gegevens uit literatuur, zoals volgt uit de geraadpleegde bronnen die in het rapport soortbescherming zijn opgenomen, en verspreidingsgegevens. Aan de hand van de tellingen heeft Econsultancy in beeld gebracht welke soorten in het onderzoeksgebied voorkomen en welke soorten en hoeveel individuen van een soort vliegbewegingen maken op rotorhoogte van de geplande windturbines.
Verder heeft Econsultancy in de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie tot 5 kilometer betrokken of er kolonies bekend zijn van koloniebroeders.
Aanvaringsslachtoffers vogels
49.12. Econsultancy heeft opgemerkt dat er een groot aantal broedvogelsoorten is rondom de onderzoekslocatie, zowel zangvogels, weidevogels als akkersoorten. Tijdens de aanlegfase van de windturbines is geen sprake van aanvaringsslachtoffers.
Voor de gebruiksfase van de windturbines heeft Econsultancy opgemerkt dat zangvogels vanwege hun vlieggedrag weinig risico lopen om in aanvaring te komen met een windturbine. De plaatselijke broedvogels zijn goed bekend met de gevaren in de omgeving, waardoor weinig slachtoffers vallen. Voor met name de kievit is er wel een verhoogd risico op aanvaringen vanwege de hoge baltsvluchten in het voorjaar.
Voor elke aanwezige broedvogel heeft Econsultancy een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers per jaar en is met behulp van het 1%-mortaliteitscriterium bekeken of de gunstige staat van instandhouding in het geding komt. Daarnaast heeft Econsultancy voor de soorten trek- en watervogels die zijn waargenomen, een berekening gemaakt om een voorspelling te doen van het aantal aanvaringsslachtoffers per jaar, uitgaande van een worst-case benadering.
49.13. Omdat geen kolonies bekend zijn van koloniebroeders in de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie tot 5 kilometer, zullen deze soorten volgens Econsultancy dus ook niet incidenteel in grote getalen voorkomen op de onderzoekslocatie.
49.14. Op basis van het aantal waarnemingen in het veld, de locatie van de waarnemingen en het gedrag van de vogels, heeft Econsultancy bepaald dat voor 32 vogelsoorten er potentieel meer dan incidentele sterfte (meer dan één slachtoffer per jaar) plaats kan vinden. Econsultancy heeft daarom geadviseerd een ontheffing op basis van de Wnb aan te vragen.
Volgens Econsultancy overschrijdt de voorspelling van het maximaal aantal aanvaringsslachtoffers echter bij geen van de broedvogelsoorten en trek- en watervogels, ook als rekening wordt gehouden met cumulatie met andere windmolenparkprojecten binnen 30 kilometer, het 1%-mortaliteitscriterium. Econsultancy concludeert daarom dat redelijkerwijs uitgesloten kan worden dat de additionele sterfte door de realisatie van de ontwikkeling leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de vogelsoorten.
Beoordeling betoog soortbescherming
49.15. De Afdeling kan het standpunt van het college van GS volgen dat Econsultancy een toereikend aantal bezichtigingen en veldbezoeken, heeft uitgevoerd om in samenhang met hun andere ecologische gegevens alle ecologisch relevante effecten volledig te kunnen beoordelen, waaronder de effecten van andere windprojecten in verband met de cumulatietoets.
Het betoog van de stichting en anderen dat Econsultancy van onvolledige gegevens is uitgegaan omdat de soortenlijst van Rijntakken van SOVON Vogelonderzoek Nederland niet is gebruikt, treft geen doel, alleen al omdat deze lijst betrekking heeft op het hele Natura 2000 gebied Rijntakken, een veel groter gebied dan het onderzoeksgebied dat aan de orde is.
49.16. Econsultancy heeft aan de hand van onder meer wintertellingen en verspreidingsgegevens onderzocht welke soorten trekvogels in het onderzoeksgebied voorkomen en welke soorten en hoeveel individuen van een soort vliegbewegingen maken op rotorhoogte van de geplande windturbines. De stichting en anderen hebben met de enkele verwijzing naar "flyways" van trekvogels niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de effecten van de windturbines op trekvogels niet zorgvuldig is geweest.
49.17. Voor het oordeel dat de geografische reikwijdte van het onderzoek van Econsultancy te beperkt was, heeft de Afdeling ook geen aanknopingspunten. De Afdeling volgt het standpunt van het college van GS dat het onderzoeken van het projectgebied zelf en 500 meter rondom dit gebied, waarmee in totaal ongeveer 80 hectare is onderzocht, volstond voor het soortenonderzoek. Daarbij komt dat Econsultancy ook het voorkomen van koloniebroeders in een straal van 5 kilometer rondom de projectlocatie heeft betrokken. Voor beide vleermuissoorten is Econsultancy uitgegaan van een straal van 30 kilometer waarbinnen deze uitzwermen. Daarbij komt dat Econsultancy ook een cumulatietoets heeft uitgevoerd, waarbij windpark projecten zijn betrokken die op een afstand tot Rijntakken liggen tot maximaal 11 kilometer.
49.18. De stichting en anderen hebben gewezen op de herinrichting van de Angerensche polder en de gevolgen daarvoor voor de aanwezigheid van vogels, maar geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot het oordeel dat het rapport soortbescherming van Econsultancy van 17 augustus 2020 niet representatief was ten tijde van het besluit van 22 september 2022. Daarbij komt dat uit de nieuwsbrief van Delgromij van februari 2024 volgt dat de werkzaamheden voor de herinrichting van de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder toen al vier jaar aan de gang waren en nog niet waren afgerond. De Afdeling acht het daarom niet waarschijnlijk dat de grote waterpartijen voor vogels waaraan de stichting en anderen refereren ten tijde van het besluit in 2022 voor het soortenonderzoek relevante effecten sorteerden. Verder is van belang dat uit tabel VI van het rapport soortbescherming volgt dat het maximum aantal aanvaringsslachtoffers per jaar ruim onder het 1%-mortaliteitscriterium ligt. Dat de gestelde natuurontwikkeling een relevant verschil zou kunnen maken op de uitkomsten van het soortenonderzoek is ook daarom niet waarschijnlijk.
49.19. Gezien het voorgaande, is het rapport soortbescherming naar het oordeel van de Afdeling met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Niet is gebleken dat dit rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat, dat het college van GS dit niet aan de ontheffing ten grondslag heeft kunnen leggen. De stichting en anderen hebben zelf geen deskundigenrapport overgelegd waarin de bevindingen uit het rapport soortbescherming van Econsultancy zijn bestreden. De enkele verwijzing door de stichting en anderen naar het rapport van Wageningen University is te weinig concreet om daaruit af te leiden dat het college van GS ten onrechte heeft gesteld dat het onderzoek op de juiste wijze door Econsultancy is uitgevoerd en compleet is.
Uit het rapport soortbescherming volgt dat de verwachte sterfte van de betrokken vleermuis- en vogelsoorten minder dan 1% bedraagt van de natuurlijke sterfte van de aanwezige populatie, ook met inachtneming van cumulatie. De Afdeling heeft dan ook geen grond voor twijfel aan de conclusie van het college van GS dat de ontwikkeling niet leidt tot verslechtering van instandhouding van de betrokken vogelsoorten. Het onderzoek geeft ook geen grond voor het oordeel dat realisatie van de ontwikkeling afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, ook omdat in de ontheffing een stilstandvoorziening is voorgeschreven met monitoring van de activiteit en migratie van vleermuizen. Daarmee wordt het aantal aanvaringsslachtoffers naar verwachting van het college van GS met minstens 80% verminderd, waarmee het aantal aanvaringsslachtoffers door de ontwikkeling onder de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis wordt teruggebracht tot 1,4 onderscheidenlijk 0,2 per jaar.
In wat de stichting en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college van GS de ontheffing niet heeft kunnen verlenen.
49.20. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
50. Het beroep van de stichting en anderen tegen het besluit van het college van GS tot verlening van ontheffing op grond van de Wnb is ongegrond.
Watervergunning
51. Bij het besluit van 20 september 2022 heeft de minister een watervergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet, gelezen in samenhang met artikel 6.12, eerste lid, van het Waterbesluit, aan de initiatiefnemer verleend voor het plaatsen van één windturbine, de zuidelijk gelegen windturbine, met bijbehorende fundering aan de linkeroever van het kanaal, een rijkswaterstaatwerk. De andere windturbine wordt op een watervrije ophoging geplaatst. Voor het plaatsen van bouwwerken op de watervrije ophoging was in 2008 al een watervergunning verleend.
52. De stichting en anderen betogen dat de ontwikkeling in strijd is met de Beleidsregels grote rivieren (de Beleidsregels), omdat de windturbines niet in de uiterwaarden mogen worden gebouwd, zoals hier, vanwege hoogwaterveiligheid. Zij stellen dat de windturbines ook buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd, zoals in het komgebied langs de Betuweroute.
Verder betogen zij dat de watervergunning ten onrechte is verleend op de duurzaamheidsgrond van artikel 6, onder c, van de Beleidsregels, nu de ontwikkeling maar in zeer beperkte mate, maximaal 20%, bijdraagt aan die verduurzaming. Zij stellen dat voor het stroomverbruik ter plaatse maar zo’n 5% van de jaarlijkse opbrengst van de windturbines nodig is, de overige 95% wordt geleverd aan het openbare net en de verbinding tussen de steenfabriek en de windturbines is dus vooral administratief; er wordt een overeenkomst, een zogenoemde "PPA" (Power Purchase Agreement), gesloten voor de afname van de opgewekte energie. Volgens de stichting en anderen kan dit ook met een leverancier die de windturbines elders heeft staan.
52.1. De Beleidsregels maken niet riviergebonden functies alleen in beperkte mate mogelijk, onder meer om voldoende ruimte te houden voor de afvoer en het bergen van hoogwater. Een van die mogelijkheden betreft de verduurzaming van de energievoorziening als bedoeld in artikel 6, onder c, van de Beleidsregels. Volgens die bepaling wordt geen vergunning verleend voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, tenzij sprake is van verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed. Zoals de stichting en anderen stellen, is de watervergunning op die grond verleend. In het besluit is vermeld dat de windturbine wordt geplaatst voor het verduurzamen van de energievoorziening van de steenfabriek Caprice.
52.2. Volgens de toelichting op artikel 6, onder c, van de Beleidsregels, zoals die golden ten tijde van belang (Stcrt. 2018, 36070), is het wenselijk dat ook in het stroomvoerend deel van het rivierbed meer mogelijkheden worden geboden voor de verduurzaming van de energievoorziening van bestaande (bedrijfs)activiteiten, zoals steenfabrieken en delfstofwinning.
Voor zo’n verduurzaming van een bestaande activiteit in het rivierbed geldt niet de eis als bedoeld in artikel 6, onder d, van de Beleidsregels, waarop de stichting en anderen wijzen, dat moet worden aangetoond dat de windturbines niet redelijkerwijs buiten het rivierbed gerealiseerd kunnen worden. Die eis wordt volgens de toelichting alleen gesteld als de duurzame energieopwekking een op zichzelf staande activiteit is, om te voorkomen dat het rivierbed wordt volgebouwd met zonneparken en windmolens. In dit geval staat de energieopwekking echter niet op zichzelf. De Afdeling stelt vast dat de eis waarop de stichting en anderen een beroep doen, hier dus niet geldt.
52.3. Verder staat in de toelichting dat de toestemming voor activiteiten op grond van artikel 6, onder c, van de Beleidsregels altijd gekoppeld is aan een aantal rivierkundige voorwaarden. In dat kader staat in het besluit dat de windturbine die geplaatst wordt op een watervrije ophoging, geen feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit noch waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen oplevert. De situering en uitvoering van werken is volgens het besluit zo, dat het veilig functioneren van het rijkswaterstaatwerk gewaarborgd blijft. In het besluit is geconcludeerd dat de aangevraagde werken niet in strijd zijn met het uitgangspunt van de Beleidsregels.
52.4. De steenfabriek wil het eigen energieverbruik verduurzamen door een deel van de energie-productie van de turbines in te zetten voor de benodigde elektriciteit en warmte voor de productie van de stenen. De steenfabriek kan ongeveer 97% van haar verbruik afnemen van de windturbines. Dat de opgewekte stroom slechts gedeeltelijk door de steenfabriek zal worden gebruikt en de verduurzaming stapsgewijs gaat, past volgens de minister binnen de doelstelling van de Beleidsregels. De Afdeling ziet in wat de stichting en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor twijfel hieraan.
52.5. Naar aanleiding van de opmerking van de stichting en anderen dat de steenfabriek ook duurzame energie kan afnemen van windturbines die elders staan, heeft de initiatiefnemer op de zitting naar voren gebracht dat het afnemen van energie van de windturbines ter plaatse veel goedkoper is. De Afdeling twijfelt evenmin aan deze financiële overweging van de initiatiefnemer.
52.6. Het betoog faalt.
Conclusie watervergunning
53. Het beroep van de stichting en anderen tegen de watervergunning is ongegrond.
Eindconclusie en proceskosten
54. Het beroep van de stichting en anderen tegen de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning, de natuurvergunning, de Wnb-ontheffing en watervergunning zijn ongegrond.
55. Het beroep van [appellant sub 1] tegen de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning, de natuurvergunning en de Wnb-ontheffing zijn ongegrond.
56. Het college, het college van GS en de minister hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van de "Stichting Milieuvrienden Duiven" en anderen ongegrond;
II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. De Vlieger-Mandour
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
615
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
e. 1°. het oprichten,
2°. het veranderen of veranderen van de werking of
3°. het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
(…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. (…)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;
3°. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;
5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;
Wet natuurbescherming
Artikel 2.7
(…) 2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.8
1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
2. (…)
3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
4. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Artikel 3.1
1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
(…)
Artikel 3.3.
1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
(…)
4. Een ontheffing of vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:
1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
(…)
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Artikel 3.5
1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
(…)
Artikel 3.8
1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
(…)
5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:
(…)
3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
(…)
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Wet milieubeheer
Artikel 1.1a
1. Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Artikel 8.42
(…)
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, kan voorschriften stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens de maatregel, bedoeld in dat lid, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
(…)
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
Lden: de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;
Lnight: de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;
(…)
windturbine: een apparaat voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind;
windturbinepark: inrichting, bestaande uit ten minste drie windturbines;
(…)
Artikel 3.14
(…)
4. Bij het inwerking hebben van een windturbine worden ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen toegepast.
Artikel 3.14a
1. Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.
2. Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzien van een van de windturbines of een combinatie van windturbines.
3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen.
Artikel 3.15a
1. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar.
2. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.
3. Ten behoeve van het bepalen van het plaatsgebonden risico, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling afstanden worden vastgesteld, die minimaal aanwezig moeten zijn tussen een windturbine of een combinatie van windturbines en een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar object.
4. Indien op grond van het derde lid afstanden zijn vastgesteld, worden die in acht genomen en zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing.
Activiteitenregeling milieubeheer
Artikel 3.12
1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object.
(…)
Waterwet
Artikel 6.5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor rijkswateren en, met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, voor regionale wateren worden bepaald dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister, onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap:
(…)
c. gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.
Waterbesluit
Artikel 6.12
1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:
a. werken te maken of te behouden;
b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.
Omgevingsverordening Gelderland
Hoofdstuk 1 Algemeen
Artikel 1.1
In deze verordening worden de volgende gebieden aangewezen, waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd in een GML-bestand en verbeeld op de bij deze verordening behorende themakaarten:
(…)
Ganzenrustgebied
rustgebied voor overwinterende ganzen
(…)
Stiltegebied
gebied waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder
(…)
Weidevogelgebied
broedgebied voor weidevogels
§ 2.6.2 Compensatie natuur binnen Gelders natuurnetwerk
Artikel 2.48 (compensatieplan bij fysieke natuurcompensatie)
1. De initiatiefnemer onderbouwt de wijze waarop fysieke natuurcompensatie plaatsvindt in een compensatieplan.
2. Het compensatieplan geeft in ieder geval inzicht in:
a. hoe verzekerd is dat de fysieke natuurcompensatie wordt uitgevoerd;
b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvinden;
c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd;
d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk plaatsvinden; en
e. de locatie waar gecompenseerd wordt.
§ 2.6.3 Instructieregel Weidevogelgebied
Artikel 2.51a (bescherming Weidevogelgebied)
Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied laat het:
a. in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe; en
b. een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als deze geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
§ 2.6.4 Instructieregel Ganzenrustgebied
Artikel 2.51b (bescherming Ganzenrustgebied)
Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als:
a. uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en
b. na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft.
§ 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone
Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone)
1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat:
a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en
b. de samenhang niet verloren gaat.
§ 2.7.1 Instructieregels windturbines
Artikel 2.63 (uitsluiting locaties voor windturbines)
Een bestemmingsplan maakt het niet mogelijk een windturbine of windturbinepark op te richten voor gronden gelegen binnen het verbodsgebied windenergie.
Artikel 3.56 (aanwijzing stiltegebieden)
1. Provinciale Staten wijzen stiltegebieden aan waar regels gelden om geluidhinder te voorkomen of te beperken.
2. Gedeputeerde Staten kunnen de grens van een Stiltegebied nader bepalen.
3. Gedeputeerde Staten markeren de toegang of de grens van stiltegebieden door borden te plaatsen, waarvan zij het model hebben vastgesteld.
Artikel 3.57 (toepassingsbereik)
1. In een Stiltegebied gelden de artikelen 3.58 en 3.59.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer;
b. handelingen als het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.
Artikel 3.58 (toestellen)
Het is verboden een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren.
Artikel 3.59 (terreinrijden)
Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 8.1 Overgangsrecht hoofdstuk 2 Ruimte
Artikel 8.1 (doorwerking instructieregel in bestemmingsplan)
Een instructieregel in hoofdstuk 2 is van toepassing op een bestemmingsplan dat na de datum van inwerkingtreding van die regel wordt vastgesteld, tenzij het ontwerpbestemmingsplan voor de datum van inwerkingtreding van die regel ter inzage is gelegd en op dat ontwerp door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend.
In afwijking van het eerste lid is een instructieregel gesteld in de artikelen 2.15, 2.16, 2.17 en 2.34 van toepassing op een op de datum van inwerkingtreding van die instructieregel vigerend bestemmingsplan, voor zover dat bestemmingsplan met die instructieregel in strijd is.
Beleidsregels grote rivieren
Artikel 6. Niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime
Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 7, sprake is van:
(…)
c. verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed; of
d. opwekking van zonne- of windenergie en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd.