202503118/1/R1.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Maasbree, gemeente Peel en Maas,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 24 april 2025 in zaak nrs. 25/217 en 24/5182 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft het college aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd wegens het verbouwen en gebruiken van twee stallen op het perceel Lange Heide te Maasbree, kadastraal bekend als gemeente Maasbree, sectie R, nummer 426 (het perceel), zonder te beschikken over een daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij besluit van 25 november 2024 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 6 mei 2024 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten en aan de last onder dwangsom ook ten grondslag gelegd dat [appellant A] de bouwwerken zonder de vereiste omgevingsvergunning in stand laat.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 25 november 2024 vernietigd en het besluit van 6 mei 2024 herroepen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026 waar het college, vertegenwoordigd door R.A.H.M. van der Steen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] zijn in 2020 begonnen met de verbouwing van twee op het perceel aanwezige in slechte staat verkerende stallen. [appellanten] willen de stallen gaan gebruiken voor de stalling van agrarische vervoermiddelen van derden. Het college heeft hiervoor bij besluit van 13 april 2021 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend. Na verlening van de omgevingsvergunning hebben [appellanten] de werkzaamheden voortgezet. Ook hebben zij toen zonnepanelen op de daken van de stallen geplaatst. Bij besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 heeft het college deze omgevingsvergunning herroepen en alsnog geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
2. Het college heeft aan de bij besluit van 6 mei 2024 opgelegde last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat [appellanten] in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerkzaamheden aan de stallen hebben verricht en zonnepanelen hebben geplaatst en dat zij de stallen in strijd met het omgevingsplan gebruiken voor opslagdoeleinden en opwekking van zonne-energie.
In het besluit op bezwaar heeft het college aan de in stand gelaten last ten grondslag gelegd dat niet de Ow, maar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing is en dat sprake is van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a, en onder c, en artikel 2.3a, eerste lid, van deze wet.
3. De rechtbank heeft overwogen dat het college de last ten onrechte niet heeft gebaseerd op de Ow en dat het besluit op bezwaar alleen al daarom moet worden vernietigd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat weliswaar sprake is van overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow en het college dus bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden onder de gegeven omstandigheden evenredig is. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door de opgelegde last herroepen.
4. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die onderdeel is van deze uitspraak.
Belang bij een uitspraak op het hoger beroep?
5. Het hoger beroep van [appellanten] richt zich niet tegen de beslissing van de rechtbank, maar tegen haar overwegingen dat de bouwwerkzaamheden aan de stallen, de plaatsing van de zonnepanelen en het gebruik daarvan vergunningplichtig zijn en dat het college bevoegd is om hiertegen handhavend op te treden.
6. De Afdeling ziet zich door haar uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2026:2145, gesteld voor de vraag of [appellanten] belang hebben bij een inhoudelijke behandeling van hun hoger beroep. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen belang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er belang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
7. Bij de uitspraak van heden, is de bij besluit van 13 april 2021 verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor de inmiddels gerealiseerde verbouwing van de twee stallen voor opslagdoeleinden onherroepelijk geworden. Op grond van deze omgevingsvergunning mochten [appellanten] de stallen verbouwen voor opslagdoeleinden en is er dus in zoverre geen sprake van een overtreding. Dat betekent dat het college niet meer bevoegd is om handhavend op te treden tegen de verbouwing van de stallen voor opslagdoeleinden.
Hoewel de omgevingsvergunning niet is verleend voor de plaatsing van de zonnepanelen, heeft deze omgevingsvergunning tot gevolg dat de zonnepanelen zonder omgevingsvergunning mogen worden geplaatst. In artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), dat geldt vanaf 1 januari 2024, zijn namelijk omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwactiviteiten opgenomen die altijd omgevingsvergunningvrij zijn, ongeacht welke regels verder in het omgevingsplan zijn opgenomen. Op grond van artikel 2.29, aanhef en onderdeel d, van het Bbl, mogen in dit geval de zonnepanelen zonder omgevingsvergunning op de daken van de stallen worden geplaatst. De belemmering daarvoor in artikel 2.22, eerste lid, van het Bbl doet zich hier niet voor. Dat betekent dat het college ook niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen de geplaatste zonnepanelen.
Aangezien de rechtbank de opgelegde last heeft herroepen en het college, gelet op het voorgaande, geen nieuwe last onder dwangsom kan opleggen, hebben [appellanten] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de door hen in hoger beroep aangevoerde gronden.
Conclusie
8. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
604
BIJLAGE
Omgevingswet
Artikel 5.1, eerste lid,
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…].
voor een bouwactiviteit in stand te laten.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 2.22, eerste lid
De artikelen 2.27 en 2.29 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning of gereedmelding, bedoeld in artikel 2.21.
Artikel 2.29, eerste lid,
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
[…]
d. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1° bij plaatsing op een schuin dak:
i. binnen het dakvlak;
ii. in of direct op het dakvlak; en
iii. hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak;
2°bij plaatsing op een plat dak: afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan hoogte collector of paneel; en
3°.als de collector of het paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een bouwwerk geplaatst;
[…].