202500886/1/A2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2025 in zaak nr. 23/8294 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van een schuld bij Tinka B.V. van € 2.004,21 afgewezen.
Bij besluit van 6 november 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
3. [appellant] is erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft verzocht om overname van zijn private schuld bij Tinka B.V. van € 2.004,21. De overname van deze schuld is afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. Ook is niet gebleken van opeisbare betalingsachterstanden.
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht de aanvraag van [appellant] om overname van de schuld bij Tinka B.V. heeft afgewezen, omdat de schuld niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021. Niet is gebleken dat [appellant] de contractlimiet van € 4.800,00 van het krediet heeft overschreden. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de hoofdsom van de schuld opeisbaar was, omdat vóór 1 juni 2021 twee betaaltermijnen zijn gemist. Verder is de rechtbank [appellant] niet in het betoog gevolgd dat in ieder geval de rente over de periode vóór 1 juni 2021 als opeisbaar moet worden aangemerkt.
5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. Zij kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank in de onder 5 en 6 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat, nu de schuld bij Tinka B.V. niet opeisbaar was, op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht de rente daarover niet valt onder de bijkomende kosten die worden overgenomen.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
[…].
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
[…].
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
[…].
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
[…].
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
[…].