202302765/1/R4.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], beiden wonend in Hattem (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2. [appellant sub 2], wonend in Hattem,
3. Vereniging Landschap en Milieu Hattem, gevestigd in Hattem,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Hattem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bongerd, Hattem" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Vereniging beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.
[appellant sub 2] en de Vereniging hebben een zienswijze over dit besluit naar voren gebracht.
[appellant sub 1], [appellant sub 2], de Vereniging, Stichting Habion en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 februari 2025, waar zijn verschenen:
- [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J. van den Hoorn, rechtsbijstandverlener te Zwolle,
- [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.J. van Heijningen, advocaat te Zwolle,
- de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde],
- de raad, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem,
- Stichting Habion, vertegenwoordigd door mr. P.A. Kok, advocaat te Rotterdam, [gemachtigden],
- [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigden],
- Stichting Woonzorgconcern IJsselheem, vertegenwoordigd door [gemachtigde].
Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Awb en de raad verzocht om schriftelijk inlichtingen te geven als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb. De raad heeft schriftelijke inlichtingen gegeven.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de Vereniging en Stichting Habion hierop gereageerd.
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Vereniging hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Vereniging heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 24 maart 2026, waar zijn verschenen:
- [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J. van den Hoorn, advocaat te Zwolle,
- [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. van den Hoorn, voornoemd,
- de Vereniging, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, en [gemachtigde],
- de raad, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem,
- Stichting Habion, vertegenwoordigd door mr. R.D. van Oevelen en mr. L. de Jeu, beiden advocaat te Rotterdam, [gemachtigden],
- Stichting Woonzorgconcern IJsselheem, vertegenwoordigd door [gemachtigde].
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 18 augustus 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de herontwikkeling van de woonzorglocatie "De Bongerd" in Hattem mogelijk. Op het perceel staan in de huidige situatie drie aan elkaar gekoppelde gebouwen: een zorggebouw, een gebouw met aanleunwoningen en een gebouw met huurwoningen. In die gebouwen zijn in totaal 96 wooneenheden aanwezig, waarvan 78 zorgwoningen en 18 aanleunwoningen. De herontwikkeling van het gehele complex is noodzakelijk omdat de gebouwen verouderd zijn. De bestaande bebouwing wordt daarom gesloopt en in de plaats daarvan voorziet het plan in drie afzonderlijke gebouwen met in totaal 129 wooneenheden. Die gebouwen zijn in de plantoelichting aangeduid als gebouw A, gebouw B en gebouw C. De bedoeling is dat in gebouw A 63 zorgwoningen, in gebouw B 30 sociale huurwoningen en 11 vrije sector woningen en in gebouw C 25 vrije sector woningen worden gerealiseerd.
3. [appellant sub 2] woont ten westen van het plangebied, aan de [locatie A] in Hattem. Hij vreest dat zijn woon- en leefklimaat door de herontwikkeling verslechtert.
[appellant sub 1] woont ten zuiden van het plangebied, aan de [locatie B] in Hattem. Ook hij vreest dat zijn woon- en leefklimaat verslechtert als gevolg van de herontwikkeling.
De Vereniging heeft tot doel het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het fysieke milieu, in het bijzonder in de gemeente Hattem. Zij verzet zich tegen het plan vanwege de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden in de omgeving van Hattem.
4. Stichting Habion, [bedrijf] en Stichting Woonzorgconcern IJsselheem zijn de initiatiefnemers van de herontwikkeling.
Wijzigingsbesluit
5. Bij het besluit van 5 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.
De wijzigingen houden in dat aan artikel 1 (Begrippen) een begripsbepaling (artikel 1.57) voor zorgwoning is toegevoegd, dat in artikel 3 (Wonen - Woongebouw) is geregeld dat ten minste 63 van de 129 woningen zorgwoningen moeten zijn, en dat van de verbeelding de aanduiding "zorgwoning" is verwijderd.
6. De beroepen zijn op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege tegen dit besluit gericht. Omdat het bij besluit van 5 februari 2024 vastgestelde bestemmingsplan in de plaats is getreden van het bij besluit van 13 maart 2023 vastgestelde bestemmingplan, zal de Afdeling eerst het besluit van 5 februari 2024 beoordelen aan de hand van de beroepsgronden. Daarna zal de Afdeling bezien of er nog procesbelang bestaat bij een afzonderlijke beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 13 maart 2023.
Toetsingskader
7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]
De Participatiecode
8. [appellant sub 2] betoogt dat het participatieproces voor de voorbereiding van het plan in strijd met de gemeentelijke participatieprocedure, zoals neergelegd in de "Participatiecode gemeente Hattem" van 30 maart 2017 (hierna: de participatiecode), heeft plaatsgevonden. Hoewel omwonenden op diverse (informatie)bijeenkomsten zijn ingelicht over de ontwikkeling, heeft de raad onder meer niet meegedeeld op welke wijze de participatiecode wordt toegepast en op welke trede van de participatieladder het proces zich bevond.
8.1. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3347, onder 6.1, geoordeeld dat het plan niet in strijd met de participatiecode is vastgesteld, dat de wettelijk voorgeschreven voorbereidingsprocedure is gevolgd en dat [appellant sub 2] in zoverre voldoende is betrokken bij de totstandkoming van het plan. De Afdeling ziet geen reden om hierover anders te oordelen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de voorzieningenrechter. Het oproepen van de door [appellant sub 2] opgeroepen, maar niet verschenen, getuigen acht de Afdeling niet noodzakelijk voor de vaststelling van relevante en in geschil zijnde feiten.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsvisie Hattem
9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd met de Omgevingsvisie Hattem 2040 is vastgesteld. [appellant sub 2] voert aan dat de toelichting onjuist verwijst naar de Structuurvisie Hattem 2025, terwijl die ten tijde van de planvaststelling al was ingetrokken en de Omgevingsvisie als structuurvisie heeft te gelden. In strijd met de Omgevingsvisie, in het bijzonder pagina 40 van de Omgevingsvisie, ontbreekt een goede inpassing van de hoogbouw in de omgeving. Daarnaast ontbreekt een programma waarin de mogelijkheden voor hoogbouw zijn uitgewerkt. Ook volgens [appellant sub 1] is niet gemotiveerd dat hoogbouw past in de omgeving.
9.1. De Afdeling stelt vast dat de Omgevingsvisie op 24 maart 2022 in werking is getreden. Blijkens de inhoud hiervan vervangt deze de Structuurvisie Hattem 2025. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan niet in strijd met de door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] genoemde passages uit de Omgevingsvisie vastgesteld. De raad heeft in punt 2.7 van de Zienswijzennota gemotiveerd waarom het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie. De raad heeft de inpassing van de nieuwbouw op deze locatie in zijn afweging betrokken en deugdelijk gemotiveerd waarom van een goede inpassing van de bebouwing sprake is. Daarover heeft de raad toegelicht dat de bouwhoogte afloopt naar de randen van de plangebied en dat de maximale bouwhoogtes van 12,3 m en 9,3 m maar beperkt afwijken van de maximale bouwhoogtes van 14 m en 11 m uit het vorige plan. Daarbij heeft de raad toegelicht dat door deze bouwhoogtes meer open ruimte in het plangebied kan worden behouden. De Afdeling leest in de Omgevingsvisie niet dat voor hoogbouw, waarvan op grond van de Omgevingsvisie sprake is bij plannen met meer dan drie bouwlagen, eerst een programma voor de mogelijkheden voor meer woningen per kavel moet zijn uitgewerkt.
De betogen slagen niet.
Parkeren
10. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] vrezen dat de ontwikkeling van het zorgcomplex leidt tot ernstige parkeerhinder in de omgeving van het plangebied. Voor de nadere toelichting van dit betoog hebben zij diverse rapporten overgelegd. Hierin worden de juistheid van de parkeerbalans die ten grondslag ligt aan het plan en een geactualiseerde parkeerbalans betwist. Samengevat weergegeven is de belangrijkste conclusie in de door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] overgelegde rapporten dat de bestaande parkeerdruk in de omgeving onvoldoende is onderzocht en dat de raad daarom niet mocht veronderstellen dat in de omgeving van het plangebied voldoende restcapaciteit is om een deel van de parkeerbehoefte op te vangen.
10.1. De raad stelt dat uit het rapport van BonoTraffics, "Parkeerbalans herontwikkeling De Bongerd", van april 2022 (bijlage 7 bij de plantoelichting, hierna: de Parkeerbalans) volgt dat de parkeervraag van de in het plangebied voorziene functies ten hoogste 116 parkeerplaatsen is. In het plangebied wordt in ieder geval voorzien in 102 parkeerplaatsen. Dit betekent volgens het rapport dat er in het plangebied in dat geval een tekort zal zijn van 14 parkeerplaatsen op het drukste moment, namelijk de "werkdagavond". Deze 14 parkeerplaatsen kunnen volgens de raad zo nodig alsnog worden gerealiseerd in het plangebied, maar het is uit het oogpunt van een optimaal gebruik van de ruimte zinvol om de restcapaciteit in de directe (openbare) omgeving te benutten. Uit de parkeertellingen blijkt dat er in de directe omgeving, binnen 100 m tot het plangebied, nog voldoende restcapaciteit is om het tekort van maximaal 14 parkeerplaatsen op te vangen.
De raad heeft nader onderzoek laten doen naar de gevolgen van het plan voor de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied. De uitkomsten hiervan staan in het rapport van BonoTraffics, "Parkeerbalans herontwikkeling De Bongerd, actualisatie 2024" van 1 februari 2024 (hierna: de geactualiseerde Parkeerbalans). Hierin is voor de parkeernorm van alle appartementen uitgegaan van vrije sector huurwoningen en is opnieuw de beschikbare restcapaciteit rondom het plangebied geteld. De toekomstige parkeervraag is in dit rapport berekend op ten hoogste 134 parkeerplaatsen. De geschikte restcapaciteit rondom het plangebied bedraagt 54 parkeerplaatsen. Uitgaande van een maximale bezettingsgraad van 85% wordt in de actualisatie tot uitgangspunt genomen dat van deze 54 parkeerplaatsen er maximaal 46 bezet mogen zijn. In een parkeerbalans is vervolgens uiteengezet dat er op de diverse momenten in de week voldoende restcapaciteit beschikbaar is. Alleen op het drukste moment, de werkdagavond, zal er sprake zijn van een tekort van 1 parkeerplaats. De raad heeft toegelicht dat er zo nodig in het plangebied extra parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd en daarbij benadrukt dat de actualisatie is gebaseerd op worst case uitgangspunten.
10.2. Artikel 10.1 (Voldoende parkeergelegenheid) van de planregels luidt: "Bepalingen omtrent het parkeren:
a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
b. Bij omgevingsvergunning wordt aan de hand van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
c. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de eis dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden (sub a) en de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen (sub b) mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota Parkeernormen opgenomen regels en voorwaarden."
10.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving van het plangebied. De aanleg van voldoende parkeergelegenheid is gewaarborgd in artikel 10.1 van de planregels. Alle gronden in het plangebied zijn bestemd voor onder meer parkeervoorzieningen en [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben niet betwist dat in het plangebied in ieder geval 102 parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd. De Afdeling stelt vast dat er buiten de bouwvlakken voldoende ruimte is om zo nodig nog meer parkeerplaatsen aan te leggen. Het is dus zowel planologisch toegestaan als ruimtelijk mogelijk om aanmerkelijk meer dan de 102 beoogde parkeerplaatsen in het plangebied te realiseren. De raad heeft verder deugdelijk gemotiveerd dat er in de omgeving van het plangebied nog parkeergelegenheid beschikbaar is die zou kunnen worden aangewend voor deze ontwikkeling. De geactualiseerde Parkeerbalans bevestigt de uitkomst van de Parkeerbalans dat er in de omgeving van het plangebied restcapaciteit aanwezig is. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben de door 4-Traffic opgestelde "Notitie contra-expertise parkeervraagstuk ontwikkeling De Bongerd-Hattem" van 13 januari 2025 overgelegd, als reactie op de geactualiseerde Parkeerbalans. Gelet op de inhoud van de door BonoTraffics opgestelde "Reactie bezwaar parkeerbalans De Bongerd" van 23 januari 2025 ziet de Afdeling in de contra-expertise geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet mocht concluderen dat er restcapaciteit in de omgeving van het plangebied aanwezig is en dat het zinvol is om die te benutten. Het college zal op grond van artikel 10.1, onder c, van de planregels gebruik moeten maken van een afwijkingsbevoegdheid om af te kunnen wijken van de eis dat parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden en daartegen staat rechtsbescherming open. Wat betreft de gevolgen van het plan voor [appellant sub 2] en [appellant sub 1] neemt de Afdeling verder in aanmerking dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] op eigen terrein kunnen parkeren.
Het betoog slaagt niet.
Planregeling zorgwoningen
11. [appellant sub 2] betoogt dat het plan onvoldoende waarborgt dat een deel van de voorziene woningen ook daadwerkelijk als zorgwoning zal worden gebruikt. Volgens hem is de definitie van zorgwoning in artikel 1.57 van de planregels rechtsonzeker, omdat hierin nadrukkelijk is aangesloten bij een ten tijde van de vaststelling van het plan van kracht zijnde wet, namelijk de Wet langdurige zorg (Wlz). In artikel 1.57 is geen verwijzing gemaakt naar toekomstige of vervangende wet- en regelgeving. De Wlz is de "opvolger" van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en het is niet ondenkbaar dat ook de Wlz wordt vervangen door een andere wet, aldus [appellant sub 2].
[appellant sub 2] betoogt verder dat de planregeling niet handhaafbaar is, omdat het bevoegd gezag niet zal kunnen controleren of de woning daadwerkelijk wordt bewoond door een zorgbehoevende. Daarbij wijst hij op de situatie dat een zorg-ontvangende bewoner overlijdt en een niet-zorgbehoevende partner in de zorgwoning achterblijft, of de situatie dat een persoon die zorg ontvangt zijn zorgindicatie verliest. Volgens hem had daarom in de planregels nadrukkelijk moeten worden vastgelegd dat dit niet is toegestaan. Hij verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3006. De ruimtelijke gevolgen van het plan zijn als gevolg daarvan niet goed beoordeeld. In het bijzonder zijn de gevolgen voor het parkeren en het verkeer onderschat.
11.1. Artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "De voor 'Wonen - Woongebouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor: het wonen, al dan niet in combinatie met zorg en/of met een aan-huis-verbonden beroep, waarbij het aantal woningen niet meer dan 129 mag zijn en waarvan ten minste 63 woningen een zorgwoning moeten zijn;".
In artikel 1.57 van de planregels is zorgwoning gedefinieerd als "een woning of wooneenheid die naar zijn aard geschikt is voor het ontvangen van zorg en die feitelijk in gebruik is door een huishouden waarvan tenminste één persoon afhankelijk is van zorg die wordt geboden vanuit een professionele zorgorganisatie in de vorm van een volledig pakket thuis (VPT) zoals bedoeld in de Wet langdurige zorg (Wlz)."
11.2. De situatie dat de Wlz niet langer tot het geldende recht behoort, heeft niet tot gevolg dat alle zorgwoningen vervolgens als reguliere woningen gebruikt mogen worden. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels moeten er van de 129 woningen immers ten minste 63 een zorgwoning zijn. De raad heeft het niet nodig hoeven vinden om het gebruik van minder dan deze 63 woningen als zorgwoning tevens nadrukkelijk als strijdig gebruik in de planregels op te nemen, omdat dit al in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels is geregeld. De door [appellant sub 2] bedoelde situatie dat binnen een huishouden de afhankelijkheid van de in artikel 1.57 bedoelde zorg eindigt, kan tot gevolg hebben dat sprake is van een met het plan strijdig gebruik als daardoor van de toegelaten 129 woningen er niet ten minste 63 een zorgwoning zijn. Op grond van wat is aangevoerd valt evenwel niet in te zien dat in zo’n situatie niet kan worden gecontroleerd of er voldoende woningen of wooneenheden binnen het plangebied feitelijk in gebruik zijn door huishoudens waarvan ten minste één persoon afhankelijk is van de in artikel 1.57 bedoelde zorg.
Het betoog slaagt niet.
Natuurbescherming
12. [appellant sub 2] betoogt dat de gemaakte AERIUS-berekeningen van 26 februari 2023 ten onrechte niet bij het ontwerpplan in de periode 18 augustus 2022 tot en met 28 september 2022 ter inzage hebben gelegen. Volgens hem is dit in strijd met artikel 3:11 van de Awb.
12.1. Uit artikel 3:11 van de Awb volgt dat alle op het bestemmingsplan betrekking hebbende stukken met het ontwerpplan ter inzage moeten worden gelegd. Stukken die in de periode van de terinzagelegging nog niet bestonden, kunnen ook niet ter inzage worden gelegd. Daarom kan wat [appellant sub 2] aanvoert in zoverre geen strijd opleveren met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. In zijn zienswijze over het ontwerpplan heeft hij ook niet op het ontbreken van AERIUS-berekeningen gewezen.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat [appellant sub 1]
13. [appellant sub 1] betoogt dat het plan leidt tot een inbreuk op zijn woongenot en privacy. Hij wijst daarvoor op de toegelaten bouwhoogte van maximaal 12,3 m en de kap van bomen en struiken in het plangebied.
13.1. Op grond van het vorige plan was op een afstand van minimaal 22 m van de woning van [appellant sub 1] bebouwing met een goothoogte van 7 m en een bouwhoogte van 11 m toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan maakt aan de overzijde van de Van Galenstraat op minimaal 14 m afstand bebouwing met een bouwhoogte van 9,3 m mogelijk. Dit houdt wel een verandering voor [appellant sub 1] in, maar naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad zich op het standpunt stellen dat deze verandering op deze locatie in een stedelijke omgeving niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1], waaronder zijn privacy.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat [appellant sub 2]
14. [appellant sub 2] voert aan dat er op 40 m van zijn woning een nieuw woongebouw met een bouwhoogte tot 12,3 m mogelijk wordt gemaakt. Voor deze ontwikkeling moet er groen in zijn woonomgeving verdwijnen. Deze ontwikkeling betekent volgens hem daarmee een inbreuk op zijn privacy en zijn woongenot. Hij voert aan dat de kap van bomen in strijd is met een motie van de raad, het Groenstructuurplan en de Groenvisie. Ook de gevolgen van de toename van het wegverkeer en het wegverkeerslawaai leiden tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.
14.1. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de gevolgen van dit plan voor het woongenot en de privacy van [appellant sub 2] niet zo groot zijn dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan maakt op 40 m van de woning van [appellant sub 2], aan de overzijde van de Eijerdijk, een nieuw gebouw mogelijk met een hoogte van 12,3 m. Dit houdt wel een verandering voor [appellant sub 2] in, maar die verandering leidt op deze locatie in een stedelijke omgeving niet tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De raad heeft verder op basis van verkeerstellingen toegelicht dat de bestaande verkeersintensiteit op de Eijerdijk zo’n 3.300 mvt/etm is. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting staat dat als gevolg van het plan het aantal verkeersbewegingen met 246 mvt/etm toeneemt en dat deze worden verdeeld over de verschillende wegen rondom het plangebied. [appellant sub 2] heeft de omvang van deze toename niet betwist. Het plan heeft voor het aantal mvt/etm op de Eijerdijk dus een relatief gering effect en daarmee ook voor de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 2]. Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding niettemin gehouden was om de toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 2] specifiek te onderzoeken. [appellant sub 2] heeft verder niet geconcretiseerd waarom het plan in strijd zou zijn met de bedoelde motie van de raad, het Groenstructuurplan en de Groenvisie en waarom de motivering in de Reactienota Zienswijzen in zoverre het besluit niet kan dragen. Het verdwijnen van groen heeft de raad in zijn afweging betrokken, maar hij heeft een groter gewicht toegekend aan de bouw van nieuwe woningen die uit stedenbouwkundig oogpunt in drie bouwblokken worden gerealiseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroepen [appellant sub 1] en [appellant sub 2]
15. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] tegen het besluit van 5 februari 2024 zijn ongegrond.
De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] tegen het besluit van 13 maart 2023 zijn niet-ontvankelijk, omdat de Afdeling niet is gebleken dat zij nog een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen dit eerdere besluit.
Het beroep van de Vereniging
De maatregel van intern salderen
16. De Vereniging betoogt dat de raad ten onrechte de referentiesituatie heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling die is voorzien op voorhand zijn uitgesloten.
16.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, overwogen dat de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan op voorhand zijn uitgesloten. Omdat de raad dat wel heeft gedaan, is het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
Het betoog slaagt.
17. Vanwege voormelde uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 heeft de Afdeling aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de raad verzocht om schriftelijke inlichtingen te verstrekken over de gevolgen van deze uitspraak voor deze procedure. De raad heeft daarop het door Sweco opgestelde rapport "Passende Beoordeling de Bongerd Hattem" van 26 februari 2026 (hierna: de passende beoordeling) met een toelichting aan de Afdeling verstrekt. Als bijlage 2 bij de passende beoordeling zijn AERIUS-berekeningen van 24 december 2025 (hierna: de AERIUS-berekeningen) gevoegd. Voor de onderbouwing van de uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen is in de passende beoordeling verwezen naar het door Econsultancy opgestelde rapport "Onderzoek stikstofdepositie Bongerd 32 te Hattem" van 7 oktober 2024 (hierna: het stikstofonderzoek). De passende beoordeling, inclusief de AERIUS-berekeningen en het stikstofonderzoek, en de reactie daarop van de Vereniging zullen hierna - met het oog op finale beslechting van het geschil - bij de beoordeling van de beroepsgronden worden betrokken.
Intrekking beroepsgronden
18. Omdat een aantal uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen is gewijzigd ten opzichte van eerdere berekeningen, heeft de Vereniging op de zitting van 24 maart 2026 een aantal beroepsgronden die specifiek zagen op de uitgangspunten van die eerdere stikstofberekeningen, ingetrokken. Daarnaast heeft de Vereniging op die zitting haar beroepsgrond over de gevolgen van de vestiging van een nieuwe supermarkt in Hattem voor de verkeersintensiteiten op de diverse wegen ingetrokken.
De uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen - de referentiesituatie
19. De Vereniging betoogt dat het gevolg van verkeersbewegingen in de referentiesituatie is overschat. In het stikstofonderzoek is voor alle bestaande 96 woningen weliswaar aangesloten bij de verkeersgeneratie voor de functie "aanleunwoning en serviceflat" met een gemiddelde verkeersgeneratie van 249,6 mvt/etm. Maar een groot deel van de woningen maakt deel uit van een intramurale zorginstelling, zodat een nog lagere verkeersgeneratie passend is.
19.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2994, onder 12.3), is voor het antwoord op de vraag of het stikstofonderzoek ten grondslag kan worden gelegd aan het besluit van belang of de uitgangspunten waarop het onderzoek is gebaseerd reëel en aannemelijk zijn.
19.2. In paragraaf 3.1.1 van het stikstofonderzoek is de verkeersgeneratie in de referentiesituatie berekend aan de hand van de kengetallen van het CROW. Voor alle woningen is aansluiting gezocht bij de laagste verkeersgeneratie. Uitgaande van de gemiddelde bandbreedte van die laagste verkeersgeneratie genereert de referentiesituatie 249,6 mvt/etm. De raad heeft toegelicht dat deze verkeersgeneratienorm ook passend is voor woningen van personen die vanwege hun medische situatie niet zelfstandig aan het verkeer deelnemen, omdat er ook dan verkeer wordt gegenereerd door bezoekers en zorgmedewerkers. Hiermee heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd dat een verkeersgeneratie van 249,6 mvt/etm in de referentiesituatie reëel en aannemelijk is.
Het betoog slaagt niet.
20. De Vereniging betoogt dat in de AERIUS-berekeningen te lange lijnbronnen voor het verkeer zijn gehanteerd. Volgens haar is al eerder sprake van de situatie dat het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Hierdoor zijn de gevolgen van de referentiesituatie overschat.
20.1. In paragraaf 3.1.1 van het stikstofonderzoek staat dat de Instructie gegevensinvoer door AERIUS Calculator (hierna: de Instructie) is toegepast bij de doorberekening van het verkeer en de verkeersstromen. In de Instructie staat wanneer het aan- en afvoerende verkeer van en naar een ontwikkeling geacht wordt opgenomen te zijn in het heersende verkeersbeeld. Als algemeen criterium staat in de Instructie dat verkeer niet meer aan de ontwikkeling wordt toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In het stikstofonderzoek is inzichtelijk gemaakt dat de referentiesituatie zorgt voor een percentage van 3% van het totale verkeer op de Dorpsweg en de Verlengde Parklaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het stikstofonderzoek het criterium van het heersende verkeersbeeld voor de referentiesituatie onjuist is toegepast.
Het betoog slaagt niet.
21. De Vereniging betoogt dat het gasverbruik van 117.800 m3 per jaar in de referentiesituatie niet is onderbouwd. Voor de zorgwoningen is wel een verbruik per maand genoemd, maar dat betreft afgeronde, vaak exact gelijke getallen in de diverse maanden. Het gasverbruik van de aanleunwoningen is afzonderlijk weergegeven, waarbij voor elke woning hetzelfde verbruik is gehanteerd. Bij dit overzicht ontbreekt verder iedere onderbouwing, terwijl het om een hoog verbruik per woning gaat.
21.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat het verbruik van 117.800 m3 gas per jaar in de referentiesituatie reëel en aannemelijk is. Als bijlage 3 bij de stikstofberekening is alleen een tabel gevoegd waarin voor de 78 zorgwoningen een totaalverbruik per maand staat en waarin voor de 18 aanleunwoningen een geschat jaarverbruik van 1.200 m3 per woning staat. De raad heeft toegelicht dat Stichting Habion eigenaar is van het gebouw van de zorgwoningen en dat het gasverbruik is gebaseerd op de gegevens over het verbruik in 2022. Voor de 18 aanleunwoningen is een inschatting gemaakt, omdat deze op dezelfde installatie als andere woningen zijn aangesloten en een verbruik per woning niet inzichtelijk kan worden gemaakt. De Vereniging heeft gewezen op een aantal aspecten van bijlage 3 dat om een nadere uitleg vraagt, zoals het identieke verbruik in te onderscheiden maanden, terwijl het verbruik zou zijn gebaseerd op het feitelijke gebruik in 2022. Omdat Stichting Habion, als één van de initiatiefnemers van de ontwikkeling, beschikt over de gegevens om deze duidelijkheid te verschaffen, lag het op de weg van de raad om aan de hand van deze gegevens over het feitelijke verbruik inzichtelijk te maken dat een reëel en aannemelijk uitgangspunt is gehanteerd voor het gasverbruik in de referentiesituatie. Voor zover gegevens ontbreken, had bijvoorbeeld aan de hand van vergelijkbare situaties dit inzicht kunnen worden geboden.
Het betoog slaagt.
De uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen - de aanlegfase
22. De Vereniging betoogt dat het zwaar verkeer in de aanlegfase nauwkeuriger had moeten worden beschouwd, vanwege de aard van dat verkeer en de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
22.1. In paragraaf 3.2 van de stikstofberekening zijn de voor de aanlegfase gehanteerde uitgangspunten nader beschreven. Het gaat om verkeersbewegingen van 3.000 lichte, 1.500 middelzware en 2.000 zware motorvoertuigen verspreid over de hele bouwperiode. Het totaal van 6.500 is 0,4% van het aantal mvt op de Dorpsweg per jaar (1.325.680 mvt). De Vereniging heeft op de zitting bevestigd dat aannemelijk is dat verkeer in de aanlegfase gebruik zal maken van de Dorpsweg, omdat dit de enige route voor vrachtverkeer richting de Rijksweg A50 is. De aanleg vindt verspreid over meerdere jaren plaats en de hele Dorpsweg is als lijnbron betrokken in de stikstofberekeningen, wat gelet op het aandeel van het totale verkeer een worst case benadering is. In zoverre ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de berekening van de gevolgen van de aanlegfase niet op reële en aannemelijke uitgangspunten berust.
Het betoog slaagt niet.
De uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen - de gebruiksfase
23. De Vereniging betoogt dat in de AERIUS-berekeningen van een te laag aantal motorvoertuigbewegingen is uitgegaan. In het stikstofonderzoek wordt nog uitgegaan van 559,8 mvt/etm, terwijl in de AERIUS-berekeningen is gerekend met 440 mvt/etm. Ook het aantal koude starts is in de AERIUS-berekeningen verlaagd ten opzichte van het stikstofonderzoek van 279,9 naar 220,6.
23.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat het aantal van 440 mvt/etm, zoals dit tot uitgangspunt is genomen in de AERIUS-berekeningen, reëel en aannemelijk is. Dit aantal wijkt af van het aantal van 559,8 mvt/etm dat in paragraaf 3.3.1 van het stikstofonderzoek is berekend. De raad heeft daarover op de zitting toegelicht dat de berekening in het stikstofonderzoek is gebaseerd op publicatie 381 van het CROW en dat de AERIUS-berekeningen zijn gebaseerd op een herberekening van de verkeersgeneratie op grond van publicatie 744 van het CROW. Deze herberekening heeft de raad evenwel niet inzichtelijk gemaakt. Als gevolg hiervan is ook het gehanteerde aantal koude starts, dat is afgeleid van de verkeersgeneratie, niet inzichtelijk gemaakt.
Het betoog slaagt.
24. De Vereniging betoogt dat de route via de Hogenkamp de kortste en snelste route naar de Rijksweg A50 is vanuit het plangebied. Het gebruik van deze route is ten onrechte niet onderzocht bij de beoordeling van de gevolgen van het plan. De Hogenkamp ligt op kortere afstand dan de Dorpsweg van Natura 2000-gebied "Veluwe".
24.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat met verkeer over de Hogenkamp geen rekening hoeft te worden gehouden bij de beoordeling van de gevolgen van het plan in de gebruiksfase. De raad heeft er op de zitting op gewezen dat de Hogenkamp niet is ingericht voor doorgaand verkeer en dat er in de referentiesituatie ook geen rekening is gehouden met verkeer over de Hogenkamp. Weliswaar is de route over de Eijerdijk en Dorpsweg de doorgaande route richting de Rijksweg A50, maar de Vereniging heeft er met juistheid op gewezen dat de route over de Hogenkamp door routeplanners als kortste route naar de Rijksweg A50 wordt aangewezen, en afhankelijk van het startpunt ook als snelste route. De route over de Hogenkamp ligt op kortere afstand van Natura 2000-gebied "Veluwe" dan de route over de Dorpsweg. Ook neemt in de gebruiksfase het aantal motorvoertuigbewegingen toe ten opzichte van de referentiesituatie. De motivering die de raad heeft gegeven rechtvaardigt op zichzelf dus nog niet de conclusie dat er helemaal geen rekening hoeft te worden gehouden met verkeer over de Hogenkamp.
Het betoog slaagt.
Intern salderen - het additionaliteitsvereiste
25. De Vereniging betoogt dat de raad zich er niet voldoende van heeft vergewist dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de beëindiging van de referentiesituatie niet nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Volgens de Vereniging volstaat de constatering dat een expliciete vermelding in een maatregelenpakket ontbreekt niet ter invulling van die vergewisplicht. De Vereniging wijst op de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4540, onder 23.4. Uit de openbaar raadpleegbare gegevens volgt namelijk dat een verdere daling van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden "Veluwe" en "Rijntakken" noodzakelijk is. De Vereniging wijst daarvoor op de beheerplannen met de leefgebiedenkaarten en de natuurdoelanalyses. Ook in het provinciaal beleid wordt erkend dat bestaande maatregelen onvoldoende bijdragen aan de benodigde vermindering van de stikstofdepositie. Niet zeker is of de beëindiging van het gasgebruik in de referentiesituatie nodig is voor die benodigde verdere vermindering. Daarbij voert de Vereniging aan dat als een maatregelenpakket te beperkt is, een enkele verwijzing naar zo’n maatregelenpakket niet een voldoende invulling van de vergewisplicht is. De Vereniging wijst nader op de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1379, onder 28-28.2.
25.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, moet de raad ook bij bestemmingsplannen waar een mitigerende maatregel wordt betrokken in de passende beoordeling die naar zijn aard ook kan worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel, motiveren waarom die maatregel niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel. De raad kan aan deze motiveringsverplichting voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Dit wijkt dus af van de invulling van de motiveringsverplichting zoals die in de door de Vereniging genoemde uitspraak van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4540, onder 23.4, is gehanteerd. Dit wijkt ook af van de invulling van de motiveringsverplichting zoals die in de door de Vereniging genoemde uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1379, onder 28-28.2, is gehanteerd, omdat het beroep in die zaak was gericht tegen een besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat en voor de rijksoverheid bevoegdheden bestaan om invloed uit te oefenen op de staat van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 4 van de passende beoordeling zijn voorgenomen landelijke en provinciale stikstofmaatregelen beschreven. Tussen partijen is niet in geschil dat er in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie in het onderhavige plan nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Gelet hierop heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie in dit geval niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
26. Het beroep van de Vereniging leidt tot de conclusie dat het besluit van 5 februari 2024 het onder 16.1 geconstateerde gebrek bevat. Gelet op wat hiervoor onder 21.1, 23.1 en 24.1 is overwogen, is dit gebrek nog niet hersteld.
Bestuurlijke lus
27. Het beroep van de Vereniging geeft de Afdeling aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:51d van de Awb. De Afdeling zal de raad met het oog op een spoedige beslechting van het geschil opdragen om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak het onder 16.1 geconstateerde gebrek in het besluit te herstellen. Dat kan de raad doen door - gelet op wat hiervoor onder 21.1, 23.1 en 24.1 is overwogen - nader te motiveren dat de gehanteerde uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen over het gasverbruik in de referentiesituatie, het aantal verkeersbewegingen en koude starts in de gebruiksfase, en het gebruik van de Hogenkamp in de gebruiksfase reëel en aannemelijk zijn. De raad kan ook een of meer van deze uitgangspunten wijzigen, deze wijzigingen motiveren, en op basis van de gewijzigde uitgangspunten aan de hand van nieuwe AERIUS-berekeningen de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden motiveren. Bij zijn motivering moet de raad uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Aan de hand van de uitkomsten van die nieuwe AERIUS-berekeningen moet de raad vervolgens bezien of zijn besluit nog anderszins nadere motivering behoeft. Zo nodig moet de raad een nieuw of gewijzigd besluit nemen.
28. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.
Op een nieuw of gewijzigd besluit blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4).
De raad moet de uitkomst aan de Afdeling en de Vereniging meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.
Redelijke termijn
29. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
29.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
29.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 1] ontvangen op 2 mei 2023. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 2] ontvangen op 3 mei 2023. De Afdeling doet vandaag uitspraak op deze beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Dat is meer dan twee jaar na het instellen van het beroep. De redelijke termijn is in deze procedure met 12 maanden overschreden.
29.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vastgesteld op ieder € 1.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellanten sub 1], waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan [appellant sub 1] samen in totaal een bedrag van € 1.000,00 wordt toegekend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:245, onder 45).
30. De Afdeling zal in de einduitspraak een beslissing nemen op het verzoek van de Vereniging om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Eindconclusie
31. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 5 februari 2024 zijn ongegrond. Hun beroepen tegen het besluit van 13 maart 2023 zijn niet-ontvankelijk. Voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] eindigt de procedure dus met deze uitspraak.
32. Voor de Vereniging is deze uitspraak een tussenuitspraak.
Proceskosten
33. De raad hoeft de proceskosten van [appellant sub 1] niet te vergoeden.
De raad moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden, omdat het besluit van 5 februari 2024 is genomen naar aanleiding van zijn beroep. Voor zover [appellant sub 2] verzoekt om vergoeding van de kosten van het inschakelen van een deskundige, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380, komen de kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. In deze zaak zijn door [appellant sub 2] kosten gemaakt voor het laten opstellen van een contra-expertise door ir. Sj. Stienstra, waarin de Parkeerbalans bij de plantoelichting is besproken. Uit overweging 10.3 van de uitspraak volgt dat het betoog over het parkeren niet slaagt. De beroepsgrond van [appellant sub 2] die aanleiding is voor de proceskostenveroordeling, ziet op de planregeling voor de zorgwoningen in het besluit van 13 maart 2023, waarna de raad het besluit van 5 februari 2024 heeft genomen. Omdat deze beroepsgrond geen verband houdt met het overgelegde deskundigenrapport, oordeelt de Afdeling dat de kosten van het inschakelen van een deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen.
34. De Staat der Nederlanden moet de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor het verzoek om schadevergoeding vergoeden.
Hierbij betrekt de Afdeling dat dit verzoek voor beide verzoekers door dezelfde gemachtigde in dezelfde brief is gedaan. Voor de toekenning van een vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden deze verzoeken daarom beschouwd als één zaak in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarom zal de veroordeling van de proceskosten wat betreft de verzoekschriften ten behoeve van deze partijen, ieder voor de helft, worden uitgesproken.
35. Ten aanzien van de Vereniging zal de Afdeling in de einduitspraak beslissen over de vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
deel uitspraak
I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Hattem van 13 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Bongerd, Hattem" niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Hattem van 5 februari 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Bongerd, Hattem" ongegrond;
III. veroordeelt de raad van de gemeente Hattem tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.568,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Hattem aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan de hierna vermelde appellanten een schadevergoeding te betalen tot een bedrag van:
a. € 1.000,00 aan [appellanten sub 1], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
b. € 1.000,00 aan [appellant sub 2];
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van:
a. € 233,50 aan [appellanten sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
b. € 233,50 aan [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
deel tussenuitspraak
VII. draagt de raad van de gemeente Hattem op om:
a. binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak het onder 16.1 geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van wat daarover in deze uitspraak is overwogen, en
b. de Afdeling en de Vereniging Landschap en Milieu Hattem de uitkomst mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzitter
w.g. Boer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
745