202407811/1/A3.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Hengelo (Ov),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 november 2024 in zaak nr. 23/1582 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Hengelo.
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2023 heeft de burgemeester het gehele pand en het bijbehorende erf aan de [locatie] in Hengelo gesloten voor drie maanden.
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de burgemeester het daartegen door [appellant] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2025 waar de burgemeester, vertegenwoordigd door I.B.H. Heil, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van een pand aan de [locatie] in Hengelo. Dit pand heeft de bestemming ‘wonen en bedrijvigheid’. Naar aanleiding van meerdere overlastmeldingen heeft de politie het pand en het terrein aan de [locatie] onderzocht. In de naar aanleiding daarvan opgemaakte bestuurlijke rapportage van 13 december 2022 staat dat de politie op het terrein een hennepgeur kon waarnemen en dat zij in het pand kweekbakken, potgrond met wortelresten en een ingerichte hennepkwekerij, verdeeld over 9 kweekruimtes, heeft aangetroffen met op dat moment 80 hennepmoederplanten en 47 stekken, als ook andere hennepgerelateerde goederen, zoals ventilatoren, luchtafzuigers en schakelborden. Ook is vermeld dat er indicatoren waren voor tenminste één eerdere oogst en dat er sprake was van diefstal van stroom. Het geheel is geduid als een bedrijfsmatige, professioneel ingerichte hennepkwekerij.
2. De burgemeester heeft het pand voor de duur van drie maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid van de gemeente Hengelo, onder verwijzing naar onder meer de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage. Daarbij heeft de burgemeester de sluitingsduur voor woningen voor het hele pand aangehouden. [appellant] is het niet eens met de sluiting. Volgens hem is de situatie niet zodanig ernstig dat tot sluiting van de woning voor drie maanden kon worden overgegaan.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank is het niet met [appellant] eens dat de overtreding onvoldoende ernstig was om een sluiting van de woning te rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat de sluiting noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat er sprake was van een zeer ruime overschrijding van de hoeveelheid softdrugs, namelijk een grote hoeveelheid moederplanten en stekplanten, en een professioneel opgezette kwekerij. Gelet hierop is het aannemelijk dat de drugs bedoeld zijn voor de verkoop in het drugscircuit en daarmee is ook de bekendheid van het pand aannemelijk. Ook wijst de rechtbank erop dat de burgemeester heeft aangegeven dat de woning zich bevindt in een straat waar al vaker hennepkwekerijen zijn aangetroffen en dat voorkomen moet worden dat de wijk zich ontwikkelt tot een voor drugscriminaliteit gevoelige wijk. Ook waren er meerdere overlastmeldingen van een sterke hennepgeur en was er een gevaarlijke situatie als gevolg van het illegaal aftappen van elektriciteit. De rechtbank concludeert dat voldoende gemotiveerd is dat de situatie dermate ernstig was dat niet met een waarschuwing kon worden volstaan.
4. Verder overweegt de rechtbank dat niet ter discussie staat dat [appellant] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aangetroffen hennepkwekerij en dat hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank overweegt dat is gebleken dat [appellant] bij zijn zus kon verblijven en dat de burgemeester heeft aangegeven dat [appellant] wel gebruik mocht maken van zijn camper en dat over dat gebruik nadere afspraken gemaakt konden worden. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd waarom de sluiting van drie maanden niet onevenredig is en dat dus de bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en de openbare orde zwaarder mocht wegen dan het persoonlijk belang van [appellant].
Hoger beroep
5. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester eerst een waarschuwing had moeten geven voordat hij tot sluiting van de woning had kunnen overgaan. [appellant] voert aan dat het gaat om een eerste overtreding en dat alleen in ernstige gevallen direct tot sluiting wordt overgegaan. Het uitgangspunt is om eerst een waarschuwing of een soortgelijke maatregel te geven. Dat bij hem 80 hennepplanten en 47 hennepstekken zijn aangetroffen duidt niet op een ernstig geval. Er waren ook verder geen feiten of omstandigheden op basis waarvan die conclusie zou kunnen worden getrokken. Hij wijst naar het Damoclesbeleid en betoogt dat weliswaar in beginsel een woning bij een eerste overtreding wordt gesloten voor een periode van drie maanden, maar dat daarbij bezien moet worden of gelet op feiten en omstandigheden van het specifieke geval kan worden volstaan met een waarschuwing. Van andere omstandigheden dan het aantreffen van 80 hennepplanten en 47 hennepstekken is niet gebleken. Daarom zou er in zijn geval juist geen reden zijn om direct tot sluiting over te gaan.
Beoordeling
6. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
7. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.6, 6.7 en 6.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de ernst van de overtreding is beoordeeld door de burgemeester aan de hand van de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage. Daarin staat niet alleen dat er 80 hennepplanten en 47 hennepstekken zijn aangetroffen, door de rechtbank terecht aangemerkt als een zeer ruime overschrijding van de hoeveelheid toegestane softdrugs, maar ook onder meer dat er stroom werd afgetapt en dat er een professionele kwekerij was ingericht. De burgemeester hoefde dan ook niet te volstaan met een waarschuwing op grond van het geldende beleid. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de situatie ernstig genoeg was om een sluiting van drie maanden noodzakelijk en evenwichtig te vinden. Het oordeel van de rechtbank hierover is juist.
Verzoek om schadevergoeding
8. [appellant] heeft in hoger beroep verzocht om schadevergoeding vanwege de sluiting van de woning. Omdat het hoger beroep ongegrond is, en geen van de andere gevallen bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zich voordoet, bestaat er geen aanleiding voor schadevergoeding.
Slotsom
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
11. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
314-1158