202407281/1/A2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2024 in zaak nr. 24/57 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] om overname van hun schuld bij [persoon] van € 7.500,00 afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. J. Ruijs, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
Inleiding
3. [appellant A] en [appellant B] zijn erkend gedupeerden van de toeslagenaffaire. Zij hebben de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om overname van een schuld van € 7.500,00 bij [persoon].
Besluitvorming
4. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat de schuld bij [persoon] niet opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Daarnaast is de notariële akte, waarin die schuld is vastgelegd, niet verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. De schuld aan [persoon] voldoet dus ook niet aan het vereiste, gesteld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag om overname van de schuld terecht heeft afgewezen. Aan dat oordeel legt de rechtbank ten grondslag dat in de notariële akte staat dat de schuld bij [persoon] op 31 december 2023 opeisbaar is geworden. Verder staat in de saldo-opgave bij de Sociale Banken Nederland dat de schuld op 2 maart 2023 opeisbaar is geworden. Uit beide stukken volgt dus dat de schuld pas na 1 juni 2021 opeisbaar was. De schuld bij [persoon] voldoet daarom niet aan het vereiste van opeisbaarheid, gesteld in artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wht. De schuld kwam alleen al daarom niet voor overname in aanmerking, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, hoewel de schuld volgens de notariële akte niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was, de Wht niet uitsluit dat een eerder ontstane schuld, mits bewezen, onder die regeling kan vallen. De rechtbank heeft artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht te strikt toegepast door zich alleen te baseren op de formele opeisbaarheidsdatum, en niet bij het oordeel te betrekken dat, volgens hen, de schuld feitelijk al in 2013 opeisbaar was. Verder dient de notariële akte in dit geval slechts als administratieve bevestiging van bestaande afspraken. Het strikt vasthouden aan de datum in de notariële akte is niet in lijn met het doel van de Wht.
6.1. De grond die [appellant A] en [appellant B] aanvoeren, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie onder meer de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2024). De Afdeling voegt daaraan toe dat uit zowel de notariële akte, als de saldo-opgave volgt dat de schuld aan [persoon] na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Uit wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd volgt niet dat de schuld eerder, namelijk volgens hen feitelijk al in 2013, opeisbaar was. Omdat niet is voldaan aan het vereiste, gesteld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, komt de schuld niet voor overname in aanmerking. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag.
[…].
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
[…].
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
[…].