ECLI:NL:RVS:2026:2354

ECLI:NL:RVS:2026:2354

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 202502156/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Smallingerland het bestemmingsplan "Drachten, De Weeme - Klokhuislaan" (het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 46 woningen mogelijk op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Drachten. Het bestemmingsplan maakt in het noorden van het plangebied twee complexen mogelijk met elk 12 appartementen. De maximale bouwhoogte van deze complexen is 11 m. In de rest van het plangebied kunnen 22 grondgebonden woningen worden gerealiseerd. WoonFriesland wil deze grondgebonden woningen realiseren. [appellant] woont ten noorden van het plangebied op de [locatie 3] in Drachten. Hij kan zich met name niet vinden in het bestemmingsplan omdat daardoor het parkeerterrein in het noorden van het plangebied verdwijnt.

Uitspraak

202502156/1/R3.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Drachten, gemeente Smallingerland,

appellant,

en

de raad van de gemeente Smallingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Drachten, De Weeme - Klokhuislaan" (het bestemmingsplan) vastgesteld.

Naar aanleiding van dit besluit heeft [appellant] op 13 april 2025 een brief aan de Afdeling verzonden.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

WoonFriesland heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar [appellant] en de raad zijn verschenen. De raad is vertegenwoordigd door mr. S.D. Stiemsma-Boscha en W. Dijkstra. Ook is op deze zitting Stichting WoonFriesland, vertegenwoordigd door mr. K. Timmer, advocaat in Groningen, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 30 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 46 woningen mogelijk op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Drachten. Het bestemmingsplan maakt in het noorden van het plangebied twee complexen mogelijk met elk 12 appartementen. De maximale bouwhoogte van deze complexen is 11 m. In de rest van het plangebied kunnen 22 grondgebonden woningen worden gerealiseerd. WoonFriesland wil deze grondgebonden woningen realiseren.

Op deze percelen stonden vroeger twee schoolgebouwen die inmiddels zijn gesloopt. Ten noorden van deze scholen lag een parkeerterrein. De gronden van het parkeerterrein maken ook onderdeel uit van het plangebied van het bestemmingsplan.

[appellant] woont ten noorden van het plangebied op de [locatie 3] in Drachten. Hij kan zich met name niet vinden in het bestemmingsplan omdat daardoor het parkeerterrein in het noorden van het plangebied verdwijnt.

Heeft [appellant] een beroepschrift ingediend?

3. WoonFriesland heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen beroepschrift heeft ingediend, maar alleen om een voorlopige voorziening heeft verzocht. Op het webformulier bij het op 13 april 2025 ingediende stuk staat namelijk bij het soort procedure dat het om een voorlopige voorziening gaat. Op het webformulier staat ook dat er niet al eerder beroep was ingesteld.

3.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] een beroepschrift ingediend. Uit de gronden die [appellant] op het webformulier van 13 april 2025 heeft ingestuurd blijkt namelijk onmiskenbaar dat [appellant] hiermee beroep heeft willen instellen tegen het bestemmingsplan. [appellant] heeft daarbij aan de vereisten voor het indienen van een beroepschrift voldaan. De Afdeling acht de inhoud van het ingestuurde webformulier doorslaggevend en niet het feit dat [appellant] op het formulier heeft aangegeven dat het een voorlopige voorziening betreft. Dat [appellant] heeft aangegeven dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld doet niet ter zake, omdat hij juist met dit webformulier beroep heeft willen instellen. De Afdeling zal daarom hieronder het beroep van [appellant] inhoudelijk behandelen.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Parkeren

5. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan er ten onrechte voor zal zorgen dat het parkeerterrein in het noorden van het plangebied zal verdwijnen. [appellant] voert daarvoor aan dat dit parkeerterrein bij een naastgelegen begraafplaats hoort en daar ook oorspronkelijk voor was aangelegd. Op dit parkeerterrein wordt ook voorzien in de parkeerbehoefte van de begraafplaats. [appellant] wijst daarbij op de "Parkeernormennota 2015 Smallingerland | Drachten" van 17 februari 2015 (de Parkeernormennota). Hij betoogt dat daaruit volgt dat er bij een begraafplaats een parkeergelegenheid van 32 parkeerplaatsen hoort te zijn. Het parkeerterrein is deze parkeergelegenheid.

[appellant] stelt verder dat het parkeerterrein oorspronkelijk geen onderdeel uitmaakte van de plannen, maar later is aangekocht en toegevoegd aan het plangebied. Reden daarvoor was dat de oorspronkelijke plannen niet door de markt uitvoerbaar zouden zijn. [appellant] betoogt dat de raad had moeten kiezen voor een andere invulling van een kleiner plangebied in plaats van de uitbreiding van het plangebied. Op die manier kan het parkeerterrein met groenstrook namelijk behouden blijven.

5.1. Niet ter discussie staat dat het parkeerterrein verdwijnt als gevolg van de woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en dat het parkeerterrein werd gebruikt door bezoekers van de begraafplaats. De Afdeling is echter niet gebleken dat de begraafplaats en het parkeerterrein een zodanige samenhang hebben dat het parkeerterrein om die reden niet mocht verdwijnen. Het parkeerterrein is ook geen onderdeel van de begraafplaats en was openbaar toegankelijk. Ongeacht of het parkeerterrein ooit voor de begraafplaats is aangelegd, ziet de Afdeling daarin geen grond voor het oordeel dat niet tot een andere invulling aan de gronden van het parkeerterrein gekomen kan worden.

De Afdeling ziet ook in de Parkeernormennota geen grond voor het oordeel dat de parkeerplaats niet mocht verdwijnen. Daarvoor overweegt zij eerst dat het bestaan van een parkeernorm voor aanleg van een begraafplaats niet betekent dat er moet worden voorzien in een afzonderlijke parkeergelegenheid voor de begraafplaats of dat er altijd 32 parkeerplaatsen in de openbare ruimte zouden moeten worden vrijgehouden voor bezoekers aan de begraafplaats. Verder overweegt de Afdeling dat de raad onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het verdwijnen van het parkeerterrein. In de zienswijzenota concludeert de raad dat de parkeerbehoefte van de gebruikers van het parkeerterrein, ook die van de bezoekers van de begraafplaats, opgevangen kan worden in de omgeving van het plangebied. De raad heeft daarbij toegelicht dat uit parkeertellingen en berekeningen blijkt dat de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied onder de 80% zal liggen na het verdwijnen van het parkeerterrein, wat acceptabel is volgens de raad.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen vanwege het verdwijnen van het parkeerterrein.

5.2. De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat de raad voor een alternatief plan had moeten kiezen. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

De raad heeft naar aanleiding van een voorstel van [appellant] om een kleiner plangebied aan te houden, in de zienswijzenota toegelicht dat de afstand tussen de woningen in het plangebied bewust ruim is ontworpen. Zo blijft er ruimte tussen de bebouwing waardoor ook zichtlijnen ontstaan. Zoals onder 5.1 is overwogen heeft de raad daarbij ook onderzocht of het verdwijnen van het parkeerterrein opgevangen kan worden in de omgeving.

Daarom heeft de raad het door [appellant] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

De bouwhoogtes in de onderzoeken

6. [appellant] wijst erop dat het geluidsonderzoek bij het bestemmingsplan uitgaat van de bouwhoogtes van het ontwerpbestemmingsplan. Deze bouwhoogtes zijn in het vastgestelde bestemmingsplan echter gewijzigd. [appellant] stelt dat er daardoor meer kans is op reflectie van het geluid op de woningen in de omgeving van het plangebied. [appellant] betoogt dat het geluidsonderzoek vanwege de gewijzigde bouwhoogte in zoverre daarom niet meer klopt.

6.1. Over het aspect geluid is één onderzoek bij de plantoelichting opgenomen, in bijlage 2. Dit is het rapport "Wegverkeerslawaai bestemmingsplan "Drachten, De Weeme-Klokhuislaan"" van 31 juli 2023 van Geluidmeesters. Daarin is onderzocht wat de geluidsbelasting zal zijn op de in het bestemmingsplan voorziene woningen door het wegverkeerslawaai in de omgeving. De geluidsbelasting op woningen in de omgeving van het plangebied maakte geen onderdeel uit van dit onderzoek. De reflecties van het geluid dat optreedt op deze omliggende woningen is daarom met dit onderzoek niet in beeld gebracht. Daardoor hebben de gewijzigde bouwhoogtes in zoverre ook geen invloed op de resultaten van het onderzoek. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd dan ook geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek vanwege de aangepaste bouwhoogtes niet aan het bestemmingsplan ten grondslag kon worden gelegd. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat de raad onderzoek had moeten doen naar de geluidsreflecties, ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen grond voor een oordeel van deze strekking. [appellant] heeft namelijk alleen aangevoerd dat het geluidsonderzoek niet meer klopt, maar niet onderbouwd waarom het bestemmingsplan niet zonder onderzoek naar eventuele geluidsreflecties kon worden vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Herplant gekapte bomen

7. [appellant] betoogt dat de in het plangebied gekapte bomen moeten worden herplant, omdat de bomen rust uitstraalden. Hij stelt daarbij dat deze bomen mogelijk zijn gekapt voorsorterend op de voorziene woningbouw.

7.1. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan centraal staat. De Afdeling kan dan ook geen oordeel geven over de bomenkap. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] echter zo, dat hij aanvoert dat het bestemmingsplan zou moeten voorzien in het behoud van bomen in het plangebied. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit te oordelen. De raad heeft in de zienswijzenota toegelicht dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het zicht van omwonenden, omdat er een ruime afstand aangehouden is tussen de woningen van hen en de woningen in het plangebied. Ook wordt voorzien in de aanplant van nieuwe bomen. De Afdeling ziet in het aangevoerde dat de gekapte bomen in het verleden voor een rustige uitstraling zorgden, geen grond voor het oordeel dat de raad niet tot deze conclusie kon komen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Brouwers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

1080

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. Brouwers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand