ECLI:NL:RVS:2026:2356

ECLI:NL:RVS:2026:2356

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer BRS.25.001984
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland geweigerd [betrokkene A] en [betrokkene B] opvang te verlenen in een opvangvoorziening voor ontheemden uit Oekraïne binnen de gemeente Het Hogeland.

Uitspraak

BRS.25.001984

ECLI:NL:RVS:2026:2356

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 6 oktober 2025 in zaak nr. 25/3041 in het geding tussen:

[betrokkene A] en [betrokkene B]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college geweigerd [betrokkene A] en [betrokkene B] opvang te verlenen in een opvangvoorziening voor ontheemden uit Oekraïne binnen de gemeente Het Hogeland.

Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het college het daartegen door [betrokkene A] en [betrokkene B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door [betrokkene A] en [betrokkene B] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 augustus 2025 vernietigd, het besluit van 16 juli 2025 herroepen, bepaald dat [betrokkene A] en [betrokkene B] recht hebben op opvang in een opvangvoorziening voor ontheemden uit Oekraïne en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het herroepen besluit.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[betrokkene A] en [betrokkene B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft daarop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Meijer, advocaat in Arnhem, en [persoon A] en [persoon B], en [betrokkene A] en [betrokkene B], vertegenwoordigd door mr. L.A. Fischer, advocaat in Assen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Partijen zijn het erover eens dat uit artikel 13 van de Richtlijn tijdelijke bescherming een verplichting voor de lidstaat voortvloeit om opvang te bieden aan ontheemden uit Oekraïne. Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (de Tijdelijke wet) en artikel 2, eerste lid, van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (de Regeling). Partijen verschillen van mening over de vraag op wie de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de opvang rust. Volgens het college heeft de rechtbank niet onderkend dat de verplichting om opvang te verlenen primair op de Rijksoverheid rust en dat het college alleen een inspanningsverplichting heeft bij de uitvoering daarvan. Volgens het college eindigt die verantwoordelijkheid zodra de gemeentelijke opvangvoorziening vol is en het college zich voldoende heeft ingespannen om opvang te verlenen, waarna de verantwoordelijkheid weer bij het Rijk komt te liggen. Het college verwijst in dit kader onder meer naar paragraaf III van de Bestuurlijke afspraken kader ontheemden uit Oekraïne 2024 (de Bestuurlijke afspraken).

Het wettelijk kader en het beleidskader

2. Artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming luidt:

"1. De lidstaten zorgen ervoor dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen te hunner beschikking krijgen om huisvesting te vinden."

Artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet luidt:

"1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de materiële en immateriële opvang van ontheemden."

Artikel 2, eerste lid, van de Regeling luidt:

"1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de opvang van ontheemden. De in de eerste volzin bedoelde taak is niet van toepassing op alleenstaande minderjarige ontheemden."

Oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet en artikel 2, eerste lid, van de Regeling volgt dat het college zorg draagt voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Naar het oordeel van de rechtbank is de verantwoordelijkheid om uitvoering te geven aan de resultaatsverplichting uit de Richtlijn tijdelijke bescherming om opvang te bieden aan ontheemden uit Oekraïne in Nederland bij wet bij het college neergelegd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijkheid die de Regeling het college biedt om een tijdelijke alternatieve opvangvoorziening beschikbaar te stellen, niet betekent dat het college kan weigeren om opvang te verlenen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat aan de inspanningsverplichting van het college die volgt uit de Bestuurlijke afspraken, waarnaar het college heeft verwezen, alleen betekenis toekomt in de onderlinge verhouding tussen het college en het Rijk.

Hoger beroep

4. De gronden in hoger beroep zijn zo goed als een herhaling van wat het college in beroep naar voren heeft gebracht. Het college heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 7.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 6 oktober 2025 in zaak nr. 25/3041;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland tot vergoeding van bij [betrokkene A] en [betrokkene B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland een griffierecht van € 574,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

941-1151

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.G. Sevenster
  • mr. J.J.W.P. van Gastel
  • mr. J.M. Willems

Griffier

  • mr. L.S. van den Oosterkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand