202401786/1/R2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Breda,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 februari 2024 in zaak nr. 23/2535 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [partij A] voor het legaliseren van een bijgebouw, in afwijking van het bestemmingsplan, met opstelplaatsen voor een warmtepomp, twee airco-units en een scherm op perceel [locatie] in Prinsenbeek.
Bij besluit van 9 maart 2023 heeft college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
[partij B] en [partij A] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.R. Jacobs, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij B] en [partij A], bijgestaan door mr. R. van Dam, advocaat in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [partij B] en [partij A] hebben een bouwwerk gerealiseerd aan de [locatie]. Het college heeft dit bouwwerk aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk en in verband met de overschrijding van de maximaal toegestane oppervlakte met 34 m² en het niet voldoen aan de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de "Beleidsregels voor het afwijken van een bestemmingsplan Breda 2015" (de beleidsregels).
Omdat er volgens [appellant A] en [appellant B] met het bouwwerk een tweede zelfstandige woning is gerealiseerd, had volgens hen de omgevingsvergunning niet verleend mogen worden. Op grond van artikel 5, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor kan namelijk uitsluitend toepassing worden gegeven aan artikel 4, onderdeel 1, van Bijlage II van het Bor wanneer het aantal woningen gelijk blijft. Voorts staan volgens [appellant A] en [appellant B] de beleidsregels niet toe dat voor dit gebouw, gezien de goothoogte, een afwijkingsvergunning wordt verleend. [appellant A] en [appellant B] vinden ook dat het bouwwerk in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor zelfstandige bewoning. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat vergunninghoudster op het aanvraagformulier heeft vermeld dat het gebouw zal worden gebruikt voor sauna, tuinkamer, atelier en berging en dat duidelijk is dat het gebouw ook geschikt is om daarvoor te worden gebruikt. Daar komt volgens de rechtbank bij dat er een vergunningsvoorwaarde geldt waarmee het gebruik van het bijgebouw als woning wordt verboden.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen met toepassing van de beleidsregels. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de beleidsregels ruimte laten om dit bijgebouw met een afwijkingsvergunning toe te staan.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de door het college gemaakte belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet onevenredig is.
Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B]
Beoogd gebruik voor zelfstandige bewoning?
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwwerk met toepassing van het Bor kon worden vergund omdat er geen reden is om aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor zelfstandige bewoning. De rechtbank heeft ten onrechte voldoende geacht dat de aanvraagster stelt dat het gebouw niet als woning zal worden gebruikt en is ten onrechte alleen afgegaan op de enkele benaming ‘bijgebouw" in de vergunningaanvraag. Omdat alle woonvoorzieningen aanwezig zijn en het gebouw is voorzien van een eigen riolering, een warmtepomp en airco-units, is er volgens [appellant A] en [appellant B] sprake van een tweede zelfstandige woning. Omdat er sprake is van een tweede zelfstandige woning en geen bijgebouw, blijft het aantal woningen niet gelijk en kon er geen toepassing worden gegeven aan het Bor.
Voorts verwijzen [appellant A] en [appellant B] naar uitspraken van de Afdeling over illegale woningen, zoals onder andere de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1210. Wanneer tegen deze woningen handhavend wordt opgetreden wordt volgens deze uitspraken verlangd dat de voorzieningen die de illegale bewoning mogelijk maken worden verwijderd. Omdat in dergelijke situaties met vergelijkbare voorzieningen ook wordt verlangd dat het wonen feitelijk onmogelijk moet worden gemaakt, had de rechtbank hierin aanleiding moeten zien voor het oordeel dat sprake was van een tweede woning.
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:761 en 6 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2663, moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet alleen worden beoordeeld of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk daadwerkelijk met het oog op het toegestane gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd is met de bestemming als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of ook zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doeleinden die de bestemming toestaat. Het moet daarbij gaan om concrete aanwijzingen. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1218, moet er bij een reeds voltooid bouwwerk bij de beoordeling worden betrokken wat inmiddels bekend is of kan zijn over het gebruik van het bouwwerk.
De Afdeling ziet zich dus gesteld voor de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor zelfstandige bewoning. In de aanvraag is het bouwwerk omschreven als een bijgebouw met opstelplaatsen voor een warmtepomp, twee airco-units en een scherm. Het bijgebouw wordt volgens de aanvraag gebruikt als sauna, tuinkamer en atelier/berging. De bijbehorende tekeningen, waarop ook een keuken, toilet, bad en doucheruimte staan, komen overeen met dit beoogd gebruik. Deze voorzieningen staan ook in het controlerapport van 6 mei 2021 in de handhavingsprocedure. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat hieruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat het bijgebouw voor zelfstandige bewoning zal worden gebruikt. Dat er bepaalde voorzieningen aanwezig zijn, zoals een keuken, badkamer en toilet, die ook in een woning voorkomen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze voorzieningen horen in dit geval bij het gebruik van het bijgebouw als sauna, tuinkamer, atelier en berging.
In de door [appellant A] en [appellant B] aangehaalde uitspraken ging het om gevallen waarin met bepaalde woonvoorzieningen daadwerkelijk zelfstandige bewoning plaatsvond. Dat is hier niet het geval. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor zelfstandige bewoning.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met de beleidsregels?
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beleidsregels ruimte laten om dit bijgebouw met een afwijkingsvergunning toe te staan. De omgevingsvergunning is verleend in strijd met dit gemeentelijke beleid, omdat de goothoogte van het bijgebouw, gemeten volgens de meetvoorschriften van de beleidsregels, 10 cm hoger is dan volgens de beleidsregels is toegestaan. Zij stellen ook dat de afwijking niet 10 cm maar 30 cm is door ophoging van het peil. Dat de andersluidende meetvoorschriften in het bestemmingsplan bijgebouwen met deze goot- en bouwhoogte volgens de rechtbank toestaan tot een oppervlakte van 50 m2 betekent niet dat bij overschrijding van die oppervlakte bijgebouwen met deze goothoogte volgens de beleidsregels zonder meer aanvaardbaar moeten worden geacht. De rechtbank heeft niet onderkend dat het gebouw volgens de meetvoorschriften van de beleidsregels hoger is dan de beleidsregels toestaan. Het bouwplan is volgens [appellant A] en [appellant B] in zoverre in strijd met de beleidsregels.
6.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen beperken de beleidsregels in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, de mogelijkheden om voor bijgebouwen af te wijken van het bestemmingsplan tot bijgebouwen met een maximale goothoogte van 3,0 meter en heeft het aangevraagde bouwwerk volgens de meetvoorschriften van de beleidsregels een goothoogte van 3,10 meter. De Afdeling volgt [appellant A] en [appellant B] niet in hun stelling dat de afwijking van de beleidsregels niet 10 cm maar 30 cm is. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de inspecteur Toezicht en Handhaving van 16 juni 2022 blijkt dat de gemeten goothoogte 3,10 m is.
De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de beleidsregels geen verdere bespreking meer behoeven omdat zij ruimte laten om dit bijgebouw met een afwijkingsvergunning toe te staan. De afwijkingsvergunning is aangevraagd in verband met de overschrijding van de in het bestemmingsplan maximaal toegestane oppervlakte en minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Die afwijking is volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de beleidsregels echter alleen mogelijk voor bijgebouwen met een maximale goothoogte van 3,0 meter, terwijl de goothoogte in dit geval 3,10 m is.
Het college heeft in verband hiermee toepassing gegeven aan artikel 3, zesde lid, van de beleidsregels en aan de afwijking van de goothoogte met 10 cm een stedenbouwkundig advies ten grondslag gelegd van de afdeling Veiligheid en Leefomgeving van 18 juli 2022 (het stedenbouwkundig advies).
Devolutieve bespreking van de beroepsgrond stedenbouwkundig advies
6.2. De rechtbank is niet toegekomen aan de bespreking van het betoog van [appellant A] en [appellant B] over het stedenbouwkundig advies. De Afdeling zal de beroepsgrond over het stedenbouwkundig advies hieronder in het kader van de devolutieve bespreking van het beroep van [appellant A] en [appellant B] beoordelen.
6.3. Het bijgebouw leidt volgens het stedenbouwkundig advies niet tot een onevenredige verstoring van het beoogde bebouwingsbeeld vanwege de hoogte van de bebouwing, die aanzienlijk lager is dan de toegestane maximale bouwhoogte van 6 meter en de afstand tot de perceelsgrenzen.
6.4. [appellant A] en [appellant B] hebben in beroep aangevoerd dat dat alle afwijkingen van het bestemmingsplan meegenomen moesten worden bij het stedenbouwkundig advies. Zij betogen dat, omdat het stedenbouwkundig advies enkel ziet op vergelijkingen van de goothoogte, de overschrijding van de oppervlakte ten onrechte niet wordt besproken in het stedenbouwkundig advies.
6.5. Het bijgebouw waarvoor met toepassing van de beleidsregels wordt afgeweken van de maximale oppervlakte en minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens in het bestemmingsplan voldoet aan de in artikel 3 van de beleidsregels vereiste maatvoering, met uitzondering van de goothoogte van 3 m. Om van die voorgeschreven goothoogte af te wijken heeft het college toepassing gegeven aan artikel 3, zesde lid, van de beleidsregels. Het vereiste stedenbouwkundige advies kon daarom beperkt worden tot de afwijking van de goothoogte van 10 cm. [appellant A] en [appellant B] kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat het stedenbouwkundig advies ten onrechte niet ingaat op de oppervlakte. Voor de oppervlakte wordt immers toepassing gegeven aan het Bor en de beleidsregels en de oppervlakte voldoet aan de beleidsregels.
De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het college met het stedenbouwkundig advies af kon wijken van de in de beleidsregels toegestane maximale goothoogte met 10 centimeter.
6.6. De conclusie is dat de afwijkingsvergunning in zoverre niet in strijd met de beleidsregels is verleend.
Het betoog slaagt niet.
Goede ruimtelijke ordening?
7. [appellant A] en [appellant B] stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door het college gemaakte belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet onevenredig is. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwwerk niet aan het zicht is onttrokken door de tuinafscheiding. [appellant A] en [appellant B] stellen dat er zicht is op het gebouw dat oogt als een bedrijfsgebouw en dat dit niet passend is in de achtertuin van een woning. [appellant A] en [appellant B] vinden dat de nadelige gevolgen van de vergunningverlening onevenredig zijn in verhouding met de daarmee te dienen doelen. Voorts stellen [appellant A] en [appellant B] dat het onbegrijpelijk is dat de welstandscommissie heeft ingestemd met de installaties op het dak van het gebouw.
7.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college bij de afweging van de belangen heeft aangegeven dat de ruimtelijke impact van een lager bijgebouw beperkter is dan de impact van een in oppervlakte kleiner maar hoger gebouw. Het bouwplan voorziet in een gebouw met een goothoogte (gemeten volgens de meetvoorschriften van het bestemmingsplan) van 3 meter, waar een gebouw met een bouwhoogte van 6,0 m is toegestaan, en dan is er volgens het college met deze goothoogte geen ruimtelijk bezwaar tegen een groter gebouw dan de 50 m2 die het bestemmingsplan toelaat. Het gebouw leidt volgens het stedenbouwkundig advies niet tot een onevenredige verstoring van het beoogde bebouwingsbeeld doordat de bebouwing aanzienlijk lager is dan de maximaal in het bestemmingsplan toegelaten hoogte van 6 meter. Het college vindt dit, mede door de vergroting van het woongenot van [partij B] en [partij A], belangrijker dan de gevolgen voor het beperkte zicht dat [appellant A] en [appellant B] hebben op het bijgebouw. Waarbij meeweegt dat het bijgebouw grotendeels aan het zicht van [appellant A] en [appellant B] is onttrokken door de tuinafscheiding.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze afweging niet onevenredig is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bijgebouw niet volledig aan het zicht hoeft te zijn onttrokken om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening en in een stedelijke omgeving geen blijvend recht bestaat op vrij uitzicht. Voor zover het betoog van [appellant A] en [appellant B] ziet op redelijke eisen van welstand is de Afdeling van oordeel dat het college zich met het positieve advies van de welstandscommissie op het standpunt kon stellen dat het gebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand indien de installaties op het dak worden geschilderd in een donkere kleur. Dit is als voorwaarde aan de vergunning verbonden. [partij B] en [partij A] hebben dit deskundigenadvies weliswaar bestreden maar hebben daaraan alleen hun eigen oordeel ten grondslag gelegd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Hoewel de rechtbank ten onrechte de vergunning niet heeft getoetst aan de beleidsregels, leidt dit niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college de vergunning heeft kunnen verlenen. Het hoger beroep is dus ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van gronden waarop deze rust.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
429-1191
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.12 luidt:
"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;
c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;
d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3"
Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
Artikel 4 luidt:
"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
c. de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar."
Beleidsregels voor het afwijken van een bestemmingsplan Breda 2015
Artikel 3 luidt:
"Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom
1. Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een woning is toegestaan, met dien verstande dat:
a. de oppervlakte van de afwijking bij percelen met een oppervlakte tot 500 m² niet meer bedraagt dan 25 m²;
b. de oppervlakte van de afwijking bij percelen met een oppervlakte groter dan 500 m² niet meer bedraagt dan 25 m² vermeerderd met 5% van de extra perceelsgrootte, tot een maximum van 50 m²;
c. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan niet hoger is dan 0,40 meter boven de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de woning met een maximum van 4,0 meter;
d. de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan niet meer bedraagt dan 3,0 meter;
e. de bouwhoogte van zowel een aangebouwd als vrijstaand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan niet meer bedraagt dan 5,0 meter;
f. voor bijbehorende bouwwerken die qua oppervlakte passen binnen het geldende planologisch regime, maar gelet op de hoogte in strijd zijn met het geldende planologisch regime, geldt dat middels een positief stedenbouwkundig advies kan worden afgeweken van de beleidsregels, zoals genoemd in dit lid onder a. en b., tot een hoogte zoals genoemd in dit lid onder c. t/m e.;
g. alle vergunningsvrije bouwwerken op grond van artikel 2 van bijlage II Bor buiten beschouwing worden gelaten;
h. tevens aan de regels, zoals vermeld in de leden 2 tot en 5 van dit artikel, voor zover van toepassing, dient te worden voldaan.
2. Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een woning is vóór de voorgevel toegestaan, met dien verstande dat:
a. sprake is van bouwkundig ondergeschikte bouwdelen, zoals erkers, entreepartijen en balkons, mits:
1. de overschrijding van de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
2. de breedte van het bouwwerk niet meer bedraagt dan de breedte van het hoofdgebouw minus 2,0 meter;
3. een voortuin met een minimale diepte van 2,0 meter overblijft over de volledige breedte van de woning.
b. in het geval bij de oorspronkelijke bouw van de woning is voorzien in een legaal aangebouwd bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel, mag dit aangebouwde bijbehorende bouwwerk of uitbreiding daarvan worden vergroot en vervangen, mits:
1. de breedte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de voorgevel van de woning;
2. de bouwdiepte van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk of uitbreiding daarvan niet wordt vergroot;
3. een positief stedenbouwkundig advies is afgegeven.
c. in het geval bij de oorspronkelijke bouw van de woning niet is voorzien van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel, maar deze woning valt wel aan te merken als een woning van hetzelfde woningtype als naastgelegen woning(en), dat voorzien is van een legaal bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel, mag deze woning worden voorzien van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan vóór de voorgevel conform de oorspronkelijke maatvoering van het legaal aangebouwde bijbehorende bouwwerk vóór de voorgevel van de naastgelegen woning(en). Dit aangebouwde bijbehorende bouwwerk of uitbreiding daarvan mag worden vergroot en vervangen, mits:
1. de breedte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de voorgevel van de woning;
2. de bouwdiepte van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk of uitbreiding daarvan niet wordt vergroot;
3. een positief stedenbouwkundig advies is afgegeven.
3. Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een woning in het achtererfgebied is toegestaan, met dien verstande dat:
a. achter de woning een onbebouwd achtererfgebied aanwezig blijft met een diepte van 5,0 meter over de volledige breedte van de woning, danwel een naar oppervlakte daaraan gelijk te stellen onbebouwd gebied gelegen binnen het achtererfgebied en/of openbaar toegankelijk gebied op 1,0 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan;
b. gebouwd wordt in óf op een afstand van minimaal 1,0 meter uit de perceelsgrens;
c. een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op minimaal 1,0 meter van de woning wordt gebouwd;
d. een aangebouwd bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan met een platdak kan worden voorzien van balkon(afscheiding) waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,0 meter boven de afgewerkte dakvloer van het onderliggende aangebouwd bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan. Hiervan kan worden afgeweken met een ondoorzichtig privacyscherm van maximaal 1,80 meter boven de afgewerkte dakvloer van het onderliggende aangebouwd bijgebouw indien blijkt dat de privacy van omwonenden wordt aangetast;
In het kader van privacy kan gemotiveerd worden afgeweken van de maximale hoogte van 1,0 meter voor een terrasafscheiding indien het plaatsen van een hoger, ondoorzichtig privacyscherm (bv. melkglas) uit het oogpunt van het waarborgen van de privacy van omwonenden gewenst dan wel vereist is. De wettelijke bepalingen van het burenrecht als geregeld in boek 5 van het Burgerlijk Wetboek blijven immers onverkort van toepassing op de relatie tussen naburige erven.
4. Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een woning op een naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerd voorerfgebied achter de voorgevel is toegestaan, met dien verstande dat:
a. gebouwd wordt op ten minste 3,0 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan;
b. een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op minimaal 1,0 meter van de woning wordt gebouwd;
c. een aangebouwd bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan met een platdak kan worden voorzien van balkon(afscheiding) waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,0 meter boven de afgewerkte dakvloer van het onderliggende aangebouwd bijbehorend bouwwerk. Hiervan kan worden afgeweken met een ondoorzichtig privacyscherm van maximaal 1,80 meter boven de afgewerkte dakvloer van het onderliggende aangebouwd bijgebouw indien blijkt dat de privacy van omwonenden wordt aangetast.
d. een positief stedenbouwkundig advies is afgegeven.
In het kader van privacy kan gemotiveerd worden afgeweken van de maximale hoogte van 1,0 meter voor een terrasafscheiding indien het plaatsen van een hoger, ondoorzichtig privacyscherm (bv. melkglas) uit het oogpunt van het waarborgen van de privacy van omwonenden gewenst dan wel vereist is. De wettelijke bepalingen van het burenrecht als geregeld in boek 5 van het Burgerlijk Wetboek blijven immers onverkort van toepassing op de relatie tussen naburige erven.
5. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een woning, uitgevoerd in de vorm van een overkapping is in het voorerfgebied toegestaan, met dien verstande dat:
a. gebouwd wordt aan de zijgevel;
b. gebouwd wordt op ten minste 3,0 meter uit een openbaar toegankelijk gebied samenvallende perceelsgrens. Indien in de bestaande situatie sprake is van een kleinere afstand tot een openbaar toegankelijk gebied samenvallende perceelsgrens, is deze kleinere afstand maatgevend;
c. de voorgevel van het hoofdgebouw in het verlengde van de zijgevel met ten hoogste 3,0 meter mag worden overschreden;
d. een overkapping geen wanden mag hebben met uitzondering van de wanden waartegen aangebouwd wordt en erfafscheidingen.
6. Met een positief stedenbouwkundig advies kan worden afgeweken van het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bij vrijstaande woningen of indien het vanwege de ruimtelijke context wenselijk is."