ECLI:NL:RVS:2026:2404

ECLI:NL:RVS:2026:2404

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202502908/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] woont samen met haar beide minderjarige kinderen in een huurwoning in Dordrecht. Zij heeft bij het college een aanvraag om een urgentieverklaring om medische redenen ingediend. Zij stelt dat haar woning ongeschikt is, omdat haar oudste zoon, aan wie zij mantelzorg geeft, afhankelijk is van zorg uit Barendrecht en daar ook naar school gaat. Gezien haar gezondheidsproblemen heeft zij moeite met het halen en brengen van haar zoon. In het besluit van 7 augustus 2024 heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder h, van Bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening). Volgens die bepaling kan het college de urgentieverklaring weigeren, indien de aanvrager niet economisch of maatschappelijk is gebonden aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014.

Uitspraak

202502908/1/A2.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2025 in zaak nr. 24/8687 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door P.F.M. Jansen, is verschenen. [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. Gümüs, advocaat in Dordrecht, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] woont samen met haar beide minderjarige kinderen in een huurwoning in Dordrecht. Zij heeft bij het college een aanvraag om een urgentieverklaring om medische redenen ingediend. Zij stelt dat haar woning ongeschikt is, omdat haar oudste zoon, aan wie zij mantelzorg geeft, afhankelijk is van zorg uit Barendrecht en daar ook naar school gaat. Gezien haar gezondheidsproblemen heeft zij moeite met het halen en brengen van haar zoon.

Besluitvorming

2. In het besluit van 7 augustus 2024 heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder h, van Bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening). Volgens die bepaling kan het college de urgentieverklaring weigeren, indien de aanvrager niet economisch of maatschappelijk is gebonden aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. [appellante] woont al geruime tijd in Dordrecht en heeft niet in Barendrecht gewoond. Voor het aannemen van de vereiste maatschappelijke binding is niet voldoende dat haar zoon in Barendrecht naar school gaat en daar (deeltijd)behandelingen krijgt.

3. Het college heeft geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 2.5 van Bijlage 1 van de Verordening. Weigering van de urgentieverklaring leidt in dit geval niet tot een schrijnende situatie. Verder is niet gebleken van onvoorziene bijzondere omstandigheden. Daarbij is betrokken dat [appellante] beschikt over een zelfstandige woonruimte en dat zich geen levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie voordoet.

Uitspraak van de rechtbank

4. Volgens de rechtbank heeft het college de aanvraag terecht afgewezen. Aan dat oordeel heeft zij onder meer de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

4.1. [appellante] heeft ten behoeve van haar oudste zoon een beschikking gekregen voor individueel leerlingenvervoer. Deze beschikking kan haar probleem oplossen. [appellante] kan de aanspraak op het vervoer, waartoe deze beschikking strekt, niet in deze procedure afdwingen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder h, van Bijlage 1 van de Verordening in dit geval van toepassing is.

4.2. Voor zover [appellante] vindt dat het college ten onrechte geen medisch adviseur heeft ingeschakeld voor de beoordeling van de hardheidsclausule, gaat zij eraan voorbij dat het op haar weg ligt om de benodigde recente (medische) stukken over te leggen om aannemelijk te maken dat haar situatie schijnend is. [appellante] is daarin niet geslaagd. Zij heeft niet onderbouwd dat haar woning in ernstige mate duurzaam ongeschikt is voor bewoning waardoor zij op korte termijn zou moeten verhuizen. Dat haar zoon in Barendrecht op school zit, terwijl zij in Dordrecht woont, heeft niet tot toepassing van de hardheidsclausule hoeven leiden. [appellante] kan de gemeente Dordrecht benaderen om aldus te bereiken dat de aanspraak op individuele vervoersvoorzieningen op grond van de Jeugdwet wordt gerealiseerd.

Beoordeling van het hoger beroep

5. De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.1, 6.1 en 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij stelt vast dat [appellante] ook in hoger beroep slechts stellingen heeft ingenomen, terwijl zij, gelet op de aangevallen uitspraak en zoals ter zitting ook besproken, had kunnen weten dat deze stellingen op zichzelf, zonder de door de rechtbank bedoelde onderbouwing met recente (medische) stukken, niet tot een andersluidend oordeel zouden leiden.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

452-1189

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand