202502541/1/A2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2024 en van 24 maart 2025 in zaak nr. 22/5318 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen het verzoek van [appellante] om compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 afgewezen.
Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 16 december 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de Dienst Toeslagen in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd motiveringsgebrek in dat besluit te herstellen.
Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen de onderbouwing van het besluit van 22 maart 2023 aangevuld.
Bij uitspraak van 24 maart 2025 (de einduitspraak) heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 22 maart 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. D.D. Pietersz, advocaat in Utrecht, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Besluitvorming
1. Aan de afwijzing in het besluit van 10 juni 2021 heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat na herbeoordeling is gebleken dat geen fouten zijn gemaakt bij het vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 tot en met 2011. Ook is [appellante] niet beticht van opzet of grove schuld, zodat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
In het besluit van 22 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen daaraan toegevoegd dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen, omdat de wijzigingen in kinderopvangtoeslag over de genoemde jaren zijn doorgevoerd op basis van door [appellante] doorgegeven wijzigingen. Evenmin is sprake van onterecht weigeren van een persoonlijke betalingsregeling. Verder heeft [appellante] niet op de Fraude Signalering Voorziening-lijst gestaan.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de Dienst Toeslagen in 2013 - na op verzoek meer informatie te hebben gekregen van [appellante] over opvanggegevens in 2009 - zonder vervolgens verdere navraag te doen de kinderopvangtoeslag over 2009 definitief heeft vastgesteld. Volgens de rechtbank blijkt uit deze handelwijze van de Dienst Toeslagen over het jaar 2009 geen te harde toepassing van het wettelijk systeem die heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard. De Dienst Toeslagen had niet nogmaals navraag hoeven doen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [appellante] tegen die vaststelling bezwaar heeft gemaakt, dat die procedure niet onredelijk lang heeft geduurd en dat zij alsnog gelijk heeft gekregen.
Verder heeft de rechtbank een motiveringsgebrek in het besluit van 22 maart 2023 aangenomen, aangezien zij niet heeft kunnen vaststellen of [appellante] vóór 2019 een betalingsregeling heeft aangevraagd en ook niet of zij die al dan niet heeft gekregen. [appellante] stelt dat zij daarom wel heeft verzocht. Hierdoor heeft de rechtbank niet kunnen beoordelen of zich de situatie heeft voorgedaan dat er geen persoonlijke betalingsregeling is gekregen die blijk geeft van een hardheid.
2.1. In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de Dienst Toeslagen met het besluit van 29 januari 2025 heeft voldaan aan de opdracht van de tussenuitspraak en het motiveringsgebrek heeft hersteld. De Dienst Toeslagen heeft deugdelijk gemotiveerd dat [appellante] geen verzoek tot een persoonlijke betalingsregeling heeft gedaan vóór 2019 in het kader van het terugbetalen van kinderopvangtoeslag over de relevante jaren. De rechtbank heeft verder overwogen dat de Dienst Toeslagen deugdelijk heeft gemotiveerd dat de brief van 15 oktober 2013 en de bezwaarschriften geen verzoek om een persoonlijke betalingsregeling bevatten voor de terugbetaling van de kinderopvangtoeslag. Hoewel de brief van 15 oktober 2013 aan de Belastingdienst/Invordering Toeslagen was gericht, zag het verzoek specifiek op een betalingsregeling in verband met de aanslag over de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen van de (inmiddels ex-)partner van [appellante]. De Dienst Toeslagen heeft de brief en bezwaarschriften dan ook terecht niet als een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling voor de kinderopvangtoeslag opgevat. Uit het dossier blijkt niet dat [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht. Tot slot overweegt de rechtbank dat geen sprake is geweest van een O/GS kwalificatie, zodat geen grond bestaat voor een O/GS-tegemoetkoming.
Hoger Beroep
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 en 6 opgenomen overwegingen van de tussenuitspraak en in de onder 5 tot en met 8 opgenomen overwegingen van de einduitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De Afdeling voegt daaraan nog toe dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3141, onder 7.1) de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen bij een terugvordering van kinderopvangtoeslag is geregeld in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Dit artikel maakt onderscheid tussen een standaardbetalingsregeling en een persoonlijke betalingsregeling. Een persoonlijke betalingsregeling houdt, anders dan een standaardbetalingsregeling, rekening met de betalingscapaciteit van een belanghebbende. Een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling dient schriftelijk te worden ingediend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat [appellante] een dergelijk verzoek heeft gedaan. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat geen O/GS-kwalificatie is vastgesteld door de Dienst Toeslagen.
Verder heeft de Dienst Toeslagen, anders dan [appellante] betoogt, niet onredelijk lang gewacht met het informatieverzoek van 16 september 2013 over het toeslagjaar 2009. Uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in combinatie met artikel 21, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen volgt dat een belanghebbende verplicht is om op verzoek alle informatie te verstrekken die van belang kan zijn voor de beoordeling van de toegekende kinderopvangtoeslag en dat een tegemoetkoming kan worden herzien totdat vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. De Dienst Toeslagen heeft in dit geval de termijn van vijf jaar niet overschreden.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank.
4.1. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
488-1197