202403530/1/R3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Oosterwolde, gemeente Ooststellingwerf,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2024 in zaak nr. 22/2993 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning met jongveestal op het perceel [locatie 1] in Oosterwolde.
Bij besluit van 30 juni 2022 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning van [appellante] ingetrokken.
Bij uitspraak van 26 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) is [partij] in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door J.T. van Bergen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 mei 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 14 mei 2020 heeft [appellante] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfswoning met jongveestal op het perceel [locatie 1] in Oosterwolde. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 30 juni 2022 verleend. [partij] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zijn bezwaar ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de bedrijfswoning is gegrond verklaard en de vergunning daarvoor is alsnog geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ten tijde van het bestreden besluit ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, Veegplan 2018".
De rechtbank heeft overwogen dat het college de vergunning heeft kunnen weigeren, omdat het beoogde plan onderdeel zou uitmaken van het bestaande agrarische bedrijf op de locatie [locatie 2] en [locatie 3] in Oosterwolde en daarmee zou leiden tot de realisatie van een derde bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf. [appellante] is het hier niet mee eens.
De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Uitleg planregels
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitleg die het college aan de planregels heeft gegeven niet in strijd is met de systematiek van de planregels. Daartoe voert zij aan dat, anders dan het college stelt, het aantal bedrijfswoningen per agrarisch bedrijf niet bepalend is voor de vraag of een tweede of volgende bedrijfswoning is toegestaan. In plaats daarvan dient per perceel met de bestemming "Agrarisch" te worden bezien of er ter plaatse een bouwvlak is waar een bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. Een andere uitleg is volgens [appellante] in strijd met de systematiek van de planregels. Volgens [appellante] is het beoogde bouwplan gelegen aan een afzonderlijk perceel op een redelijke afstand tot de twee andere bedrijfswoningen, met de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak, waardoor de realisatie van de bedrijfswoning niet in strijd is met het bestemmingsplan.
3.1. Artikel 3.2 van de planregels luidt:
"[…];
c. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden in afwijking van het bepaalde onder b de volgende regels:
1. er mag niet meer dan één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf worden gebouwd, in uitzondering hierop zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - tweede bedrijfswoning’ twee bedrijfswoningen toegestaan;
[…]."
Niet in geschil is dat aan de [locatie 3] de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-tweede bedrijfswoning’ geldt, en dit een tweede bedrijfswoning op deze locatie toestaat.
3.2. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
3.3. De Afdeling overweegt met de rechtbank dat de tekst van artikel 3.2, onder c, van de planregels op zichzelf voldoende duidelijk is, zodat aan een uitleg aan de hand van de plansystematiek niet wordt toegekomen. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de planregel uitgaat van één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf en niet per perceel.
Het betoog slaagt niet.
Afzonderlijk agrarisch bedrijf
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een afzonderlijk agrarisch bedrijf. Daartoe voert [appellante] aan dat de beoogde locatie voor de bedrijfswoning niet ligt in de (onmiddellijke) nabijheid van haar bestaande bedrijf aan de [locatie 2] en [locatie 3]. Bovendien is er geen sprake van een technische en functionele relatie, vormt de beoogde locatie niet één inrichting met het bedrijf aan de [locatie 2] en [locatie 3] en beschikt het bedrijf aan de [locatie 1] over een eigen Uniek Bedrijfsnummer (UBN). De omstandigheid dat het jongvee dat aan de [locatie 1] wordt opgefokt afkomstig is van en na opfokken teruggaat naar het bedrijf aan de [locatie 2] en [locatie 3], maakt niet dat sprake is van één bedrijf. Een dergelijke constructie komt vaker voor tussen verschillende bedrijven, aldus [appellante].
4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er geen sprake is van een afzonderlijk agrarisch bedrijf. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de aanvraag is ingediend door hetzelfde bedrijf als dat van het al bestaande agrarische bedrijf aan de [locatie 2] en [locatie 3], namelijk [appellante]. Daarnaast is in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer een melding gedaan voor het veranderen van een bestaand bedrijf en niet voor het oprichten van een nieuwe inrichting. Dat de jongveetak ten tijde van het besluit op bezwaar geen afzonderlijke inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel had, versterkt de aanwijzing dat sprake is van één en hetzelfde bedrijf. Op de zitting heeft [appellante] naar voren gebracht dat voor de beoogde locatie een omgevingsvergunning op grond van de Wet natuurbescherming is verleend. Dit feit maakt het hierboven overwogene niet anders.
Verder overweegt de Afdeling, met de rechtbank, dat er sprake is van onderlinge bindingen tussen de jongveetak aan [locatie 1] en het bestaande bedrijf aan [locatie 2] en [locatie 3]. Het jongvee is afkomstig van het bestaande bedrijf en wordt na het opfokken weer daarheen teruggebracht. Dat dit een constructie is die ook voorkomt tussen afzonderlijke bedrijven, maakt niet dat er daarom in dit geval sprake is van twee afzonderlijke bedrijven. Ook het feit dat aan de [locatie 1] een eigen UBN-nummer is toegekend, is onvoldoende om te wijzen op een afzonderlijk agrarisch bedrijf, omdat een UBN-nummer slechts ziet op de registratie van de locatie waar de dieren worden gehouden.
4.2. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op basis van de juiste gronden overwogen dat de jongveetak aan [locatie 1] niet als afzonderlijk agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten die in verband met het hoger beroep zijn opgekomen te vergoeden.
Overschrijding van de redelijk termijn
7. Op de zitting heeft [appellante] verzocht om vergoeding van immateriële schade die zij in deze procedure heeft geleden wegens schending van de redelijk termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
Het college heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 9 december 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 4 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de rechtbank worden toegerekend. De overschrijding moet voor 1/3 deel aan het college en voor 2/3 deel aan de rechtbank worden toegerekend.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Conclusie
8. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moeten de proceskosten die in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zijn opgekomen vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf om aan [appellante] een schadevergoeding van € 166,67 te betalen;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 333,34 te betalen;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
884-1195
BIJLAGE
Wettelijk kader
Bestemmingsplan Buitengebied, veegplan 2018
Artikel 1 begrippen
9. agrarisch bedrijf:
een veehouderij, een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerij of een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege);
17. bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische cultuurgrond;
b. behoud en herstel van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
c. een grondgebonden agrarisch bedrijf, al dan niet met een bestaande neventak intensieve veehouderij;
d. een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Intensieve veehouderij; met daaraan ondergeschikt:
e. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, al dan niet in combinatie
met:
• een aan huis verbonden beroep;
• aan huis verbonden bedrijf,
• een bed & brochje;
Artikel 3.2 Bouwregels
a. Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:
1. bouwwerken zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten oppervlak van 1,5 ha worden gebouwd gerekend vanuit een bouwvlak ; met uitzondering van bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' én met dien verstande - dat de overschrijding van het bouwvlak niet plaatsvindt aan de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak;
[…]
c. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden in afwijking van het bepaalde onder b de volgende regels;
1. er mag niet meer dan één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf worden gebouwd, in uitzondering hierop zijn ter plaatse van de aanduiding `specifieke vorm van agrarisch — tweede bedrijfswoning' twee bedrijfswoningén toegestaan;