202500222/1/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Dieren, gemeente Rheden,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 december 2024 in zaak nr. 23/5373 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Rheden.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2023 heeft de burgemeester [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 30 juni 2023 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 4 april 2025 heeft de burgemeester het dwangsombesluit van 16 februari 2023 ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 11 maart 2026 behandeld, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 17 oktober 2022 om 13:50 uur zag de politie [appellant] op de kruising van de Harderwijkerweg en de Nieboerstraat op een scooter zitten. Het was de politie bekend dat hij eerder was aangehouden voor het bezit dan wel handelen in drugs. Ook was er een anonieme melding binnengekomen dat hij in drugs zou handelen. De politie heeft [appellant] gedurende vijf minuten geobserveerd. In die vijf minuten zou hij zich onrustig hebben gedragen, om zich heen hebben gekeken en veelvuldig op zijn telefoon hebben gekeken. Ondertussen liep er een persoon naar [appellant], waarover volgens de politie een melding was binnengekomen dat die ook in drugs zou handelen. Vervolgens heeft de politie hem staande gehouden en zijn scooter gecontroleerd. Daarin heeft de politie een zakje gevonden met 48 vermoedelijk XTC-pillen. Deze pillen bleken na een test MDMA te bevatten. Dat is de werkzame stof in XTC. [appellant] is eerder staande gehouden, waarbij hasj werd gevonden. Van deze gebeurtenissen heeft de politie op 1 december 2022 een bestuurlijke rapportage opgemaakt.
2. Op basis van deze bevindingen heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat [appellant] op of aan de weg stond post te vatten of zich daar heen en weer bewoog in of op een voertuig of daarmee heen en weer of rond reed, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Dat is volgens de burgemeester een overtreding van artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rheden (APV). Daarom heeft de burgemeester [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van overtreding van artikel 2:74 van de APV. Bij elke overtreding moet [appellant] een bedrag van € 5.000,- betalen, met een maximum van in totaal € 30.000,-. De rechtbank heeft dit besluit rechtmatig geacht.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester hem een last onder dwangsom mocht opleggen. Volgens hem is hij ten onrechte aangemerkt als een drugsdealer. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt ook niet dat er sprake was van handel. De enkele aanwezigheid van drugs duidt volgens hem niet op handel. De burgemeester stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat hij zich op straat bevond met het kennelijke doel om drugs te verhandelen, aldus [appellant].
Wettelijk kader
4. Artikel 2:74 van de APV bepaalt: "Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen."
Beoordeling
5. De Afdeling stelt vast dat uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden opgemaakt dat overtreding van artikel 2:74 van de APV doorgaans aannemelijk wordt geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat drugs worden verhandeld en er handelingen zijn waargenomen die worden herkend als dealergedrag. Verder is van belang dat artikel 2:74 van de APV dat ziet op handhaving van de openbare orde de burgemeester de mogelijkheid geeft om drugshandelaren weg te sturen of weg te houden. De bepaling wordt al overtreden door het ‘postvatten op de openbare weg met de kennelijke bedoeling’ zonder dat vaststaat dat de betrokkene op dat moment al drugs bij zich heeft of heeft verhandeld. Vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5330.
5.1. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:400, dat voor overtreding van artikel 2:74 van de APV de aanwezigheid van drugs geen voorwaarde is. De bepaling wordt al overtreden door het postvatten met de kennelijke bedoeling, zonder dat vaststaat dat de betrokkene op dat moment al drugs bij zich heeft of heeft verhandeld.
5.2. De Afdeling is van oordeel dat uit de bestuurlijke rapportage, zoals weergegeven in overweging 1, in voldoende mate blijkt dat [appellant] aan de weg post stond te vatten met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. [appellant] heeft geen reden kunnen geven waarom hij zich op die locatie bevond en zich onrustig gedroeg. Bovendien woonde [appellant] niet in de directe omgeving van de locatie waar hij is aangetroffen, maar ongeveer vijftien minuten wandelen verderop. Hoewel de aanwezigheid van drugs geen voorwaarde is voor overtreding van artikel 2:74 van de APV, bevestigt de vondst van 48 XTC-pillen het gegeven dat [appellant] het kennelijke doel had om drugs te verhandelen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de burgemeester [appellant] een last onder dwangsom mocht opleggen.
5.3. Het betoog slaagt niet.
Het besluit van 4 april 2025
6. Bij besluit van 4 april 2025 heeft de burgemeester de last onder dwangsom ingetrokken, omdat is gebleken dat [appellant] gedurende twee jaar geen overtredingen heeft begaan. Dit besluit is, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege onderwerp van dit geding. [appellant] heeft geen gronden ingediend tegen dit besluit. Het beroep tegen dit besluit moet daarom ongegrond worden verklaard.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 april 2025 verklaart de Afdeling ongegrond.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
1071