202307604/1/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 november 2023 in zaak nr. 23/412 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (hierna: college van B&W) het verzoek van [appellanten] om een gedeelte van het Bogardeind, gelegen op de percelen van [appellanten], te onttrekken aan het openbaar verkeer in de zin van artikel 11 van de Wegenwet, afgewezen.
Bij besluit van 15 april 2022 heeft het college het door [appellanten] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard.
Bij besluit van 21 december 2022 heeft het college het besluit van 15 april 2022 ingetrokken en het door [appellanten] tegen het besluit van 7 september 2021 ingestelde administratief beroep gegrond verklaard voor zover daarbij is aangevoerd dat dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Verder heeft het college het verzoek tot onttrekking van de perceelgedeelten aan het openbaar verkeer afgewezen.
Bij uitspraak van 7 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en het college van B&W hebben beide een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] en het college van B&W hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellanten], bijgestaan door mr. R.A.D. Blaauw, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.J. van Schijndel en mr. W.T.T. Harhangi, zijn verschenen. Verder is op de zitting het college van B&W, vertegenwoordigd door mr. M.P.H. Gofers en S. Willems, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] wonen aan het [locatie 1] in Geldrop. Ze zijn eigenaar van de gronden gelegen aan het [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Een gedeelte van deze gronden, dat in eigendom is van [appellanten], is in gebruik als openbare weg, namelijk als fietspad, trottoir en een klein deel van de rijbaan. Dit gedeelte ligt voor hun woningen. Het Bogardeind is een weg in de bebouwde kom van Geldrop met een snelheidslimiet van 50 km/u. De weg vormt een verbinding tussen het centrum van Geldrop en de nabijgelegen A67. [appellanten] zijn van mening dat het college van B&W hun gronden onrechtvaardig en onrechtmatig gebruikt. Ze ervaren namelijk overlast van geluid, slechte luchtkwaliteit en trillingen. Ook wordt er inbreuk gemaakt op hun eigendomsrecht. Op 2 augustus 2020 hebben [appellanten] de raad daarom verzocht om een gedeelte van het Bogardeind, dat is gelegen op hun percelen, aan het openbaar verkeer te onttrekken. Het college van B&W heeft dit verzoek op 7 september 2021 afgewezen. Met het besluit van 15 april 2022 heeft het college het administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 september 2021 vernietigd en het college van B&W opgedragen een nieuw besluit te nemen. Vervolgens heeft het college op 30 december 2022 een herstelbesluit genomen, waarin het administratief beroep wederom gegrond wordt verklaard, maar het verzoek tot onttrekking van de weggedeelten aan het openbaar verkeer wordt afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op goede gronden heeft besloten het verzoek af te wijzen. [appellanten] zijn het daar niet mee eens.
Wettelijk kader
2. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.
Hoger beroep
Inbreuk eigendomsrecht
3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van B&W geen onrechtmatige inbreuk maakt op hun eigendomsrecht. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht, de omstandigheden van dit geval niet heeft betrokken.
3.1. Een honorering van het wegonttrekkingsverzoek van [appellanten] zou betekenen dat het trottoir-, fiets- en rijbaangedeelte van het Bogardeind ter plaatse enkele meters zou worden verschoven. Een dergelijke profielverlegging hebben [appellanten] ook voorgesteld. In geval van een dergelijke verschuiving zou het Bogardeind door verkeer blijven worden aangewend, ook ter hoogte van de woning van [appellanten], en de effecten daarvan in de vorm van de door hen naar voren gebrachte luchtverontreiniging, geur, geluidhinder of trillingen op hun woon- en leefklimaat van [appellanten] zouden dan nauwelijks minder zijn. Aan die omstandigheid komt in de besluitvorming op het wegonttrekkingsverzoek van [appellanten]n ook gewicht toe. Mochten [appellanten] overigens menen dat het college of de gemeente onrechtmatig handelt door verkeer op het Bogardeind toe te laten, ook ter plaatse van de eigendommen aldaar van [appellanten], dan moeten zij zich tot de burgerlijke rechter wenden.
3.2. Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
4. Verder betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op goede gronden het algemeen belang zwaarder heeft mogen laten wegen dan hun individuele belang bij het onttrekken aan het openbaar verkeer van de weggedeelten. Zij voeren daartoe allereerst aan dat de wettelijke normen voor geur, luchtkwaliteit en geluid worden overschreden. De Jaarrapportage stikstofdioxideconcentratiemetingen in Geldrop 2018-2019 van Buro Blauw Luchtkwaliteit van oktober 2019 (onderzoek naar de luchtkwaliteit), dat mede ten grondslag ligt aan de afwijzing, bevat onjuiste conclusies. Zo wordt in het onderzoek naar de luchtkwaliteit ten onrechte het uurgemiddelde buiten beschouwing gelaten waardoor een onjuist beeld van de werkelijkheid wordt gegeven. Verder voeren [appellanten] aan dat de conclusies over de geluidsniveaus niet juist zijn. In hoger beroep hebben zij daarom een tegenrapport overgelegd. In het tegenrapport wordt geconcludeerd dat het geluidsniveau van het wegverkeer dat gedurende de meetperiode het [locatie 1] passeert niet voldoet aan de grenswaarde van 63 dB(A) zoals opgenomen in de Wet geluidshinder. Door het overschrijden van de wettelijke normen is sprake van onrechtmatige hinder waardoor voor hen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat meer bestaat. In het tegenrapport wordt geconcludeerd dat het geluidsniveau van het wegverkeer dat gedurende de meetperiode het [locatie 1] passeert niet voldoet aan de grenswaarde van 63 dB(A) zoals opgenomen in de Wet geluidshinder. Door het overschrijden van de wettelijke normen is sprake van onrechtmatige hinder waardoor voor hen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat meer bestaat. [appellanten] hebben verder aangevoerd dat ten onrechte hun voorstel om het wegprofiel te verleggen niet is opgevolgd. Tot slot hebben [appellanten] op de zitting bij de Afdeling naar voren gebracht dat het huidige woon- en leefklimaat ertoe heeft geleid dat zij allebei kampen met grote gezondheidsproblemen, dat het niet mogelijk is om in de achtertuin te zitten en dat roet van het autoverkeer ervoor zorgt dat met grote regelmaat schoongemaakt moet worden en dat normale schoonmaakmiddelen ontoereikend zijn.
4.1. Het ter plaatse geldende ook onherroepelijk geworden zijnde bestemmingsplan "Bogardeind 85 t/m 123" voorziet in een verkeersbestemming, ook ter plaatse van de weggedeelten die [appellanten] in eigendom toebehoren. Aan de in een bestemmingsplan gemaakte planologische keuze, ligt een afweging ten grondslag van de daarbij aan de orde komende planologisch relevante belangen. Bij het (opnieuw) toekennen van een verkeersbestemming komt in de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging expliciet of impliciet aan de orde of de gevolgen daarvan voor onder meer de luchtkwaliteit, geur, geluid of trillingen zodanig zijn dat ter plaatse van aanwezige woningen geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Blijkens de toelichting op het bestemmingsplan, de bij het bestemmingsplan behorende zienswijzennota en de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024 op tegen dat bestemmingsplan ingediende beroepen - waaronder ook dat van [appellanten] -, zijn die aspecten ook in het bestemmingsplan afgewogen. In deze procedure, waarin het om een verzoek om wegonttrekking gaat en de daarbij aan de orde komende belangen, hebben ook de aan weggedeelten, waarvan [appellanten] eigenaar zijn, toegekende verkeersbestemming en de daaraan ten grondslag gelegen hebbende afweging van planologisch relevant te achten belangen als luchtverontreiniging, geur, geluidhinder of trillingen als een gegeven te gelden. Daarom kunnen die aspecten bij de besluitvorming op een verzoek om weggedeelten aan de openbaarheid te onttrekken, niet aan de orde komen, hoe zeer de Afdeling ook begrijpt dat hun woon- en leefklimaat [appellanten] ter harte gaat.
Strijd met rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur
5. Tot slot betogen [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 22 december 2022 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Zij voeren daartoe aan dat het college is uitgegaan van onjuiste gegevens. Zo heeft het college ten onrechte aangenomen dat de autorijbaan niet op de percelen van [appellanten] zou liggen en een verlegging niet zou leiden tot enige verbetering ten aanzien van de verkeersoverlast. Er is geen reden waarom de herontwikkeling van het Bogardeind de enige oplossing zou zijn voor de problemen die zij ervaren, aldus [appellanten].
5.1. Nog daargelaten of het college is uitgegaan van onjuiste gegevens, hiervoor in rechtsoverweging 4.1 is al overwogen dat het bestemmingsplan inmiddels onherroepelijk is. Wat [appellanten] hierover hebben aangevoerd, kan daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Verder leidt het enkele feit dat het college ervan is uitgegaan dat de autorijbaan niet op eigendommen van [appellanten] ligt, ook niet tot de conclusie dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
7. Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
735-1050
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:11
1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven.
2. […].
Artikel 3:12
1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in het in artikel 12 van de Bekendmakingswet voor het bestuursorgaan aangewezen publicatieblad op de in dat artikel bepaalde wijze kennis van het ontwerp.
2. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;
b. op welke wijze dit kan geschieden;
c. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
Artikel 3:15
1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.
2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
4. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
Wegenwet
Artikel 9
1. Een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.
2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 11
1. Ieder belanghebbende bij een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, heeft het recht aan den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen ten opzichte van dien weg toepassing van artikel 9 te verzoeken.
2. Op de voorbereiding van de beslissing op het verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3. […].