202402340/1/R3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 februari 2024 in zaak nr. 22/1631 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2019 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning te verlenen buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 1 februari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Bakker, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 juni 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] heeft op 26 juni 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het opdelen van zijn woning aan de [locatie] in Den Haag in vier afzonderlijke studiowoningen. Ook heeft [appellant] zijn toenmalige architect van het bedrijf Nota bene architectuur als gemachtigde opgegeven in de aanvraagprocedure. Het college heeft [appellant] bij brief van 22 juli 2019 in de gelegenheid gesteld om ontbrekende gegevens per activiteit aan te vullen. [appellant] heeft aanvullende gegevens aangeleverd, maar deze waren volgens het college niet volledig. Het college heeft op 29 augustus 2019 de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat er geen aanvraagformulier voor de activiteit ‘handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten’ en geen fotorapportage van het monument met overzichts- en detailfoto’s is ontvangen.
[appellant] heeft bezwaar ingediend tegen de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag. Het college heeft de gemachtigde van [appellant] in de gelegenheid gesteld om na de hoorzitting van 20 januari 2020 de ontbrekende documenten naar de adviescommissie bezwaarschriften (commissie) op te sturen. Het college heeft op 17 december 2021 een e-mail gestuurd aan de gemachtigde van [appellant] ter herinnering aan de ontbrekende aanvraaggegevens en afronding van de bezwaarprocedure. De gemachtigde van [appellant] heeft op 14 januari 2022 per e-mail gevraagd of de aanlevertermijn met één week kon worden verlengd. De aanvullende documenten zijn vervolgens niet volledig aangeleverd volgens het college.
De commissie heeft op 31 januari 2022 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag op 1 februari 2022 ongegrond verklaard.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn aanvraag niet compleet is. Volgens [appellant] is het niet duidelijk welke stukken ontbreken. Uit het dossier blijkt volgens hem namelijk dat de overzichts- en detailfoto’s zijn ingediend door zijn toenmalige gemachtigde. Op de zitting heeft [appellant] verder naar voren gebracht dat ook het aanvraagformulier ‘handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten’ is ingediend door zijn gemachtigde.
Voor zover de aanvraag niet compleet is, betoogt [appellant] dat hem niet kan worden toegerekend dat het aanvraagformulier ‘handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten’ ontbreekt, omdat het college [appellant] niet op de correcte vindplaats van het formulier heeft gewezen en ook niet heeft gereageerd op vragen hierover. Ook stelt [appellant] dat het dossier meerdere keren is overgedragen naar andere behandelende ambtenaren waardoor communicatie en overdrachtsproblemen ontstonden die hem ten onrechte zijn aangerekend.
Gelet op deze omstandigheden is het besluit volgens [appellant] niet zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder andere in de uitspraak van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1203, onder 3.1, heeft het bevoegd gezag beoordelingsruimte bij de beoordeling of voldoende gegevens zijn overgelegd voor de inhoudelijke behandeling van een aanvraag.
In het besluit tot buitenbehandelingstelling van 29 augustus 2019 staat volgt dat de volgende gegevens ontbraken:
"Activiteit: handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten
De aanvraag is voor wat betreft deze activiteit beoordeeld op volledigheid. Bij deze toets aan de Regeling omgevingsrecht is vast komen te staan dat de volgende gegevens en bescheiden na afloop van de beschikbare termijn nog ontbreken:
Algemene gegevens
- Een volledig ingevuld aanvraagformulier voor de activiteit `Handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten'
Overzichts- en detailfoto's monument
- Fotorapportage van monument met zowel overzichts- als detailfoto's".
Uit de daaropvolgende correspondentie tussen het college en [appellant] volgt dat per e-mail van 17 december 2021 het college [appellant] heeft verzocht om dezelfde gegevens nadien te overleggen.
3.2. Gelet op de informatie in het besluit van 29 augustus 2019 en de e-mail van 17 december 2017 heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat de aanvraag incompleet is, omdat in ieder geval het aanvraagformulier voor de activiteit "Handeling met gevolgen voor beschermde monumenten" ontbreekt. De overweging van de rechtbank dat het voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag vereiste aanvraagformulier ontbreekt waardoor het college de aanvraag buiten behandeling mocht stellen, is daarmee juist. De door [appellant] voor het eerst in hoger beroep ingebrachte en niet onderbouwde stelling dat de aanvraag, inclusief het aanvraagformulier, compleet is ingediend, maakt dit niet anders.
Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat de overzichts- en detailfoto’s in het dossier staan en van voldoende kwaliteit zijn, overweegt de Afdeling dat dit slechts één van de gegevens is die volgens het college ontbreken. Dat de foto’s zijn overgelegd neemt niet weg dat de aanvraag onvolledig was, omdat het aanvraagformulier voor de activiteit "Handeling met gevolgen voor beschermde monumenten" ontbrak. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder andere in de uitspraak van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3150, onder 3.3), is een aanvraag om een omgevingsvergunning pas aangevuld in de zin van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb als alle door het bestuursorgaan op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gevraagde aanvullende gegevens zijn aangeleverd.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
3.3. Over het betoog dat het onvoldoende duidelijk is welke gegevens ontbreken en de volgens [appellant] ontoereikende begeleiding van het college hierin, overweegt de Afdeling het volgende. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in het besluit van 29 augustus 2019 en de e-mail van 17 december 2021 duidelijk heeft aangegeven dat het aanvraagformulier ‘Handeling met gevolgen voor beschermde monumenten’ en de overzichts- en detailfoto’s nog werden verlangd. Zoals de rechtbank heeft overwogen, kan van de architect van [appellant] als professioneel gemachtigde worden verwacht dat deze gegevens kunnen worden aangeleverd door hem. De omstandigheid dat het college het aanvraagformulier niet heeft verstrekt, maakt dat niet anders.
Voor zover [appellant] stelt dat de wisselende behandelende ambtenaren voor onduidelijkheid hebben gezorgd over de aan te leveren gegevens, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat tegenstrijdige of afwijkende informatie is verstrekt door de verschillende ambtenaren over de aan te leveren gegevens. Dat de behandeling van de aanvraag door verschillende ambtenaren heeft plaatsgevonden, maakt niet dat het voor [appellant] onduidelijk hoefde te zijn welke gegevens vereist waren. Het college heeft meerdere keren kenbaar gemaakt welke gegevens ontbraken.
3.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank.
Het betoog slaagt niet.
Overige gronden
4. Wat betreft het betoog van [appellant] dat sprake is van schending van het fair play-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, overweegt de Afdeling dat van strijd met deze beginselen niet is gebleken. De enkele niet onderbouwde stelling is daarvoor onvoldoende.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
884-1195
BIJLAGE
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:2
[…]
2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
[…], of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
[…]
Artikel 4:15
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
[…]
Besluit omgevingsrecht
Artikel 4.4
1. Onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft.
[…]