202305405/1/R1.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Broek in Waterland, gemeente Waterland,
appellanten,
en
het college van burgermeester en wethouders van Waterland.
Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2020 heeft het college aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het slopen van een bestaande woning en het realiseren van een nieuwe woning met een bijgebouw op het perceel [locatie] in Broek in Waterland.
Bij besluit van 4 augustus 2020 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 januari 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1341, heeft de Afdeling het daartegen door [appellant] en anderen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het bij de rechtbank door [appellant] en anderen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van 4 augustus 2020 vernietigd. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 13 juli 2023 heeft het college een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [appellant] en anderen, dit bezwaar alsnog gegrond verklaard, de op 28 februari 2020 verleende omgevingsvergunning deels herroepen en de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend
[partij] en [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H.M. Sipman en E. Everaardt, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 januari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. [partij] is eigenaar van het perceel. Hij wil zijn woning met bijbehorend bouwwerk vervangen door een nieuwe woning en heeft daarvoor op 13 januari 2020 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De nieuw te bouwen woning bestaat uit drie onderdelen: een middendeel met een bouwhoogte van 8,61 meter, een aangebouwd deel aan de noord- en oostzijde met een bouwhoogte van 7,71 meter en een aangebouwd deel aan de zuidzijde met een bouwhoogte van 5,61 meter. Het deel aan de zuidzijde is aan het middendeel verbonden door middel van een verbindingsgang met een plat dak en heeft een bouwhoogte van 2,61 meter. De achtergevel van de nieuwe woning loopt ten opzichte van de huidige woning verder naar achter door op het perceel en de achterzijde van de woning komt dichterbij de watergang Het Dee te liggen.
4. Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Broek in Waterland 2018" (hierna: het bestemmingsplan") en de bestemming "Wonen -1" met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Beschermd dorpsgezicht Broek in Waterland". Vast staat dat het bouwplan op verschillende punten in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft bij besluit van 28 februari 2020, in stand gelaten bij besluit van 4 augustus 2020, de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o en 2o, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
5. In de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023 is onder 6.2 en 7.2 geoordeeld dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 17.4.1 van de planregels af te wijken van artikel 17.2.1 van de planregels. Het grondoppervlak van het hoofdgebouw wordt met meer dan 25% werd vergroot. Ook overwoog de Afdeling dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd dat het met toepassing van artikel 28.4 van de planregels kon afwijken van artikel 28.2 van de planregels. Het college had onvoldoende gemotiveerd dat het plan geen onevenredige afbreuk doet aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden in het gebied, zoals artikel 28.4, aanhef en onder b, van de planregels vereist.
De Afdeling overwoog dat het college bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaarschrift van [appellant] en anderen moet bezien of het op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor, kan afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan. Indien het college van die afwijkingsbevoegdheid gebruik wenst te maken, moet het die afwijking deugdelijk motiveren. Ook zal het college bij het nemen van het nieuwe besluit rekening moeten houden met wat is overwogen over de motivering van de afwijking van artikel 28.2 van de planregels.
6. Naar aanleiding van deze uitspraak van de Afdeling heeft het college een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [appellant] en anderen. Het college heeft het bezwaar alsnog gegrond verklaard, de op 28 februari 2020 verleende omgevingsvergunning herroepen voor het op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo herschikken van het hoofdgebouw op het perceel en de door [partij] aangevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
7. [appellant] en anderen wonen in de straat waar het vergunde bouwplan wordt gerealiseerd. Zij zijn het niet eens met het bouwplan.
Beoordeling van het beroep
Was het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor vergunning te verlenen?
8. [appellant] en anderen betogen dat het college ten aanzien van het hoofdgebouw ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Zij voeren onder meer aan dat het in de uitspraak van 5 april 2023 als hoofdgebouw aangemerkte deel van het bouwplan dat niet voldoet aan het bestemmingsplan, niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk in de zin van 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
8.1. Vast staat dat een hoofdgebouw is toegestaan op het perceel. Artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor laat het toe om een groter hoofdgebouw te realiseren. Ingevolge artikel 1 van bijlage II van het Bor wordt onder een bijbehorend bouwwerk immers ook een uitbreiding van een hoofdgebouw verstaan. Het college heeft terecht geconcludeerd dat de delen van de woning die niet in overeenstemming met het bestemmingsplan zijn, zijn aan te merken als uitbreiding van een hoofdgebouw als bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2953, onder 8.1, en 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1465, onder 9.1. In de uitspraak van 24 juni 2020 heeft de Afdeling overwogen dat artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw. Ook is geen beperking opgenomen dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig moet zijn te onderscheiden van de rest van het gebouw of dat de uitbreiding aan de rest van het gebouw ondergeschikt moet zijn.
Gelet op het voorgaande is het mogelijk om voor de aangevraagde woning een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
Het betoog slaagt niet.
Is er sprake van een goede ruimtelijke ordening en belangenafweging?
9. [appellant] en anderen betogen dat het college bij het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo niet kan volstaan met de vaststelling dat er geen reden is om niet mee te werken aan het bouwplan. Zij stellen dat een afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van dat artikel een deugdelijke motivering vereist. Zij voeren aan dat het college heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom, gelet op alle betrokken belangen en de goede ruimtelijke ordening, medewerking aan het bouwplan is verleend. Volgens hen is het bouwplan niet inpasbaar in de omgeving en doet het bouwplan onevenredige afbreuk aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing, zoals beschreven in de redengevende omschrijving die hoort bij het besluit tot aanwijzing van een deel van Broek in Waterland als beschermd dorpsgezicht in bijlage I bij de planregels. Het beschermde dorpsgezicht en de doorzichten daarbinnen worden door het volume van het vergunde bouwwerk en de positionering van het bouwwerk op het perceel dicht bij het water, aangetast. [appellant] en anderen stellen verder dat het college niet kan volstaan met verwijzen naar de adviezen van de monumenten- en welstandscommissie Waterland "Mooi Noord-Holland" van 30 april 2018 en 20 januari 2020 en het stedenbouwkundig advies van bureau Tonnaer van 3 juli 2018. Ook voeren zij aan dat het college in het besluit van 13 juli 2023 niet op kenbare wijze is ingegaan op de eerder door hun ingebrachte bezwaren, zodat een belangenafweging ontbreekt.
9.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.2. De Afdeling stelt voorop dat het college niet heeft volstaan met de vaststelling dat het geen aanleiding ziet om geen medewerking te verlenen aan het bouwplan. Voorafgaand aan die conclusie heeft het college gemotiveerd uiteengezet waarom het in afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo medewerking verleent aan dit bouwplan. In aanmerking genomen de omvang van het bouwplan en de mate van afwijking van het bestemmingsplan, is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en dat de bebouwing stedenbouwkundig inpasbaar is. Het college mocht aan die motivering mede de adviezen van de monumenten- en welstandscommissie en het stedenbouwkundig advies ten grondslag leggen. De omstandigheid dat in deze adviezen de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden zijn genoemd, neemt niet weg dat in de adviezen gemotiveerd is ingaan op het bouwplan in relatie tot de omgeving, in het bijzonder de historische lintbebouwing aan het Roomeinde. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan het uiterlijk van het bouwplan, de bouwhoogte, de bouwmassa en de positie van het bouwplan op het perceel en het verschil tussen het bouwplan en de bestaande situatie. Uit het besluit blijkt ook dat het college bij zijn motivering de waarden zoals die zijn omschreven in de redengevende omschrijving in acht heeft genomen.
Anders dan [appellant] en anderen stellen is het college ingegaan op de bescherming van het beschermd dorpsgezicht en de doorzichten binnen het beschermd dorpsgezicht. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat aan het Roomeinde grote woningen op relatief kleine percelen staan en dat het Roomeinde aan weerzijden van de straat bebouwing heeft. Hierdoor heeft het Roomeinde volgens het college, ondanks de openheid tussen de bebouwing, al een zekere mate van beslotenheid. Verder heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat ondanks de aaneengesloten bebouwing van het bouwplan voldoende open ruimte op het perceel overblijft. Daarbij zijn volgens het college van belang de verspringende bouwhoogtes van het bouwplan en de omstandigheid dat het perceel groter in omvang is dan de meeste andere percelen aan het Roomeinde. Onder deze omstandigheden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan, hoewel het ten opzichte van de oorspronkelijke woning is toegenomen in bouwvolume, past binnen de maat en schaal van de omgeving.
De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een ondeugdelijke belangenafweging. Op de zitting is vastgesteld dat het [appellant] en anderen vooral gaat om de aantasting van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en of de bebouwing wel inpasbaar is in de omgeving, gelet op het volume en de plaatsing van het gebouw op het perceel. Daar is de Afdeling hiervoor al op ingegaan.
De Afdeling overweegt tot slot dat zij in wat [appellant] en anderen voor het overige hebben aangevoerd, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat voor het bouwplan in strijd met de goede ruimtelijke ordening een vergunning is verleend.
Het betoog slaagt niet.
Slotoverwegingen
10. Het beroep is ongegrond.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
374