202305424/5/R3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Rijswijk,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Rijswijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:338 (de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 27 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Godfried Bomansstraat" (het bestemmingsplan) te herstellen.
Bij besluit van 20 mei 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het herstelbesluit bestemmingsplan "Godfried Bomansstraat" vastgesteld (het herstelbesluit).
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en anderen een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de raad de gebreken heeft hersteld.
De raad heeft een nader stuk ingediend. [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 december 2026. Daar zijn [appellant] en anderen en de raad verschenen. [appellant] en anderen zijn vertegenwoordigd door [appellant], vergezeld door [gemachtigde A]. De raad is vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook en mr. E.A.G. Kortstam, beiden advocaat in Den Haag, en R. Vieveem. Ook zijn op de zitting Rijswijk Wonen en Weboma als partij gehoord. Rijswijk wonen is vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. D. de Jong, advocaat in Zeist. Weboma is vertegenwoordigd door [gemachtigde C].
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 24 februari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
De tussenuitspraak
2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met maximaal 34 woningen aan de Godfried Bomansstraat in Rijswijk. Aan de noord- en zuidzijde van het plangebied voorziet het plan in stroken van ongeveer 7 m (noord) en 8 m (zuid) met de bestemming "Groen".
3. In overweging 10.4 van de tussenuitspraak overweegt de Afdeling dat uit de stukken bij de vaststelling van het plan onvoldoende blijkt waarom in afwijking van de Nota Parkeernormen is gekozen voor de parkeernorm van 0,9 parkeerplaatsen per woning. Daarnaast heeft de raad erkend dat hij bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van een verkeerde bepaling van de directe omgeving van het plangebied. Ook overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting of andere stukken die aan het plan ten grondslag liggen, niet blijkt hoe en wanneer de parkeertellingen, waar de raad zich op baseert, hebben plaatsgevonden. Daarom oordeelt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende heeft onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom door het plan geen ontoelaatbare gevolgen voor de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied zullen optreden. Het bestemmingsplan is op deze punten dan ook vastgesteld in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. Onder 12.2 van de tussenuitspraak oordeelt de Afdeling dat de raad met een aanvullende onderbouwing alsnog deugdelijk gemotiveerd heeft waarom hij afwijkt van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen. De raad is in de aanvullende onderbouwing terecht uitgegaan van een parkeerbehoefte van 31 parkeerplaatsen als gevolg van het plan. Onder 13.2 oordeelt de Afdeling dat de raad in de aanvullende onderbouwing uit heeft mogen gaan van de parkeerplaatsen binnen een afstand van 200 m van de voorziene ingang van het appartementencomplex, bij de beoordeling van de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied. Onder 15 overweegt de Afdeling daarom dat de raad met de aanvullende onderbouwing, de in overweging 10.4 geconstateerde gebreken met betrekking tot de berekening van de parkeerbehoefte en de vaststelling van het gebied die behoort tot de directe omgeving van het plangebied, heeft hersteld.
5. Onder 14.4 van de tussenuitspraak oordeelt de Afdeling dat [appellant] en anderen aannemelijk hebben gemaakt dat er tijdens het halen en brengen van de basisscholieren en op de vrijdagmiddag, vanwege het vrijdagmiddaggebed van de nabijgelegen stichting Amal, een hogere parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied aanwezig kan zijn dan op de gemeten momenten. Daarom kon de raad er niet zonder meer van uitgaan dat de donderdag en de zaterdagmiddag, waarop de parkeerdruk is gemeten, maatgevend zijn voor de bestaande bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de directe omgeving van het plangebied.
De Afdeling overweegt onder 14.5 verder dat niet zonder meer duidelijk is dat de parkeertellingen zijn uitgevoerd tijdens de maatgevende momenten, terwijl op verschillende momenten waarop wel geteld is, de parkeerdruk hoog is. Daarom ziet de Afdeling in het standpunt van de raad, ook gezien de smalle marge, dat de haal- en brengmomenten van de basisscholieren en het vrijdagmiddaggebed van de stichting Amal plaatsvinden in de ochtend en middag, geen reden om zonder meer aan te nemen dat geen onevenredige gevolgen voor de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied zullen optreden op deze momenten. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de raad dat de parkeerdruk door het halen en brengen van de basisscholieren maar 15 minuten bedraagt.
De Afdeling oordeelt onder 14.6 dat de raad hiermee nog altijd onzorgvuldig onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd, dat het plan niet zal leiden tot ontoelaatbare gevolgen voor de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied. Daarom overweegt de Afdeling onder 15 dat de raad met de aanvullende onderbouwing, de in overweging 10.4 geconstateerde gebreken niet volledig heeft hersteld.
Onder 14.7 oordeelt de Afdeling dat zij in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen reden ziet om aan te nemen dat de fysieke ruimte voor de aanleg van zes extra parkeerplaatsen ontbreekt.
6. In overweging 24 draagt de Afdeling de raad op om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak de in overwegingen 14.4 tot en met 14.6 omschreven gebreken te herstellen. De raad kan dit doen door aanvullend te onderzoeken wat het/de maatgevende moment(en) is/zijn voor het bepalen van de parkeerdruk in de omgeving en wat de gevolgen zijn van de parkeerbehoefte van het plan op de bestaande parkeerdruk. De raad kan vervolgens aan de hand van dit onderzoek bezien of het besluit van de raad van 27 juni 2023 in het licht van de uitkomsten van dit onderzoek in stand kan blijven. De raad moet daarbij deugdelijk motiveren dat er geen ontoelaatbare gevolgen voor de parkeerdruk in de omgeving zullen optreden.
Eindoordeel over het beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan van 27 juni 2023
7. De Afdeling geeft eerst een eindoordeel over het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 27 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet op de tussenuitspraak is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond. De Afdeling zal het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan daarom vernietigen.
8. De Afdeling zal hieronder ingaan op het herstelbesluit en de beroepsgronden daartegen.
Het herstelbesluit
9. Met het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld. Daarbij is de tekst van paragraaf 4.10 van de plantoelichting aangepast. Daarnaast heeft de raad twee nieuwe bijlagen toegevoegd aan de plantoelichting. Dit zijn bijlage 19 "Aanvullende onderbouwing toelaatbare parkeerdruk" (bijlage 19) en bijlage 20 "Parkeeronderzoek Stervoorde data parkeertellingen" (bijlage 20).
In paragraaf 4.10 van de gewijzigde plantoelichting concludeert de raad dat uit bijlage 19 en bijlage 20 blijkt dat op zaterdagavond de hoogste bezetting van de parkeerplaatsen binnen een loopafstand van 200 meter van de ingang van het voorziene appartementencomplex optreedt na de realisatie van de 34 woningen. De parkeerdruk is dan 77 procent. Daarmee wordt de maximale acceptabele bezetting van 90 procent, die volgt uit de Kadernota Parkeren 2015 - 2025, niet overschreden.
Het beroep tegen het herstelbesluit
Van rechtswege beroep tegen het herstelbesluit
10. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze aangegeven dat zij het niet eens zijn met het herstelbesluit. Zij hebben beroepsgronden tegen het herstelbesluit naar voren gebracht. Voor [appellant] en anderen is hiermee een beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit ontstaan.
Omvang van het geding
11. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling een oordeel gegeven over alle beroepsgronden van [appellant] en anderen tegen het besluit van 27 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan. Afgezien van de beroepsgronden over het aspect parkeren slagen deze beroepsgronden niet. De herstelopdracht zag daarom ook alleen op het aspect parkeren. [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze beroepsgronden aangevoerd over andere aspecten dan het parkeren, zoals het welzijn van de omgeving en de behoefte aan de woningen.
Hiermee hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden na de tussenuitspraak uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden die zij al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen brengen. Dit is gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde, niet aanvaardbaar. De Afdeling laat wat [appellant] in dit verband aanvoeren, dan ook buiten verdere bespreking.
Voor zover [appellant] en anderen zich keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
12. [appellant] en anderen hebben verder aangevoerd dat onjuist is berekend wat de parkeerbehoefte is die ontstaat door de 34 in het bestemmingsplan voorziene woningen. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat voor de bepaling van het gebied waarbinnen de toekomstige parkeerdruk onderzocht moest worden, ten onrechte uitgegaan is van een loopafstand van 200 m. Ook betogen zij dat ten onrechte een maximale, acceptabele parkeerdruk van 90% aangehouden wordt. Verder bestrijden zij de komst van zes parkeerplaatsen op het parkeerterrein bij de Godfried Bomansstraat. De Afdeling heeft hierover in haar tussenuitspraak al geoordeeld. Ook hier is er naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een uitzonderlijk geval waardoor de Afdeling terug moet komen van de in de tussenuitspraak gegeven oordelen.
13. De Afdeling zal daarom geen inhoudelijk oordeel geven over deze beroepsgronden. De Afdeling zal hieronder ingaan op de overige beroepsgronden.
De directe omgeving van het plangebied
14. [appellant] en anderen betogen dat de directe omgeving van het plangebied verkeerd is afgebakend in het parkeeronderzoek van de raad waarmee het herstelbesluit is onderbouwd. Daarvoor voeren zij aan dat de raad secties heeft betrokken waarvan een deel van de parkeerplaatsen op meer dan 200 m afstand ligt van de ingang van het voorziene appartementencomplex. Zij wijzen daarbij op de secties 61-010, 61-027, 61-032, 61-034, 61-038, 61-053 en 61-061. Daarnaast voeren zij aan dat sectie 61-060a weliswaar geheel binnen de loopafstand van 200 m ligt, maar in het parkeeronderzoek vóór de tussenuitspraak niet is meegenomen als onderdeel van de directe omgeving van het plangebied. [appellant] en anderen voeren verder aan dat er ten onrechte secties niet zijn meegenomen die wel binnen de loopafstand van 200 m vallen. Daarbij wijzen zij op de secties 61-053a, 61-054, 61-055 en 61-059a.
14.1. De raad heeft in bijlage 19 berekend wat de maximale parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied is na de realisatie van de 34 appartementen waarin het bestemmingsplan voorziet. Daarbij hanteert de raad het uitgangspunt dat de maximale loopafstand 200 m bedraagt vanaf de voorziene ingang van het appartementencomplex. De raad heeft bij de berekening van de maximale parkeerdruk in bijlage 19 de gehele secties betrokken met de nummers 61-010, 61-027, 61-031, 61-032, 61-033, 61-034, 61-036, 61-036a, 61-038, 61-053, 61-054, 61-060, 61-060a, 61-060b en 61-061.
14.2. Uit bijlage 19 blijkt dat de raad sectie 61-054 wel heeft meegenomen als onderdeel van de directe omgeving van het plangebied. In zoverre mist het betoog van [appellant] en anderen feitelijke grondslag. De Afdeling ziet in het feit dat sectie 61-060a eerder buiten beschouwing is gelaten geen grond voor het oordeel dat deze sectie nu ten onrechte als onderdeel van de directe omgeving van het plangebied is betrokken.
Niet ter discussie staat namelijk dat sectie 61-060a zich geheel bevindt binnen een loopafstand van 200 m van de ingang van het voorziene appartementencomplex.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
14.3. Sectie 61-027 is het deel van de Johanna Westerdijkstraat dat ligt tussen de Albert Schweitzerlaan en de Suze Groenewegestraat. In figuur 5 van bijlage 19 heeft de raad aangegeven dat de loopafstand 192,47 m is van de ingang van het voorziene appartementencomplex tot aan de grens van deze sectie bij de Suze Groenewegestraat. In de zienswijze van [appellant] en anderen is op een luchtfoto weergegeven, waarop volgens hen de grens ligt van de loopafstand van 200 m vanaf de ingang van het voorziene appartementencomplex. Deze grens ligt op nagenoeg dezelfde plaats als de door de raad aangegeven grens. [appellant] en anderen hebben op de zitting op een vraag van de Afdeling niet kunnen aangeven waarom hieruit blijkt dat de gehele sectie niet binnen een loopafstand van 200 m ligt. De Afdeling ziet daarom in wat door hen is aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de raad de sectie 61-027 niet mee had mogen nemen als onderdeel van de directe omgeving van het plangebied.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
14.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad sectie 61-059a niet hoeven betrekken als onderdeel van de directe omgeving van het plangebied. Voor zover deze sectie al binnen een loopafstand van 200 m ligt, heeft de raad aannemelijk gemaakt dat dit alleen het geval is als gebruikt gemaakt wordt van een doorgang op privéterrein. Gelet op de plek van deze doorgang, vlak naast de ingang van een supermarkt, ligt het gebruik hiervan niet voor de hand. Daarnaast is de toegang tot deze doorgang niet verzekerd.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
14.5. Uit figuur 5 van bijlage 19 blijkt dat de secties 61-010, 61-032, 61-034, 61-038, 61-053 en 61-061 alleen maar gedeeltelijk binnen een loopafstand van 200 m liggen. Een deel van de parkeerplaatsen in deze secties ligt op een grotere loopafstand dan 200 m. Maar de parkeerplaatsen in deze secties zijn in hun geheel meegenomen als onderdeel van de directe omgeving van het plangebied. Daardoor zijn dus ook de parkeerplaatsen betrokken die zich op een grotere afstand dan 200 m van de ingang van het voorziene appartementencomplex bevinden. Dit is in tegenstelling tot het uitgangspunt van de raad dat alleen parkeerplaatsen binnen 200 m meegenomen zouden worden. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling op een vraag van de Afdeling op de zitting niet kunnen verklaren waarom het voor deze secties van dit eigen uitgangspunt is afgeweken.
Uit de zienswijze van [appellant] en anderen blijkt verder dat de secties 61-055 en 61-059a ook gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten een loopafstand van 200 m van de ingang van het voorziene appartementencomplex liggen. Maar deze secties zijn buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de toekomstige parkeerdruk. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling ook niet kunnen verklaren waarom het deze secties niet heeft betrokken, terwijl de secties 61-010, 61-032, 61-034, 61-038, 61-053 en 61-061 wel zijn meegenomen.
Het herstelbesluit is naar het oordeel van de Afdeling daarom genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
Het betoog slaagt in zoverre.
14.6. Gelet op wat onder 14.5 is overwogen kent het herstelbesluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De raad heeft bij de Afdeling een reactie op de zienswijze van [appellant] en anderen aangeleverd. De Afdeling ziet aanleiding om te beoordelen of de raad het geconstateerde gebrek hiermee heeft hersteld.
In deze reactie is een nieuwe berekening gemaakt van de toekomstige parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied. Daarbij is de raad voor de directe omgeving van het plangebied uitgegaan van de secties 61-027, 61-031, 61-033, 61-036, 61-036a, 61-054, 61-060, 61-060a en 61-060b. De raad stelt dat de hoogste berekende, toekomstige parkeerdruk in dit gebied 84% is, wat nog altijd binnen de maximaal acceptabele parkeerdruk van 90% ligt.
De raad heeft in deze nieuwe berekening de secties 61-010, 61-032, 61-034, 61-038, 61-053 en 61-061 alsnog buiten beschouwing gelaten. De secties 61-055 en 61-059a zijn daarnaast opnieuw buiten beschouwing gelaten. De raad heeft in de nieuwe berekening daardoor alleen secties betrokken die in hun geheel binnen de maximale loopafstand van 200 m liggen. Daardoor worden er niet langer parkeerplaatsen meegenomen die op een grotere loopafstand dan 200 m van de ingang van het voorziene appartementencomplex liggen.
Er worden hierdoor wel parkeerplaatsen buiten beschouwing gelaten die binnen de maximale loopafstand van 200 m liggen. Maar de parkeertellingen maken geen onderscheid tussen de parkeerplaatsen die binnen en buiten de loopafstand van 200 m liggen. Daardoor was het met de verrichte parkeertellingen niet mogelijk om alleen de gedeeltes van de secties mee te nemen die binnen een loopafstand van 200 m liggen. Omdat door deze parkeerplaatsen buiten beschouwing te laten de directe omgeving van het plangebied wordt verkleind, heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling voor kunnen kiezen om deze secties als geheel buiten beschouwing te laten.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee het in overweging 14.5 geconstateerde gebrek in het herstelbesluit hersteld. De Afdeling zal na het bespreken van de overige beroepsgronden bespreken wat voor consequenties dit heeft.
De hoeveelheid parkeerplaatsen binnen een sectie
15. [appellant] en anderen betogen dat de raad uitgegaan is van meer parkeerplaatsen binnen de secties dan er daadwerkelijk aanwezig zijn. Daarvoor voeren zij eerst aan dat zij met eigen tellingen tot een andere hoeveelheid parkeerplaatsen komt dan waar de raad van is uitgegaan. Daarnaast voeren zij aan dat parkeerplaatsen meegeteld zijn die niet voor iedereen toegankelijk zijn, zoals parkeerplaatsen op eigen terrein, parkeerplaatsen voor gehandicapten, plaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen en plaatsen bestemd voor kiss & ride. [appellant] en anderen betogen dat als uitgegaan wordt van de daadwerkelijke hoeveelheid beschikbare parkeerplaatsen, er sprake zal zijn van een ontoelaatbare parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied.
15.1. De raad heeft op de zitting toegelicht dat de hoeveelheid parkeerplaatsen binnen elke parkeersectie is geteld. Uit de reactie van de raad op de zienswijze van [appellant] en anderen blijkt dat hij uitgaat van 151 parkeerplaatsen in de gezamenlijke secties 61-027, 61-031, 61-033, 61-036, 61-036a, 61-054, 61-060, 61-060a en 61-060b.
Uit de door [appellant] en anderen ingediende zienswijze blijkt dat zij in totaal ook uitgaan van 151 parkeerplaatsen in deze secties tezamen. Maar op de zitting bij de Afdeling hebben [appellant] en anderen gesteld dat zij in de sectie 61-027 minder parkeerplaatsen telt dan de door de raad getelde 32 parkeerplaatsen. De raad heeft hierover verklaard dat als alleen de parkeervakken worden geteld, het aantal parkeerplaatsen lager ligt. Maar volgens de raad moet ook gekeken worden naar de parkeerplaatsen naast de rijbaan die niet aangeduid zijn met parkeervakken. [appellant] en anderen hebben dit niet bestreden. De Afdeling ziet daarom in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de raad uit is gegaan van meer parkeerplaatsen dan in werkelijkheid aanwezig zijn.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
15.2. Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op parkeerplaatsen op eigen terrein, overweegt de Afdeling als volgt. Uit hun zienswijze blijkt dat er in de bredere omgeving van het plangebied alleen op eigen terrein wordt geparkeerd in de secties 61-030, 61-038b en 61-039a. Maar deze secties zijn door de raad buiten beschouwing gelaten voor de bepaling van de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied. Dit geldt zowel voor de berekening in bijlage 19 als voor de berekening in de reactie van de raad op de zienswijze van [appellant] en anderen.
Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.
15.3. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat er sprake zal zijn van een ontoelaatbare parkeerdruk als de parkeerplaatsen die gereserveerd zijn, buiten beschouwing worden gelaten. De Afdeling overweegt daartoe dat de raad in de reactie op de zienswijze van [appellant] en anderen heeft berekend dat er in de directe omgeving van het plangebied maximaal 126,52 parkeerplaatsen bezet zullen zijn als het appartementencomplex is gerealiseerd. Uitgaande van 151 parkeerplaatsen is de parkeerdruk dan 84%.
In hun zienswijze stellen [appellant] en anderen dat er drie gehandicaptenparkeerplaatsen liggen in de secties die geheel binnen de loopafstand van 200 m van de ingang van het voorziene appartementencomplex liggen. Daarnaast zijn er in deze secties twee parkeerplaatsen gereserveerd voor elektrisch laden. Zonder de vijf parkeerplaatsen waar [appellant] en anderen op hebben gewezen, blijven er 146 parkeerplaatsen over. Met een bezetting van 126,52 parkeerplaatsen is de parkeerdruk dan 86%. Hoewel deze parkeerdruk hoger is, blijft deze nog altijd onder de door de raad gehanteerde maximale parkeerdruk van 90%.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
De meetmomenten
16. [appellant] en anderen betogen dat de raad nog altijd niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de maximale parkeerdruk na de realisatie van het appartementencomplex zal zijn tijdens de maatgevende momenten. Daarvoor voeren zij eerst aan dat de parkeerdruk in de omgeving hoog is. Daarbij verwijzen zij naar verschillende foto’s, waarop te zien is dat er in verschillende secties veel auto’s geparkeerd zijn.
Daarnaast voeren zij aan dat de parkeertellingen op vrijdagmiddag niet hebben plaatsgevonden tijdens het vrijdagmiddaggebed van de stichting Amal. Uit de gebedstijden op de website van de stichting Amal blijkt dat het drukstbezochte vrijdagmiddaggebed, de Dhoehr, op 14 februari, 7 maart en 14 maart 2025 startte om 12:58, 12:55 en 12:53. Maar de metingen hebben plaatsgevonden tussen 14:00 en 15:00. Bovendien zijn de metingen op 7 en 14 maart 2025 gedaan tijdens de Ramadan. Om een goed beeld te krijgen van de parkeerdruk tijdens de Ramadan had gemeten moeten worden in de avond, zo stellen [appellant] en anderen.
[appellant] en anderen voeren verder aan dat niet gemeten is tijdens de donderdagavond, terwijl dit in de metingen van 2023 nog het moment was met de hoogste berekende parkeerdruk in de toekomstige situatie. Daarnaast is niet gemeten tijdens de woensdagmiddag als de school om 12:30 uitgaat. Ook betogen [appellant] dat onvoldoende in kaart is gebracht wat de parkeerdruk is op de momenten dat er lessen van de sportschool Tsuyoi zijn in de gymzaal van basisschool het Kristal.
16.1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad aanvullende parkeertellingen laten verrichten. Er hebben parkeertellingen plaatsgevonden op:
- vrijdag 14 februari, 7 maart en 14 maart 2025 tussen 14:00 en 15:00;
- zaterdag 15 februari, 8 maart en 15 maart 2025 tussen 14:00 en 15:00, en tussen 19:00 en 20:00;
- dinsdag 18 februari, 4 maart en 11 maart 2025, tussen 08:00 en 09:00, 15:00 en 16:00, 19:00 en 20:00 en 23:00 en 00:00.
16.2. In de reactie van de raad op de zienswijze van [appellant] en anderen zijn parkeertellingen betrokken die binnen de gemeente Rijswijk periodiek worden uitgevoerd. Dit gaat om parkeertellingen op:
- donderdag 11 mei 2023, tussen 00:00 en 06:00, 09:30 en 12:30, 13:30 en 16:30 en 18:30 en 21:30;
- zaterdag 13 mei 2023, tussen 13:30 en 16:30 en 18:30 en 21:30;
- donderdag 11 april 2024, tussen 10:00 en 12:00, 14:00 en 16:00, en 18:30 en 20:30;
- vrijdag 12 april 2024, tussen 01:00 en 05:00;
- zaterdag 13 april 2024, tussen 14:00 en 16:00, en 19:00 en 21:00
16.3. Gelet op de starttijden van het vrijdagmiddaggebed van stichting Amal hebben de parkeertellingen ongeveer één tot twee uur na de start van het vrijdagmiddaggebed plaatsgevonden. Voor zover het middaggebed niet meer bezig was tijdens de metingen, is er in ieder geval gemeten op het moment dat het vrijdagmiddaggebed net is afgelopen. De Afdeling acht het daardoor aannemelijk dat er op de gemeten momenten in de omgeving nog een representatief beeld was van de parkeerdruk die ontstaat als gevolg van de bezoekers van het vrijdagmiddaggebed. Daarbij hebben de metingen op de vrijdagmiddag plaatsgevonden zowel buiten als tijdens de Ramadan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende onderzocht of de parkeerdruk die bestaat tijdens het vrijdagmiddaggebed bij de stichting Amal, als maatgevend moet worden beschouwd.
De raad heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij geen reden ziet om verder onderzoek te laten doen naar de parkeerdruk tijdens de Ramadan. De Ramadan is namelijk geen maatgevend moment, omdat dit een incidenteel evenement in het jaar is. Daarnaast hebben er parkeertellingen plaatsgevonden rondom de gebedstijden tijdens de Ramadan. Zo zijn er parkeertellingen uitgevoerd op de dinsdag- en zaterdagavond, rondom de tijd van het avondgebed. Uit de berekeningen blijkt dat ook op die momenten de parkeerdruk in de toekomstige situatie niet boven de 90% uit zal komen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hierin terecht aanleiding gezien om geen verder onderzoek te laten doen naar de parkeerdruk tijdens de Ramadan.
De Afdeling ziet in wat is aangevoerd, verder geen aanleiding om aan te nemen dat de parkeerdruk tijdens het uitgaan van de school op woensdagmiddag groter is dan op de gemeten momenten op dinsdagochtend en -middag. Uit de zienswijze van [appellant] en anderen blijkt daarnaast dat op de dinsdagavond drie lessen van de sportschool Tsuyoi plaatsvinden. Twee daarvan eindigen om 19:30 en 19:45. Deze eindtijden vallen binnen het tijdvak waarin de parkeertellingen op dinsdagavond plaats hebben gevonden. Niet gebleken is dat de bezetting van de judoschool op andere momenten in de week voor een grotere parkeerdruk zorgt. In zijn reactie op de zienswijze van [appellant] en anderen heeft de raad ook aanvullende parkeertellingen op de donderdagavond aangeleverd.
Ook ziet de Afdeling in de door [appellant] en anderen overgelegde foto’s geen reden om aan te nemen dat er een hogere parkeerdruk in de omgeving aanwezig is dan tijdens de parkeertellingen. Deze foto’s maken weliswaar inzichtelijk dat op verschillende momenten op verschillende locaties parkeerplaatsen bezet zijn, maar er ontbreekt een totaaloverzicht van hoeveel parkeerplaatsen er in de directe omgeving van het plangebied op enig moment bezet zijn. Uit de data en tijdstippen die bij de foto’s zijn aangegeven, blijkt namelijk dat niet alle parkeerplaatsen binnen de directe omgeving van het plangebied op hetzelfde moment in beeld zijn gebracht. Daarnaast is niet op alle foto’s vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen er in totaal bezet en beschikbaar zijn.
De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, daarom geen grond voor het oordeel dat de parkeertellingen niet tijdens de maatgevende momenten hebben plaatsgevonden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep tegen het herstelbesluit
17. Gelet op wat hiervoor onder 14.5 van deze einduitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] en anderen tegen het herstelbesluit gegrond. Dit besluit moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Omdat de raad, gelet op wat hiervoor onder 14.6 van deze einduitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het herstelbesluit inmiddels heeft hersteld en zoals de Afdeling onder 15 en 16 van deze einduitspraak heeft overwogen, de overige betogen tegen het herstelbesluit niet slagen, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb geheel in stand laten. Dit betekent dat het bestemmingsplan, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, onherroepelijk wordt en kan worden uitgevoerd.
De proceskosten
18. De raad moet de proceskosten vergoeden. Wat betreft de reiskosten geldt dat gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 een kilometervergoeding wordt toegekend van € 0,28 per kilometer indien reizen met het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is, en verblijfkosten tot ten hoogste € 37,85 per dag. Onder deze forfaitaire vergoeding voor de verblijfkosten vallen onder meer de parkeerkosten.
De Afdeling gaat voor de reiskosten uit van een kilometervergoeding. [appellant] heeft samen met [gemachtigde A] gereisd en [gemachtigde A] kon vanwege haar lichamelijke gesteldheid niet met het openbaar vervoer reizen. De woning van [appellant] staat op ongeveer 11 km van de Afdeling. Daarom moeten per zitting reiskosten vergoed worden van 22 km vermenigvuldigd met € 0,28. Dat is een bedrag van € 6,16. Dit bedrag moet twee keer vergoed worden: één keer vanwege de zitting van 4 november 2024 in aanloop naar de tussenuitspraak en één keer vanwege de zitting van 2 december 2025. In totaal zijn de reiskosten daarom € 12,32.
[appellant] en anderen hebben verzocht om vergoeding van de parkeerkosten voor de zitting van 2 december 2025. De Afdeling ziet aanleiding om een vergoeding van € 15,16 aan parkeerkosten toe te kennen.
[appellant] en anderen hebben verzocht om vergoeding van de verletkosten van [appellant] voor de zitting van 2 december 2025. De Afdeling overweegt dat [appellant] ter onderbouwing hiervan gesteld heeft rijksambtenaar in schaal 12 te zijn, maar dit, of zijn uurloon, niet met gegevens heeft onderbouwd. Daarom wordt in dit geval voor de verletkosten uitgegaan van een forfaitair bedrag van € 9,00 per uur en het forfaitair vastgestelde aantal van zes uren. In totaal zijn de verletkosten daarom € 54,00.
Gelet op het voorgaande zijn de proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen € 81,48.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Rijswijk van 27 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Godfried Bomansstraat’ gegrond;
II. vernietigt dat besluit;
III. verklaart het beroep tegen het herstelbesluit van de raad van de gemeente Rijswijk van 20 mei 2025 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ‘Godfried Bomansstraat’ gegrond;
IV. vernietigt dat besluit;
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder III vermelde besluit geheel in stand blijven;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Rijswijk tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 81,48, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Rijswijk aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 184,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.
w.g. Gundelach
voorzitter
w.g. Brouwers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
1080