ECLI:NL:RVS:2026:2414

ECLI:NL:RVS:2026:2414

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202504951/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 2 mei 2024 heeft de burgemeester van Breda de woning aan de [locatie] in Breda voor 3 maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [appellant sub 2] huurt een woning aan de [locatie] in Breda (de woning). De burgemeester heeft [appellant sub 2] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet overeenkomstig de door hem vastgestelde Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda 2022. De sluiting is ingegaan op 16 juli 2024 en op 16 oktober 2024 geëindigd. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. In hoger beroep staat alleen de evenredigheid van de sluiting van de woning ter discussie.

Uitspraak

202504951/1/A3.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de burgemeester van Breda,

2. [appellant sub 2], wonend in Breda,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 14 augustus 2025 in zaak nr. 24/8277 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2024 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Breda voor 3 maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de burgemeester het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 2 mei 2024 herroepen en de burgemeester veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.814,00.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2026, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.S. Namjesky, advocaat in Breda, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 2] huurt een woning aan de [locatie] in Breda (de woning). De burgemeester heeft [appellant sub 2] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet overeenkomstig de door hem vastgestelde Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda 2022. De sluiting is ingegaan op 16 juli 2024 en op 16 oktober 2024 geëindigd.

2. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. In hoger beroep staat alleen de evenredigheid van de sluiting van de woning ter discussie.

Wat heeft de burgemeester besloten?

3. De sluiting van de woning berust op een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 27 februari 2024. In deze bestuurlijke rapportage van 27 februari 2024 staat vermeld dat de politie op 10 augustus 2023 de woning heeft doorzocht. Verspreid in de woning zijn volgens de rapportage de volgende verdovende middelen en goederen aangetroffen: 7 zakken MDMA kristallen, 2 blokken hash, 1 blok cocaïne met opdruk JGL, een zakje met gele XTC-pillen, 1 blok cocaïne, 3 blokken hash, 2 zakjes met gele XTC-pillen, een sealapparaat, een meetapparaat met wit poeder en € 3.855,00 contant geld. In totaal gaat het om 7 kg cocaïne, 14 kg MDMA en 125 g XTC-pillen. De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien om de woning voor drie maanden te sluiten.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sluiting van de woning noodzakelijk en evenwichtig is. Gegeven de beperkte noodzaak om tot de sluiting van de woning over te gaan, samengenomen met de verminderde verwijtbaarheid van [appellant sub 2], heeft de burgemeester volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom in dit geval sluiting na het aanzienlijke tijdsverloop van elf maanden nog opportuun was.

Toetsingskader

5. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.

Gronden en beoordeling hoger beroep burgemeester

6. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de noodzaak van de woningsluiting onvoldoende was onderbouwd. In de woning zijn soft- en harddrugs met een potentiële verkoopwaarde van € 600.000 aangetroffen. Ook zijn er goederen die wijzen op handel, zoals een meetapparaat met wit poeder, een sealapparaat en € 3.855 contant geld aangetroffen. Op basis van deze omstandigheden mag hij aannemen dat de woning betrokken was bij drugshandel. Aanvullende politiewaarnemingen, meldingen of overlastsignalen zijn volgens de burgemeester niet vereist om de noodzaak van de sluiting aan te mogen nemen. De burgemeester betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant sub 2] redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. De drugs lagen verspreid in verschillende ruimtes in de woning, wat erop wijst dat de drugs al langere tijd in de woning aanwezig waren, en [appellant sub 2] was maar tien dagen met vakantie. Het feit dat [appellant sub 2] zijn huissleutels aan een derde had gegeven neemt zijn verwijtbaarheid niet weg. Tot slot wijst de burgemeester erop dat [appellant sub 2] na de sluiting naar de woning kon terugkeren en dat een eventuele registratie op een zwarte lijst beperkt blijft tot de betrokken woningcorporatie.

6.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom in dit geval sluiting na het aanzienlijke tijdsverloop van elf maanden nog opportuun was. De Afdeling volgt het betoog van de burgemeester niet dat gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen soft- en harddrugs kan worden aangenomen dat de openbare orde elf maanden na de inval nog is verstoord, waardoor sluiting nog geschikt en noodzakelijk is. In dit geval is de woningsluiting pas elf maanden na het constateren van de overtreding op 10 augustus 2023 geëffectueerd en is er in de tussenliggende periode niets relevants is voorgevallen. Bij gebrek aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van dit geval mag worden verondersteld dat door dit tijdsverloop de situatie ter plaatse al is hersteld en de negatieve effecten van de overtreding, waaronder de mogelijke rol van de woning in het criminele drugscircuit, ongedaan zijn gemaakt. Bovendien heeft de burgemeester verklaard dat recidive zich niet voordoet.

6.2. Het betoog van de burgemeester slaagt in zoverre niet.

6.3. De rechtbank heeft alleen al hierom terecht het beroep van [appellant sub 2] gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2024 vernietigd en het besluit van 2 mei 2024 herroepen. De Afdeling begrijpt dat de hele procedure op [appellant sub 2] een grote impact heeft gehad. De Afdeling overweegt in dit verband dat zij de overwegingen 32 tot en met 35 van de rechtbank over de verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van [appellant sub 2] ten volle onderschrijft.

6.4. De overige hogerberoepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Incidenteel hoger beroep [appellant sub 2]

7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure buiten beschouwing heeft gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank niet onderkend dat de wegingsfactor in deze zaak 1,5 "zwaar" moet zijn vanwege de complexiteit van de zaak.

7.1. Voor de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, volgens de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), punten toegekend aan verrichte proceshandelingen. In bijlage A bij het Bpb is limitatief bepaald welke proceshandelingen voor vergoeding in aanmerking komen. In bezwaar gaat het om twee proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen, te weten het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen bij de hoorzitting. Voor elk van deze handelingen wordt 1 punt toegekend. Per punt wordt volgens genoemde bijlage een forfaitair bedrag van € 666,00 toegekend, wat neerkomt op € 1.332,00. [appellant sub 2] heeft in het bezwaarschrift van 3 mei 2024 verzocht om vergoeding van proceskosten gemaakt in de bezwaarprocedure. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de burgemeester ten onrechte niet in de proceskosten in bezwaar veroordeeld.

7.2. Het betoog slaagt in zoverre.

7.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:829, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld als bedoeld in onderdeel C.1 van de bijlage bij van het Bpb, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor de conclusie dat de behandeling van een zaak als hier aan de orde, te weten een beroepsprocedure tegen de toepassing van een last onder bestuursdwang, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor 3 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, niet tot de categorie gemiddeld behoort.

7.4. Het betoog slaagt in zoverre niet.

7.5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de burgemeester ten onrechte niet in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.332,00 - namelijk 2 punten voor de in bezwaar verrichte proceshandelingen en voor elke punt een bedrag van € 666,00 - heeft veroordeeld.

Conclusie

8. Het hoger beroep van de burgemeester is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de burgemeester heeft veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.814,00. De Afdeling zal doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de burgemeester veroordelen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.200,00. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

9. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.

10. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet griffierecht van de burgemeester worden geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Breda ongegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-­Brabant van 14 augustus 2025 in zaak nr. 24/8277, voor zover zij de burgemeester heeft veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.814,00;

IV. veroordeelt de burgemeester van Breda tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.200,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

VI. veroordeelt de burgemeester van Breda tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.843,41, waarvan € 2.802,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 41,41 aan reiskosten;

VII. bepaalt dat van de burgemeester van Breda een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

735-1101

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W. Dijkshoorn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand