ECLI:NL:RVS:2026:2418

ECLI:NL:RVS:2026:2418

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202406914/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de aanvraag van [appellanten] om een uittreksel historische adressen afgewezen. [appellanten] hebben op 8 december 2023 verzocht om een uittreksel uit de basisregistratie personen van hun historische adressen. Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college geweigerd deze uittreksels te verstrekken. Bij brief van 8 februari 2024 hebben [appellanten] het college in gebreke gesteld. Bij brief van 27 mei 2024 heeft het college de gemachtigde verzocht te onderbouwen dat het verlenen van rechtsbijstand zijn duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening is. De uittreksels waar om is verzocht, zijn alsnog aan [appellanten] verstrekt. Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college de bezwaarschriften van [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belang daarbij meer zouden hebben. Voor zover verzocht is om vergoeding van de gemaakte proceskosten, zal het college een apart besluit nemen, omdat meer informatie nodig is.

Uitspraak

202406914/1/A3.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2024 in zaak nr. 24/6077 in het geding tussen:

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college de aanvraag van [appellanten] om een uittreksel historische adressen afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten afgewezen.

Bij uitspraak van 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11547, heeft de rechtbank het door [appellanten] ingestelde beroep voor zover dit ziet op het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep gericht tegen de besluiten van 28 mei en 27 juni 2024 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 maart 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellanten] hebben op 8 december 2023 verzocht om een uittreksel uit de basisregistratie personen van hun historische adressen. Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college geweigerd deze uittreksels te verstrekken. Bij brief van 8 februari 2024 hebben [appellanten] het college in gebreke gesteld. Bij brief van 27 mei 2024 heeft het college de gemachtigde verzocht te onderbouwen dat het verlenen van rechtsbijstand zijn duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening is. De uittreksels waar om is verzocht, zijn alsnog aan [appellanten] verstrekt. Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college de bezwaarschriften van [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belang daarbij meer zouden hebben. Voor zover verzocht is om vergoeding van de gemaakte proceskosten, zal het college een apart besluit nemen, omdat meer informatie nodig is. Op 31 mei 2024 heeft de gemachtigde een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd en het college wederom in gebreke gesteld. Bij brief van 13 juni 2024 heeft het college de gemachtigde om aanvullende informatie gevraagd en de beslistermijn tot die tijd aangehouden. Bij brief van 22 juni 2024 heeft de gemachtigde aanvullende informatie aangeleverd bij het college. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten afgewezen, omdat de gemachtigde volgens het college onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van professioneel verleende rechtsbijstand.

Hoger beroep

2. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college aan [appellanten] ieder € 1.442,00 aan dwangsommen is verschuldigd. De rechtbank heeft het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:748, verkeerd toegepast. Uit dat arrest volgt dat het verzoek om een proceskostenvergoeding niet los gezien kan worden van een bezwaarprocedure. Door eerst bij besluit van 28 mei 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en vervolgens pas op 27 juni 2024 over de proceskosten te beslissen, heeft het college niet tijdig op het bezwaar beslist. Daarbij voeren zij aan dat zij pas op 28 oktober 2024 via de rechtbank op de hoogte werden gesteld van het aanvullende besluit op bezwaar van 27 juni 2024 over de proceskostenvergoeding. Het college heeft geen verzendbewijs overgelegd. Dit heeft tot gevolg dat het college tweemaal de volledige dwangsom heeft verbeurd. Met het alsnog verstrekken van de uittreksels is het besluit van 24 januari 2024 namelijk komen te vervallen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8404, volgt dat het niet mogelijk is het besluit op bezwaar te vernietigen en het nemen van het nieuwe besluit afhankelijk te stellen van nader onderzoek. Dat doet het college hier wel volgens [appellanten].

2.1. Artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: "De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen."

2.2. Het college diende op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb binnen zes weken na de dag waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift was verstreken een besluit te nemen op het bezwaarschrift. Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

2.3. In dit geval hebben [appellanten] op 8 december 2023 verzocht om een uittreksel historische adressen. Het college heeft bij besluit van 24 januari 2024 op deze aanvraag beslist. Op 2 maart 2024 hebben [appellanten] hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 6 maart 2024 door het college ontvangen. Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college op dit bezwaar beslist, zonder te beslissen over de proceskostenvergoeding. Daarmee heeft het college op grond van artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb tijdig beslist. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college, na het opvragen van aanvullende informatie, het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De rechtbank heeft op goede gronden verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:748. Uit dat arrest volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, omdat dit verzoek zodanig is verweven met het besluit op bezwaar dat het daarvan niet kan worden losgemaakt. Om die reden is de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Awb daarop niet van toepassing. Een besluit over proceskosten complementeert het algenomen besluit op bezwaar. Nog daargelaten of het besluit van 27 juni 2024 hen pas in oktober 2024 heeft bereikt, is een dwangsom bij een apart besluit over proceskosten niet aan de orde. Verder overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat het college op een later moment alsnog de uittreksels heeft verstrekt, niet betekent dat het besluit van 24 januari 2024 is komen te vervallen waardoor een dwangsom verschuldigd zou zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat geen dwangsommen verschuldigd zijn en dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de proceskosten niet-ontvankelijk is.

2.4. Het betoog slaagt niet.

3. Verder betogen [appellanten] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college hun bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2024 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren daartoe aan dat met het alsnog verstrekken van de uittreksels tegemoet is gekomen aan hun bezwaar, waardoor hun bezwaren gegrond verklaard hadden moeten worden.

3.1. De Afdeling stelt vast dat het college in het besluit van 28 mei 2024 heeft toegelicht dat het naar aanleiding van de bezwaren alsnog de uittreksels heeft verstrekt. Omdat het college op grondslag van de bezwaren heeft besloten de uittreksels alsnog te verstrekken, had het college de bezwaren gegrond moeten verklaren en het besluit van 24 januari 2024 moeten herroepen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

3.2. Het betoog slaagt.

4. Tot slot betogen [appellanten] dat het college een vergoeding had moeten toekennen voor de door hen gemaakte proceskosten in bezwaar. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is volgens hen sprake van professionele rechtsbijstand. Hun gemachtigde heeft wel degelijk een juridische opleiding afgerond en ondersteunen dit met een kopie van zijn HBO-diploma rechten. Op de zitting bij de Afdeling heeft de gemachtigde nog de stelling betrokken dat hij beschikt over een meestertitel.

4.1. Op grond van artikel 7:15, eerste lid, van de Awb bestaat recht op vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarvoor is vereist dat het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.2. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb bepaalt dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

4.3. In wat [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en de onder 5.3 opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat het overleggen van het diploma HBO-rechten van de gemachtigde niet afdoet aan wat de rechtbank hierover verder heeft overwogen. Uit de dossierstukken volgt dat de gemachtigde de neef is van [appellanten]. De Afdeling acht daarbij ook van belang dat de gemachtigde, na herhaaldelijke verzoeken van het college en van de rechtbank, niet heeft aangetoond in hoeverre het verlenen van juridische dienstverlening zijn duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening is. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college terecht geen vergoeding heeft toegekend voor de door hen gemaakte proceskosten in bezwaar.

4.4. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 mei 2024 ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [partij] tegen het besluit van het college van 28 mei 2024 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 24 januari 2024 te herroepen. Verder zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 mei 2024. De uitspraak van de rechtbank moet voor het overige worden bevestigd. De procedure is hiermee beëindigd.

6. Gelet op wat onder 4.3 is overwogen, is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2024 in zaak nr. 24/6077, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 mei 2024 ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het beroep tegen het besluit het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 28 mei 2024, kenmerk A.B.2024.4.02771 en 2024.4.02772/LA, gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. herroept het besluit van 24 januari 2024, kenmerk 839869-2023/839876-2023

VI. verklaart het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 28 mei 2024, kenmerk A.B.2024.4.02771 en 2024.4.02772/LA, gegrond;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Westerbaan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

1050

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.D. Westerbaan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand