202404267/1/R2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Hoogeloon, gemeente Bladel,
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
en
de raad van de gemeente Bladel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014, derde herziening 2022" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 4 maart 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J. van de Riet, advocaat in Utrecht, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.M.O. Coolen, advocaat in Maastricht, en [persoon A] en [persoon B] zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 12 oktober 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. De raad heeft de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014" vastgesteld om een aantal omissies uit het oorspronkelijke plan te herstellen, vergunningen te borgen en een aantal nieuwe bestemmingen in het plangebied mogelijk te maken. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben allebei beroep ingesteld tegen het plan.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroep [appellant sub 1]
4. [appellant sub 1] betoogt dat het besluit tot vaststelling van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de raad geen bouwvlak voor zijn stal op [locatie] in het plan heeft opgenomen. Hij voert hierover aan dat de vergunning voor de stal weliswaar niet meer te vinden is, maar aangezien de stal er al 93 jaar staat had de raad beter moeten onderbouwen waarom het opnemen van de stal in het bestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. De raad mocht niet enkel verwijzen naar het ontbreken van de vergunning. Hierbij verwijst [appellant sub 1] naar de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1512), onder 16.8.
4.1. In de beoordeling van de zienswijzen bij de herziening van het bestemmingsplan heeft de raad het verzoek van [appellant sub 1] om de stal als zodanig te bestemmen als een nieuwe ontwikkeling aangemerkt en als zodanig ook beoordeeld.
De raad acht deze nieuwe ontwikkeling niet passend op deze locatie, omdat deze niet behoort tot een bebouwingsconcentratie en nieuwvestiging buiten zo’n gebied niet wenselijk is. Daarnaast blijkt uit de stukken en wat op zitting naar voren is gekomen dat de ontwikkeling ook niet passend is omdat de stal het zicht voor fietsers verhindert op het naastgelegen fietspad.
4.2. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat het [appellant sub 1] gaat om de bestemming van een agrarisch bouwvlak en niet om een woonbestemming, waarvan in de stukken ook wel wordt gesproken. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de stal in voorgaande bestemmingsplannen als zodanig bestemd is of onder de bescherming van het overgangsrecht valt, dan wel vergund is, zodat de stal op grond daarvan onder het overgangsrecht kon komen te vallen. Daarom heeft de raad het verzoek om een bouwvlak toe te kennen voor de stal mogen beoordelen als een nieuwe ontwikkeling, ondanks dat de stal er al 93 jaar staat.
4.3. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad zich op het standpunt stellen dat een stal op deze locatie niet passend is. De raad mocht hierbij van belang achten dat een nieuw bouwvlak buiten een bebouwingsconcentratie niet wenselijk is. Nieuwe ontwikkelingen zijn namelijk alleen mogelijk in bestaande bouwvlakken. Dit volgt ook uit het gemeentelijk beleid als neergelegd in de plattelandsnota die aan het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014" ten grondslag lag. Verder mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de stal op deze locatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, vanwege de ligging van het fietspad.
5. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het college in haar brief van 28 januari 2014 heeft toegezegd mee te zullen werken aan de verplaatsing van de stal naar een locatie die de verkeersveiligheid verbetert en dat hij erop kon vertrouwen dat de raad daarom mee zou werken aan een passende bestemming voor deze stal, oordeelt de Afdeling als volgt.
5.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe.
Verder is vereist dat die uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken, kunnen handelingen van het college en gemeenteambtenaren de raad alleen binden als hij daarmee instemt.
5.2. Uit de brief van het college blijkt welwillendheid om mee te werken aan de planwijziging die [appellant sub 1] voorstelt. Nog daargelaten of dit een toezegging inhoudt dat het college aan de planwijziging mee zou werken, beslist de raad over een wijziging van het plan. Uit de brief blijkt niet dat de raad zou meewerken aan een planwijziging of dat de door het college aangegeven medewerking kon worden toegerekend aan de raad. [appellant sub 1] kon er dan ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat uit de brief van het college volgt dat ook de raad zou meewerken aan een eventuele verplaatsing van de stal.
Het betoog slaagt niet.
Overigens merkt de Afdeling op dat de verplaatsing van de stal een nieuwe ontwikkeling betreft die [appellant sub 1] in de zienswijze weliswaar heeft genoemd, maar die hij niet verder zodanig concreet heeft gemaakt dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan kon beoordelen.
6. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de positieve bestemming van het bouwwerk aan de Dijkstraat als ‘schuilgelegenheid’ in het plan heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor dit bouwwerk wel een vergunning was verleend.
Aangezien niet gebleken is van een vergunning voor de stal op [locatie], is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie niet dezelfde is als de situatie die nu aan de orde is.
Het betoog slaagt niet.
Beroep [appellant sub 2]
7. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de plangrens zijn perceel in tweeën splitst. Hij voert hierover aan dat zijn perceel op het grensgebied van het buitengebied en een woongebied ligt. Ten noorden en ten westen grenst zijn perceel deels aan de bestemming "Wonen". Als de bebouwingsconcentraties op de rest van de Castersedijk worden gevolgd, dan is het logisch om de plangrens te verleggen.
7.1. De Afdeling stelt vast dat een deel van het perceel dat [appellant sub 2] aanhaalt onder het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014" valt en de bestemming "Agrarisch" heeft. Het andere deel valt onder het bestemmingsplan "Kom Hapert 2021" en heeft de bestemming "Groen". De voorliggende herziening brengt hier geen verandering in.
7.2. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Gelet op wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. Zij betrekt daarbij dat uit de stukken en op zitting niet is gebleken dat er een zodanige ruimtelijke samenhang is dat de raad de begrenzing van het bestemmingsplan anders had moeten leggen. Het enkele feit dat de kadastrale grens van het perceel niet aansluit bij de begrenzing van het bestemmingsplan is niet voldoende om een zodanige ruimtelijke samenhang aan te nemen. Hierbij wijst de Afdeling ook op de verschillende bestemmingen voor de verschillende delen van het perceel, die ook zijn opgenomen in verschillende bestemmingsplannen. Ook het feit dat het perceel grenst aan bebouwde gebieden maakt niet dat de begrenzing van het bestemmingsplan anders had moeten liggen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. De beroepen zijn ongegrond.
9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
723-1192