202405664/1/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Rotterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2024 in zaak nr. 23/6724 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie 1] in Rotterdam (de woning) voor de duur van een maand gesloten op grond van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet.
Bij besluit van 28 augustus 2023 heeft de burgemeester het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.C. Avedissian en mr. J.P. Langenbach, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] zijn eigenaar van de woning en wonen daar met hun gezin. De burgemeester heeft besloten om de woning op 24 februari 2023 voor de duur van een maand te sluiten op grond van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. Met het besluit van 28 augustus 2023 is de burgemeester hierbij gebleven.
2. De sluiting van de woning berust op een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 24 februari 2023. In deze bestuurlijke rapportage staat dat op 24 februari 2023 brand is gesticht/een (mislukte) aanslag is gepleegd voor de woning. Daarbij is volgens de brandweer gebruikgemaakt van een fles benzine in combinatie met vuurwerk. Vermoedelijk betrof het vuurwerk een cobra 6 die niet op de juiste wijze is ontploft. Ter plaatse was een brandplek voor de deur van de woning zichtbaar. Ook was er een grijze waas op de gevel van de woning zichtbaar, wat vermoedelijk door de rook is veroorzaakt. De politie vermoedt dat de brandstichting te maken heeft met een familieruzie. Er zijn namelijk 125 registraties bekend die te maken hebben met de woning, met name onderlinge ruzie in de familie en geweldszaken. Op 17 februari 2023 is er een explosie geweest bij een ander pand, op korte afstand van de woning. Bij de politie bestaat het vermoeden dat deze incidenten met elkaar te maken hebben en te herleiden zijn tot de familie van [appellanten]. Volgens de politie mag worden aangenomen dat er niet alleen een waarschuwing moest worden afgegeven op het adres, maar dat het de doelstelling was om zoveel mogelijk schade aan te richten of om daadwerkelijk slachtoffers te maken. Volgens de politie zal het uitblijven van stringente maatregelen op dit adres de openbare orde en veiligheid ernstig verstoren, met daarbij mogelijk (dodelijke) slachtoffers onder bezoekers of omwonenden. Er bestaat een grote vrees voor herhaling, omdat vooralsnog volledig onduidelijk is wat de aanleiding is geweest voor de brandstichting, aldus de politie in de bestuurlijke rapportage.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester, op het moment dat hij het noodbevel uitvaardigde, zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van ernstige wanordelijkheden en dat er ernstige vrees bestond voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden, als bedoeld in artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat sprake was van een concrete indicatie van een risico voor een levensbedreigende situatie waarmee een inbreuk ontstaat op het recht op leven. Het besluit van 28 augustus 2023 voldoet volgens de rechtbank ook aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, waardoor de beperking van het woonrecht van [appellanten] aanvaardbaar is met het oog op de positieve verplichting die de Staat heeft om geschikte stappen te nemen om het recht op leven van individuen binnen zijn rechtsmacht te beschermen.
Gronden en beoordeling hoger beroep
4. [appellanten] betogen dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te toetsen aan het criterium "van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen". Dit is namelijk niet het criterium dat de burgemeester in zijn besluit van 28 augustus 2023 heeft gebruikt en het lag dus niet ter beoordeling voor. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte de burgemeester bevoegd heeft geacht om het noodbevel te geven. De enkele omstandigheid dat het onderzoek naar de dader(s) nog liep en onduidelijk was waarom de explosie had plaatsgevonden is onvoldoende voor de conclusie dat er vrees is voor andere ernstige wanordelijkheden. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte de explosie op 17 februari 2023 aan de [locatie 2] van belang geacht, omdat er geen verband aannemelijk is gemaakt met het incident op 23 februari 2023. Ook de overige antecedenten van meerdere familieleden zijn onvoldoende om de burgemeester bevoegd te achten, omdat concrete aanknopingspunten met het incident op 23 februari 2023 ontbreken. Op de zitting hebben [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er weliswaar een familievete is, maar dat hun niets te verwijten valt omdat zij niet de boosdoener zijn. Verder betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte geen motiveringsgebrek heeft vastgesteld, omdat de motivering over het subsidiariteitsvereiste pas op de zitting is gegeven en dus niet in de besluitvorming is opgenomen. [appellanten] betogen tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het noodbevel voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. De rechtbank heeft volgens [appellanten] ten onrechte enkel belang gehecht aan de navraag die de burgemeester deed over hun opvang.
Omvang van het geding
5. In artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de bestuursrechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb moet de rechtbank zelf ambtshalve de rechtsgronden aanvullen.
6. De rechtbank is, anders dan [appellanten] betogen, niet buiten de omvang van het geding getreden. De Afdeling volgt het standpunt van de burgemeester dat de besluiten van 24 februari 2023 en 28 augustus 2023 wel degelijk ook gebaseerd zijn op het criterium "van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen". In het besluit van 24 februari 2023 merkt de burgemeester namelijk op dat "het laten afgaan van een zwaar explosief bij een woning in combinatie met benzine en de kans op herhaling hiervan een ernstige wanordelijkheid en een ernstige vrees voor het ontstaan van een ernstige wanordelijkheid oplevert als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet, het betreft immers een zwaar misdrijf, waardoor de levens van zowel bewoners als omwonenden en passanten gevaar kunnen lopen." Met het besluit van 28 augustus 2023 heeft de burgemeester dit besluit gehandhaafd.
7. Het betoog slaagt niet.
Deden zich ernstige wanordelijkheden voor of bestond vrees daarvoor?
8. Artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: "In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken."
9. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3577) impliceert het criterium "ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden" dat aan de burgemeester beoordelingsruimte toekomt. De rechter dient te beoordelen of de burgemeester, op het moment dat hij het noodbevel uitvaardigde, zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden. Bij deze toetsing dient te worden uitgegaan van de informatie die de burgemeester op dat moment ter beschikking kon staan.
10. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich op basis van de in de bestuurlijke rapportage van 24 februari 2023 beschreven explosie redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden. Zoals ook blijkt uit deze bestuurlijke rapportage had de politie geen zicht op de achtergrond van de explosie waardoor het risico op het opnieuw ontstaan van een noodsituatie niet was afgenomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2838, onder 5.4. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat er 125 eerdere incidenten bij de politie staan geregistreerd die verband houden met de woning van [appellanten]. Het gaat vooral om geweldsincidenten, waaronder een schietincident voor de woning van [appellanten] en een grote vechtpartij met bewoners van de woning van [appellanten]. Anders dan [appellanten] stellen, blijkt uit de bestuurlijke rapportage van 24 februari 2023 wel degelijk een verband tussen de explosies op 24 februari 2023 en 17 februari 2023. Beide explosies betreffen namelijk iemand die deel heeft aan de eerder genoemde familieruzie. Dat sprake is van een familieruzie en dat [appellanten] stellen dat hun geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, doet niet af aan het feit dat bij de politie 125 eerdere incidenten met de (bewoners van de) woning van de familie [appellanten] staan geregistreerd en dat de explosies niet als op zichzelf staande incidenten kunnen worden aangemerkt.
11. De betogen slagen in zoverre niet.
12. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat het besluit van 28 augustus 2023 voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, waardoor de beperking van het woonrecht van [appellanten] aanvaardbaar is met het oog op de positieve verplichting die de Staat heeft om geschikte stappen te nemen om het recht op leven van individuen binnen zijn rechtsmacht te beschermen. De Afdeling kan de stelling van [appellanten] dat het besluit van 28 augustus 2023 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de motivering voor het subsidiariteitsvereiste pas op de zitting is gegeven niet volgen. Tijdens de zitting in beroep is enkel een nadere uitleg gegeven van de onder kopje "2.2 Subsidiariteit" opgenomen motivering. De stelling dat de rechtbank enkel belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat opvang voorhanden was kan de Afdeling ook niet volgen. De rechtbank heeft namelijk ook belang gehecht aan de ernst van het incident, de gerede kans op herhaling en de beperkte duur van de sluiting, waarbij de burgemeester de mogelijkheid heeft opengelaten dat hij zijn besluit binnen die beperkte periode kan heroverwegen als informatie vanuit de politie daar aanleiding toe geeft.
13. Het betoog slaagt ook voor het overige niet.
Conclusie
14. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
15. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
735-1101