202402639/2/R4.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Bergharen, gemeente Wijchen,
2. ErfGoed B.V., gevestigd in Heiloo,
3. [appellant sub 3], wonend in Bergharen, gemeente Wijchen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Wijchen,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4811, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 29 februari 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bergharen, Kerkenweide" te herstellen.
Bij besluit van 29 januari 2026 (herstelbesluit) heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan gewijzigd.
De Afdeling heeft [appellant sub 1] en anderen, ErfGoed en [appellant sub 3] in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen.
[appellant sub 1] en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Tussenuitspraak en conclusie beroep
2. Uit wat de Afdeling onder 5.4, 7.3 en 8.2 in de tussenuitspraak heeft overwogen, volgt dat het besluit van 29 februari 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover het betreft de artikelen 5.3.4, 4.3.1, onder a, en 5.3.5 van de planregels, niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling heeft in de bepalingen uiteenlopende gebreken vastgesteld. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is gegrond, zodat dit besluit, voor zover het betreft de genoemde bepalingen, wordt vernietigd.
2.1. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het op 29 februari 2024 elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
2.2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de onder 2 bedoelde gebreken in het bestemmingsplan te herstellen.
Herstelbesluit
3. Met het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd. Hij heeft artikel 5.3.4 van de planregels niet langer nodig geacht. De artikelen 4.3.1, onder a, en 5.3.5 heeft hij geherformuleerd en aangevuld. Artikel 4.3.1, onder a, is artikel 5.3.4 geworden. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Voor [appellant sub 1] en anderen is een beroep van rechtswege ontstaan. Hun zienswijze bevat de gronden van het beroep van rechtswege. Omdat met in ieder geval artikel 5.3.5 voor ErfGoed en [appellant sub 3] nieuwe beperkingen zijn ontstaan, is ook voor hen sprake van een beroep van rechtswege.
Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] en anderen
4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad artikel 5.3.4 van de planregels ten onrechte heeft geschrapt. Zij voeren aan dat het plangebied groter is dan het gebied dat is bezien in de Cultuurhistorische Effectrapportage (CHER) van onderzoeks- en adviesbureau BAAC en dat er flexibel kan worden omgegaan met de plaatsing van de 23 grondgebonden woningen.
4.1. De raad heeft een voorwaardelijke verplichting inzake cultuurhistorische waarden niet langer uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig geacht. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling dit standpunt kunnen innemen. De raad heeft van belang geacht dat uit de CHER al volgt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan de cultuurhistorische waarden niet onevenredig aantasten. In deze zin heeft de Afdeling ook al onder 5.2 van de tussenuitspraak geoordeeld. De raad heeft verder van belang kunnen achten dat in artikel 8 van de planregels voor werken en werkzaamheden met de bestemming "Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied" een beschermende regeling is opgenomen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen erop wijzen dat een deel van het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het door BAAC onderzochte gebied, stelt de Afdeling vast dat dit een klein deel van het plangebied is, gelegen aan de binnenrand en grenzend aan bestaande bebouwing. Daarmee hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet op de conclusie van de CHER heeft kunnen baseren. Ook de mogelijkheid van verschuivingen van woningen leidt niet tot die conclusie. In de verbeelding zijn negen bouwvlakken voor de 23 woningen weergegeven. Per bouwvlak is bepaald hoeveel woningen er kunnen komen. Zodoende is er binnen de bouwvlakken enige flexibiliteit om de woningen te positioneren. Dit maakt echter niet dat er een grote mate van flexibiliteit is bij de keuze van de posities van de woningen. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad door deze flexibiliteit niet heeft kunnen concluderen dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
Het betoog slaagt niet.
5. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich verenigen met de redactie van het nieuwe artikel 5.3.4 van de planregels. Dit punt kan daarom buiten bespreking blijven.
6. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de waterbergingsnorm in artikel 5.3.5 van de planregels onjuist is. In plaats van een waterbergingsnorm van 66,4 mm per m2 verhard oppervlak voor de woonkavels had hier 0,0664 m3 per m2 verhard oppervlak moeten staan. Verder is het uit een oogpunt van rechtszekerheid beter als voor het openbaar gebied ook van die norm wordt uitgegaan in plaats van een waterbergingscapaciteit van minimaal 412 m3.
6.1. Ingevolge artikel 5.3.5 van de planregels zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 29 januari 2026, is het gebruik van gronden en bouwwerken voor de activiteiten als bedoeld in de bestemming "Wonen" uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende regels:
a. in het plangebied wordt voldoende waterberging gerealiseerd zoals benoemd in hoofdstuk 5.11.5 van de toelichting van het bestemmingsplan. Dit betekent dat voor het openbaar gebied, te weten de bestemmingen "Verkeer" en "Groen", voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd moet worden om een bui van T=100+10% op te vangen. Dit betekent dat binnen de gronden die zijn voorzien van de bestemming "Verkeer" en "Groen" een bergingscapaciteit van minimaal 214 m3 gerealiseerd moet worden. Voor de woonkavels zal eveneens voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd moeten worden om een bui van T=100+10% op te vangen. Dit betekent dat per woonkavel een waterbergende voorziening getroffen wordt van 66,4 mm per m2 verhard oppervlak;
b. de waterberging voor het openbaar gebied wordt opgeleverd 1 jaar na start bouw van de eerste woning;
c. de waterberging voor de woonkavels is gereed 1 jaar na de start bouw van de woningen;
d. de waterbergingen als bedoeld onder a worden duurzaam in stand gehouden.
6.2. De benodigde waterbergingscapaciteit staat beschreven in paragraaf 6.4.1 van het ‘Waterhuishoudkundig plan deel 1 met infiltratieonderzoek Kerkenweide te Bergharen’ van Aeres Milieu van 31 oktober 2023, bijlage 11 bij de plantoelichting. Daar staat een norm van 664 m3 per ha verhard oppervlak. [appellant sub 1] en anderen hebben deze norm niet ter discussie gesteld.
De Afdeling overweegt dat de door [appellant sub 1] en anderen genoemde waterbergingsnorm van 0,0664 m3 per m2 verhard oppervlak voor de woonkavels overeenkomt met de in artikel 5.3.5 genoemde 66,4 mm per m2 verhard oppervlak. Zij ziet dan ook niet in waarom de bepaling in dit opzicht gebrekkig zou zijn.
In het rapport van Aeres Milieu en in artikel 5.3.5 van de planregels staat een benodigde bergingscapaciteit van 214 m3 voor het openbaar gebied. De door [appellant sub 1] en anderen genoemde capaciteit van 412 m3 is een kennelijke verschrijving. Voor de berekening van de bergingscapaciteit van 214 m3 is uitgegaan van 3.215 m2 verhard oppervlak in openbaar gebied. [appellant sub 1] en anderen hebben niet gesteld dat de aanname van 3.215 m2 verhard oppervlak in openbaar gebied onjuist is. De raad is op basis van die oppervlakte en de hiervoor genoemde norm terecht uitgekomen op een benodigde capaciteit van 214 m3. Of die capaciteit wordt gerealiseerd, is in de praktijk eenvoudig te toetsen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bepaling in dit opzicht rechtsonzeker is.
Het betoog slaagt niet.
7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het herstelbesluit ongegrond is.
De beroepen van rechtswege van ErfGoed en [appellant sub 3]
8. ErfGoed en [appellant sub 3] hebben over het herstelbesluit geen zienswijze naar voren gebracht. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dat besluit hebben aangevoerd. De van rechtswege ontstane beroepen van ErfGoed en [appellant sub 3] tegen het herstelbesluit zijn daarom ongegrond.
Gevolg van deze uitspraak
9. Met de ongegrondverklaring van de beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit is het planologische kader voor de planontwikkeling Kerkenweide in rechte komen vast te staan. Aan de ontwikkeling kan definitief uitvoering worden gegeven.
Proceskosten
10. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen vergoeden. Voor ErfGoed en [appellant sub 3] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 29 februari 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bergharen, Kerkenweide" gegrond;
II. vernietigt dat besluit voor zover het betreft de artikelen 5.3.4, 4.3.1, onder a, en 5.3.5 van de planregels;
III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, ErfGoed B.V. en [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 29 januari 2026 tot wijziging van het bestemmingsplan "Bergharen, Kerkenweide" ongegrond;
IV. draagt de raad van de gemeente Wijchen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan van 29 februari 2024 dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Wijchen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Wijchen aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
371