ECLI:NL:RVS:2026:2422

ECLI:NL:RVS:2026:2422

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202401930/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Weststellingwerf het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld. Op 29 januari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld. Het plan voorziet in de uitbreiding van het akkerbouwbedrijf van [v.o.f.] dat is gevestigd aan de [locatie] in Steggerda. [v.o.f.] heeft het voornemen om een bewaarloods, een spoelplaats en een bietenstortplaats te realiseren. Hiervoor moet het bouwvlak worden vergroot. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de Steggerdaweg en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Zo heeft de raad in 2017 ook een bestemmingsplan voor dit perceel vastgesteld. In dit plan was het niet mogelijk voor [v.o.f.] om het bedrijf verder uit te breiden. Dit is toentertijd bevestigd door een medewerker van de gemeente. De omwonenden hadden er dan ook op mogen vertrouwen dat het agrarische bedrijf niet verder zou uitbreiden in de toekomst. Het nieuwe bestemmingsplan maakt een uitbreiding van het agrarische bedrijf nu toch wel mogelijk, terwijl dit haaks staat op het vorige bestemmingsplan.

Uitspraak

202401930/1/R3.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen ([appellant sub 1]), wonend in Steggerda, gemeente Weststellingwerf,

2. [appellant sub 2] en anderen ([appellant sub 2]), wonend in Steggerda, gemeente Weststellingwerf,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 januari 2026, waar [appellant sub 1], van wie [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, zijn verschenen. Voorts is op die zitting [v.o.f.] ([v.o.f.]), vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] en[gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 5 september 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Op 29 januari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld. Het plan voorziet in de uitbreiding van het akkerbouwbedrijf van [v.o.f.] dat is gevestigd aan de [locatie] in Steggerda. [v.o.f.] heeft het voornemen om een bewaarloods, een spoelplaats en een bietenstortplaats te realiseren. Hiervoor moet het bouwvlak worden vergroot. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de Steggerdaweg en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Vorige bestemmingsplan

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Zo heeft de raad in 2017 ook een bestemmingsplan voor dit perceel vastgesteld. In dit plan was het niet mogelijk voor [v.o.f.] om het bedrijf verder uit te breiden. Dit is toentertijd bevestigd door een medewerker van de gemeente. De omwonenden hadden er dan ook op mogen vertrouwen dat het agrarische bedrijf niet verder zou uitbreiden in de toekomst. Het nieuwe bestemmingsplan maakt een uitbreiding van het agrarische bedrijf nu toch wel mogelijk, terwijl dit haaks staat op het vorige bestemmingsplan.

4.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] of andere omwonenden geen aanspraak kunnen maken op het niet verder uitbreiden van het agrarische bedrijf, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen uitbreiding toestond. Het feit dat een medewerker van de gemeente bij de vaststelling van het vorige bestemmingsplan aangaf dat het bedrijf onder dat plan niet verder zou kunnen uitbreiden, doet hier dan ook niet aan af.

Het betoog slaagt niet.

Noodzakelijkheid en alternatieve locaties

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de uitbreiding van het agrarische bedrijf op dit perceel niet noodzakelijk is. De uitbreiding zou nodig zijn om meer opslagcapaciteit te creëren voor gewassen, omdat afnemers van landbouwproducten aan akkerbouwers vragen om gewassen langere tijd te bewaren. Deze vraag van afnemers is alleen geen nieuwe ontwikkeling, maar bestond ook al tijdens de vaststelling van het vorige bestemmingsplan. De raad geeft volgens hen te kennen dat het noodzakelijk is voor het voortbestaan van [v.o.f.] om uit te breiden, maar de afgelopen jaren hebben zij deze producten ook al elders kunnen opslaan. Alternatieve locaties in de buurt, zoals leegstaande agrarische bebouwing en de industrieterreinen Noordwolde en Wolvega, zijn ten onrechte niet bekeken. Een alternatieve locatie zal ook zorgen voor minder verkeerbewegingen op de Steggerdaweg.

5.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. De raad moet toereikend motiveren waarom niet voor een alternatief is gekozen.

5.2. De raad heeft toegelicht dat de noodzaak van een grotere opslagcapaciteit op deze locatie enerzijds voortkomt uit afspraken tussen producenten, vervoerders en afnemers over het langer bewaren van gewassen na het oogsten door akkerbouwers om zo piekbelastingen bij de verwerkende industrie te verminderen. Anderzijds hebben de raad en [v.o.f.] gewezen op sinds de vaststelling van het vorige bestemmingsplan veranderde regelgeving in verband met het Actieprogramma Nitraatrichtlijn. De hiermee samenhangende zogenoemde "kalenderlandbouw", waarbij gewassen voor een bepaalde datum moeten worden geoogst, zorgt voor een grotere behoefte aan opslagcapaciteit. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad op grond hiervan de noodzaak van de met het plan mogelijk gemaakte opslag voldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

5.3. Verder heeft de raad toereikend gemotiveerd waarom niet is gekozen voor de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde alternatieve locaties. Zo vallen de twee genoemde industrieterreinen af, omdat er in Noordwolde te weinig ruimte is en het industrieterrein van Wolvega te ver weg ligt. Ook heeft de raad toegelicht dat er geen andere geschikte leegstaande agrarische bebouwing in de omgeving zijn.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Pesticiden

6. [appellant sub 2] betoogt dat zij onaanvaardbare hinder ervaart door het gebruik van pesticiden. Eerst verbouwde [v.o.f.] alleen lente-uitjes, maar inmiddels verbouwt zij ook lelies, pioenrozen, tulpen en suikerbieten. Deze velden grenzen aan de erfgrens van [appellant sub 2]. Op deze velden wordt ook gespoten met pesticiden. Daarnaast is dit toenemende gebruik van pesticiden ook in strijd met het doel van de Europese ‘Green Deal’ om gebruik van pesticiden in de landbouw te verminderen.

Verder is de uitbreiding aan de Steggerdaweg in strijd met de Omgevingsvisie Weststellingswerf (Omgevingsvisie), omdat het hier gaat om ondernemers die werken met chemische gewasbeschermende middelen. In de Omgevingsvisie staat dat de gemeente bij het zoeken naar de balans tussen de groene kwaliteit van het buitengebied en het agrarische belang, altijd als eerste naar de groene kwaliteit zal kijken.

6.1. De Afdeling overweegt dat de gronden waar [appellant sub 2] naar verwijst, buiten het plangebied liggen. Het gebruik van die percelen en de gevolgen van dat gebruik kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De beroepsgrond over het gebruik van pesticiden op die percelen kan daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

6.2. De door [appellant sub 2] aangehaalde passage op pagina 41 van de Omgevingsvisie gaat niet over het vaststellen van bestemmingsplannen, maar over het door de gemeente bevorderen van samenwerking tussen natuur- en landschapsbeherende organisaties en boeren bij de uitvoering van subsidie- en stimuleringsregelingen. Daarom kan op grond van de door [appellant sub 2] aangehaalde passage niet worden geconcludeerd dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Verkeersveiligheid

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat als gevolg van het plan meer verkeersoverlast zal ontstaan. Op dit moment veroorzaken zowel stilstaande als in- en uitdraaiende vrachtwagens voor het perceel van [v.o.f.] al voor overlast. Door de uitbreiding van het bedrijf zal, met name tijdens de oogstperiodes, het vrachtverkeer flink toenemen. Hierdoor zullen er nog meer stilstaande vrachtwagens op de Steggerdaweg komen te staan, wat leidt tot gevaarlijke verkeerssituaties.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid juist toeneemt met dit bestemmingsplan. Het erf op het perceel zal groter worden. Hierdoor zullen vrachtwagens op het erf kunnen laden en lossen, en zullen de vrachtwagens ook op het erf kunnen wachten. In de huidige situatie moeten vrachtwagens aan de zijkant van de weg voor het perceel wachten. Verder heeft de raad toegelicht dat bij de aanvraag door [v.o.f.] kenbaar is gemaakt dat de hoeveelheid geoogste gewassen die in de loods worden bewaard, niet zal toenemen, waardoor het plan niet zal leiden tot een significante toename aan verkeersbewegingen. Verder zullen de verkeersbewegingen meer gespreid plaatsvinden, doordat de geoogste gewassen langer bewaard kunnen blijven in de loods.

7.2. De Afdeling overweegt, gelet op wat zij heeft overwogen over de noodzaak onder 5.2, dat de raad mocht uitgaan van het gelijk blijven van de hoeveelheid geoogste gewassen die in de loods worden bewaard en daarmee van het niet toenemen van het aantal verkeersbewegingen voor de aan- en afvoer van die gewassen. De Afdeling kan de toelichting van de raad op zitting over hoe de verkeersbewegingen door de bouw van de loods juist meer gespreid plaats zullen vinden volgen. Het is hierdoor en door de vergroting van het erf aannemelijk dat de verkeersveiligheid juist toe zal nemen.

Het betoog slaagt niet.

Overlast geluid en trillingen

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor geluidsoverlast door het laden en lossen van vrachtwagens. Het laden en lossen zal ook vaak in de avonduren plaatsvinden. Daarnaast zullen de koelinstallaties die op het dak van het nieuwe pand worden geplaatst voor extra geluidsoverlast zorgen. Verder vrezen zij ook dat hinder zal ontstaan door trillingen die worden veroorzaakt door het vrachtverkeer dat naar het plangebied rijdt.

8.1. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht door G&O Consult naar de verwachte geluidbelasting op de woningen van omwonenden. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport van 14 augustus 2023. In dit rapport is aan de hand van het stappenplan voor geluid uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) onderzocht of de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling bij de omliggende woningen zal leiden tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Uit paragraaf 3.2 van het rapport volgt dat hierbij ook het geluid van het laden en lossen en van de koelinstallaties is betrokken. Voor het laden en lossen is uitgegaan van het lossen door trekkers als maatgevende activiteit, waarbij ook is uitgegaan van lossen in de avondperiode. Omdat in dit geval niet aan de richtafstand van 30 m voor akkerbouwbedrijven wordt voldaan, is bezien of wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit stap 2. Uit het rapport volgt dat niet op alle rekenpunten, zijnde de gevels van woningen van omwonenden, wordt voldaan aan de grenswaarde van 60 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau in de avondperiode. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A) uit stap 3. In het kader van de motiveringsplicht uit stap 3 is in het rapport bezien of in de woningen zal kunnen worden voldaan aan een binnenwaarde van 50 dB(A). Volgens het rapport is dat gelet op de bouwkundige staat van de woningen het geval. Verder wordt ook in de resultaten geconcludeerd dat niet wordt verwacht dat er sprake zal zijn van trillinghinder of laagfrequent geluid.

8.2. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over het advies hebben aangevoerd.

8.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het aannemelijk is dat er geen sprake zal zijn van onaanvaardbare trillinghinder of geluidsoverlast. Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen, mocht de raad uitgaan van het gelijk blijven van de hoeveelheid geoogste gewassen die in de loods worden bewaard en daarmee van het niet toenemen van het aantal verkeersbewegingen voor de aan- en afvoer van die gewassen. Wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geeft daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de uitgangspunten gebruikt in het akoestische onderzoek van G&O Consult niet kloppen. Gelet hierop heeft de raad zich op het akoestische onderzoek mogen baseren.

Het betoog slaagt niet.

Landschappelijke inpassing van de loods

9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de loods niet landschappelijk ingepast zal worden. Het nieuwe inpassingsplan zal niet gerealiseerd gaan worden, omdat het inpassingsplan bij het vorige bestemmingsplan ook nog steeds niet is uitgevoerd door [v.o.f.]. Hierdoor is de loods op dit moment nog van alle kanten zichtbaar. Daarnaast is het sowieso niet mogelijk om zo’n groot gebouw landschappelijk in te passen in de omgeving. Een gebouw van zo’n formaat hoort thuis op een industrieterrein.

9.1. Artikel 3.4.2 van de planregels luidt als volgt:

"Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in 3.4.1 in ieder geval gerekend:

a. Het gebruik van en het in gebruik laten nemen van een nieuw bedrijfsgebouw zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform de in Bijlage 1 opgenomen situatietekening met weergegeven landschappelijke inpassing;

b. In afwijking van het bepaalde onder a mag een bedrijfsgebouw worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na de ingebruikname van een bedrijfsgebouw uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform de in Bijlage 1 opgenomen situatietekening met weergegeven landschappelijke inpassing ten einde te komen tot een goede landschappelijke inpassing."

9.2. Tijdens de zitting heeft [appellant sub 1] toegelicht dat het probleem er voornamelijk in zit dat gevreesd wordt dat het landschappelijk inpassingsplan niet zal worden uitgevoerd. In deze procedure over het plan zelf is de naleving ervan en eventuele handhaving niet aan de orde. Niet is gebleken van een grond voor het oordeel dat het landschappelijk inpassingsplan zelf niet voldoende zal zijn. Mocht later blijken dat het landschappelijk inpassingsplan niet wordt uitgevoerd, dan kan een handhavingsverzoek worden ingediend.

Het betoog slaagt niet.

Fauna

10. [appellant sub 2] vreest voor de veiligheid van de dassenburcht en de reeën die leven in de omgeving van het plangebied.

10.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het rapport ‘Quickscan Soortbescherming [locatie] te Steggerda’ van Agrifirm zit als bijlage bij de plantoelichting. Er is onderzocht in hoeverre het plan effecten heeft op in het gebied mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna. Volgens dit rapport zal het plan geen onevenredige directe of indirecte gevolgen hebben voor beschermde diersoorten. [appellant sub 2] heeft geen aanknopingspunten aangevoerd voor het oordeel dat het rapport niet juist is.

Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet.

Participatie

11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat er ten onrechte geen participatie heeft plaatsgevonden. [v.o.f.] had in de aanvraag te kennen gegeven de omwonenden al op de hoogte te hebben gesteld van de voorgenomen plannen, maar dit is niet gebeurd. Omwonenden hoorden pas voor het eerst over het plan toen het ontwerpbestemmingsplan ter inzage werd gelegd in september 2022. Dit is ook in strijd met wat in de Omgevingswet is bepaald over participatie. Hierdoor is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding.

11.1. Zoals onder rechtsoverweging 1 is overwogen is de Wro op deze procedure van toepassing en niet de Omgevingswet. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

11.2. De Afdeling overweegt dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen van 5 september 2022 tot en met 17 oktober 2022. Gedurende deze periode bestond voor eenieder de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen. Zowel [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geven in hun beroepschriften aan toentertijd een zienswijze te hebben ingediend. Er is verder geen lokale regelgeving die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan aanvullende inspraak of participatieverplichtingen oplegde. Gelet hierop is er geen sprake van een onzorgvuldige voorbereiding.

Het betoogt slaagt niet.

Bekendmaking

12. [appellant sub 1] voert aan dat bij bekendmaking van de vaststelling van het plan in de regionale krant Stellingwerf niet op de beroepsmogelijkheden werd gewezen. Verder vond die bekendmaking niet tegelijk plaats met de bekendmaking op de website www.overheid.nl. Deze beroepsgrond gaat over mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen dus geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog slaagt niet.

Huidig gebruik in strijd met bestemmingsplan

13. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd dat [v.o.f.] in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan handelden door als dienstverlener diensten in de landbouw aan te bieden. Dit gaat niet over het vastgestelde plan maar over de handhaving van het vorige plan. Dat is niet een aspect dat in deze procedure aan de orde kan komen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.

Conclusie

14. De beroepen zijn ongegrond.

15. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Lap

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

288-1176

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.I.Y. Lap

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand