202304230/1/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellante sub 1], gevestigd in [woonplaats],
2. het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 mei 2023 in zaak nr. 21/340 in het geding tussen:
[appellante sub 1]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2020 heeft het college een aan [appellante sub 1] verleende omgevingsvergunning ingetrokken.
Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 mei 2023 heeft de rechtbank het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante sub 1] heeft een zienswijze gegeven.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 26 maart 2026 behandeld, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. I.P. Sigmond, advocaat in Valkenburg (Limburg), en het college, vertegenwoordigd door mr. I. van Oort en mr. N. Heil, bijgestaan door mr. M. IJzerman en mr. M.P. Verbraeken, rechtsbijstandverleners, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. Het college heeft op 11 juli 2018 een omgevingsvergunning verleend aan [appellante sub 1] ten behoeve van de transformatie van een kantoorgebouw aan de [locatie] in Nieuwegein naar 57 appartementen. Het college heeft deze vergunning in 2020 ingetrokken. Volgens het college bestaat een ernstig gevaar dat de vergunning mede wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (de b-grond), als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Ook heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd. Het college heeft daarom ook 5.19, eerste lid, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob, ten grondslag gelegd aan de intrekking van de omgevingsvergunning. Aan de intrekking heeft het college een advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) van 1 november 2019 ten grondslag gelegd, dat is verkregen in een andere procedure. De rechtbank heeft de intrekking van de omgevingsvergunning rechtmatig geacht.
Wettelijk kader
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Misbruik van procesrecht
4. Het college betoogt dat [appellante sub 1] misbruik maakt van het recht om rechtsmiddelen aan te wenden. Volgens het college moet het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van misbruik van recht. Deze zaak gaat over de intrekking van een omgevingsvergunning. Daar moet een belanghebbende tegenop kunnen komen, zoals [appellante sub 1] heeft gedaan. Dat een patroon van schijnconstructies zou bestaan en dat sprake zou zijn van oplichting ten behoeve van het verkrijgen van een vergunning, zijn aspecten die, gelet op het belastende karakter van het besluit in deze zaak, bij de bestuursrechter getoetst moeten kunnen worden. Dat in een andere procedure over belastingwetgeving (zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:222) wel misbruik van recht is aangenomen, betekent niet automatisch dat in dit geval ook sprake is van misbruik van recht.
Procesbelang
5. Gedurende de procedure is gebleken dat [appellante sub 1] het pand aan de Dukatenburg heeft verkocht. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante sub 1] desondanks nog steeds een belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het beroep. Volgens de rechtbank heeft [appellante sub 1] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij financiële en immateriële schade heeft geleden als gevolg van de intrekking van de vergunning.
5.1. Het college betoogt in het incidenteel hogerberoepschrift dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Volgens het college heeft [appellante sub 1] geen financiële en/of immateriële schade geleden. [appellante sub 1] had het pand al op 2 december 2020 verkocht, voordat op het bezwaarschrift een besluit was genomen. Er bestaat daarom geen direct verband tussen de besluitvorming en de vermeende schade. Ook bestaat er geen schade, omdat [appellante sub 1] het pand met een forse winst heeft verkocht. Zij kocht het pand aan op 19 maart 2018 voor een bedrag van € 1.650.000,- en heeft het verkocht voor een bedrag van € 3.750.000,-. Dat de omgevingsvergunning een waarde vertegenwoordigde van € 50.000,- heeft [appellante sub 1] slechts gesteld maar niet aannemelijk gemaakt. Tot slot bestaat volgens het college geen immateriële schade, omdat, als [appellante sub 1] een zakelijk samenwerkingsverband kan worden verweten, dit hooguit een toekomstig belang is. Niet is gebleken dat een zakelijk samenwerkingsverband in een andere procedure wordt tegengeworpen. Bovendien is een oordeel over een zakelijk samenwerkingsverband altijd casuïstisch en moet dat per aanvraag worden beoordeeld, aldus het college.
5.2. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank op juiste gronden procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over het beroep heeft aangenomen. De omgevingsvergunning was ingetrokken en daardoor konden er geen appartementen worden gerealiseerd. Dit leidt tot schade. Daarnaast is haar goede naam geschaad, waardoor eveneens belang bij een inhoudelijk oordeel bestaat, aldus [appellante sub 1].
5.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat [appellante sub 1] belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het hoger beroep. De omgevingsvergunning is ingetrokken op basis van een Bibob-onderzoek. Dat maakt in dit geval dat [appellante sub 1] in verband wordt gebracht met strafbare feiten die een ander vermoedelijk heeft gepleegd. Als zij dat niet in beroep en hoger beroep bestrijdt, zou dat het gevolg kunnen hebben dat in andere procedures van de juistheid van dat gegeven moet worden uitgegaan. [appellante sub 1] heeft daarom nog een belang, omdat tot op zekere hoogte aannemelijk is dat zij als gevolg van de intrekking in haar eer en goede naam is aangetast.
5.4. Het betoog slaagt niet.
Betrokkene
6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [persoon 1] betrokkene is in de zin van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo. Dat blijkt volgens het college uit het feit dat werknemers in opdracht van [bedrijf 1], een onderneming van [persoon 1], werkzaamheden uitvoerden in het kantoorpand aan de Dukatenburg. Daarbij heeft het college gewezen op een controlerapport van 28 november 2018. Toezichthouders van de gemeente hebben daarnaast op 30 april 2019 geconstateerd dat de werknemers die aan het werk waren op de Dukatenburg verwezen naar [persoon 2] van [bedrijf 1]. [persoon 2] verklaarde geen bemoeienis te hebben met de Dukatenburg. Later heeft de architect in een e-mailbericht van 6 mei 2019 verklaard een projectleider, [persoon 3], in te schakelen, die eerder in 2015 verklaarde [persoon 1] te vertegenwoordigen. Bij een nieuwe controle van de Dukatenburg op 7 mei 2019, bleek dat werknemers aan het werk waren, terwijl dat niet mocht. Later die dag heeft een persoon het pand afgesloten, die verklaarde in opdracht van [persoon 2] te handelen. Daarnaast zijn in het pand aan [persoon 1] geadresseerde (bouw)materialen aangetroffen. Gelet hierop, oefent hij volgens het college feitelijk invloed en zeggenschap uit. Dat [bedrijf 1] opdracht geeft voor reparatiewerkzaamheden, is volgens het college een sterke aanwijzing dat sprake is van een beheerderstaak. Omdat [persoon 1] beoogd eigenaar was van het pand aan de Dukatenburg en zich op een andere locatie een vergelijkbare situatie heeft voorgedaan, is hij volgens het college betrokkene.
6.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het standpunt mocht innemen dat [persoon 1] betrokkene is in de zin van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank acht daarbij van belang dat eerder [persoon 1] de verbouwing van het kantoorpand heeft geïnitieerd en een principeaanvraag heeft gedaan. [appellante sub 1] heeft, nadat zij eigenaar werd van het pand, vervolgens hetzelfde ingenieursbureau gebruikt en eenzelfde principeaanvraag voor de verbouwing ingediend. Daarbij werden dezelfde stukken en architect gebruikt. [appellante sub 1] heeft voor die plannen geen vergoeding betaald aan [persoon 1]. Verder is tijdens controles van de verbouwing van het pand geconstateerd dat werknemers van [bedrijf 1] werkzaamheden uitvoerden. Dat die werkzaamheden via een derde-partij, [bedrijf 2], werden uitgevoerd, betekent niet dat [persoon 1] niet was betrokken, omdat hij al betrokken was voordat [bedrijf 2] was betrokken, aldus de rechtbank.
6.2. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college [persoon 1] als betrokkene in de zin van artikel 2.20 van de Wabo heeft aangemerkt. [appellante sub 1] heeft de vergunning zelf aangevraagd en zou de kosten van de realisatie zelf financieren. Zij heeft alleen gebruik gemaakt van een plan dat [persoon 1] in 2015 heeft laten opstellen door [bedrijf 3]. Dat op zichzelf genomen toont alleen aan dat [persoon 1] zich in 2015 beschouwde als beoogd aanvrager en eigenaar. Hij heeft echter nooit een aanvraag gedaan, is geen uitvoerder, is geen financier en is ook geen eigenaar. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 1] gebruik heeft gemaakt van hetzelfde architectenbureau als [persoon 1], maakt niet dat [persoon 1] betrokkene is. Die betrokkenheid blijkt ook niet uit controles van de buitengewoon opsporingsambtenaren, aldus [appellante sub 1].
6.3. Artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat onder de betrokkene, als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. Van doorslaggevend belang is of degene tegen wie de bezwaren bestaan, feitelijke zeggenschap en daadwerkelijke invloed heeft. In dat geval kan diegene met de aanvrager worden gelijkgesteld. Vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2238.
6.4. De Afdeling is van oordeel dat het college het standpunt kon innemen dat [persoon 1] betrokkene is. Dat blijkt uit de feiten en omstandigheden die het college heeft betrokken, zoals hiervoor in overweging 6 beschreven. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat [persoon 1] feitelijke zeggenschap en invloed heeft op de werkzaamheden die op de Dukatenburg werden uitgevoerd. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen en daaraan heeft de Afdeling niets toe te voegen.
6.5. Het betoog slaagt niet.
6.6. Het college heeft in het incidenteel hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte de betrokkenheid van [bedrijf 4] buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens het college is de betrokkenheid van [bedrijf 4] een aanwijzing dat een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen [appellante sub 1] en [persoon 1]. Dat betoog is door het college al eerder in de procedure naar voren gebracht.
6.7. De Afdeling is van oordeel dat het college terecht dit betoog, gericht tegen de overwegingen van de rechtbankuitspraak, voordraagt. De Afdeling stelt vast dat het college al eerder in de procedure gewezen heeft op de betrokkenheid van [bedrijf 4] Het incidenteel hoger beroep van het college is dan ook gegrond. Omdat [persoon 1] betrokkene is als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob, zal de Afdeling echter niet meer ingaan op de vraag of sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [appellante sub 1] en [persoon 1].
Ernstig gevaar op de b-grond
7. Uit het advies van het LBB van 1 november 2019 volgt dat [persoon 1] en zijn ondernemingen op verschillende momenten in de periode van 2010 tot en met 2019 vermoedelijk strafbare feiten hebben gepleegd en lasten onder dwangsom opgelegd hebben gekregen in de gemeenten Utrecht, Nieuwegein, Alphen-Chaam en Amsterdam in verband met vele overtredingen van onder andere de Wabo, de Woningwet, brandveiligheidsvoorschriften, het Bouwbesluit 2012 en de Wet milieubeheer. Uit het advies van het LBB volgt verder dat de Stichting Volkshuisvesting, een onderneming van [persoon 1], in 2013 in strijd heeft gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen en hij daarvoor een boete van € 12.000,- opgelegd heeft gekregen. Verder blijkt ook dat [persoon 1] veroordeeld is voor verschillende geweldsdelicten en intimidatie tegen zijn huurders. Tot slot heeft een onderneming van [persoon 1] in strijd gehandeld met de Awr. Deze overtredingen staan in het advies van het LBB vanaf pagina 73 tot en met pagina 97.
7.1. Volgens het college hebben [persoon 1] en zijn ondernemingen vermoedelijk herhaaldelijk strafbare feiten gepleegd. Ten aanzien van de geweldsdelicten en intimidatie volgt uit het advies dat het LBB op basis van aangiften het vermoeden heeft dat vaker geweldsdelicten zijn gepleegd. Huurders die de huurprijs ter discussie stellen zou [persoon 1] intimideren. Het college stelt zich op het standpunt dat deze strafbare feiten samenhangen met de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd. Daarom bestaat volgens het college een ernstig gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten mee te plegen. De rechtbank heeft het standpunt van het college rechtmatig geacht.
7.2. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bouwgerelateerde strafbare feiten ten grondslag mocht leggen aan de intrekking van de omgevingsvergunning. Bij artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob gaat het niet om het gevaar dat overtredingen worden gepleegd bij de bouwactiviteiten zelf, maar om het gevaar dat het bouwwerk wordt gebruikt voor criminele activiteiten. Daarbij verwijst [appellante sub 1] naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3717.
7.3. Anders dan [appellante sub 1] betoogt, kunnen ook overtredingen en strafbare feiten die niet betrekking hebben op eerdere bouwactiviteiten worden betrokken bij het oordeel over het gevaar. De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2450, daarover geoordeeld dat het gevaar op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob moet worden vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is aangevraagd. Daarnaast is niet uitgesloten dat strafbare feiten die al dan niet vermoedelijk zijn gepleegd bij of vanwege eerdere bouwactiviteiten, zoals overtredingen van de wetgeving inzake bouw, arbeidsomstandigheden en milieu, daarbij worden betrokken. Lichtere en incidentele overtredingen die zijn gepleegd tijdens of vanwege eerdere bouwactiviteiten kunnen ook worden betrokken, hoewel zij daarvoor veelal niet zelfstandig dragend kunnen zijn. Die overtredingen kunnen bijdragen aan het oordeel dat een aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vanwege de b-grond moet worden geweigerd.
7.4. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het college redelijkerwijs het standpunt kon innemen dat sprake is van ernstig gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. Bij deze vaststelling heeft het college, anders dan [appellante sub 1] op de zitting heeft gesteld, niet de feiten betrokken waarmee voordeel behaald zou kunnen zijn als bedoeld met de a-grond en waarvan de Afdeling met de uitspraak 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2166, een aantal van de bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom heeft vernietigd. Dat de Afdeling een vernietiging heeft uitgesproken, is dus niet relevant voor het oordeel op de b-grond. De strafbare feiten die het college heeft betrokken op de b-grond, hangen naar het oordeel van de Afdeling samen met de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, namelijk het realiseren van appartementen en deze verhuren. Deze strafbare feiten pleegt [persoon 1] structureel en veelvuldig.
7.5. Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
8. Op de zitting heeft [appellante sub 1] medegedeeld dat op het punt van de evenredigheid, als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob geen oordeel wordt verwacht. De Afdeling zal hierover dan ook geen oordeel geven.
Proceskostenvergoeding [appellante sub 1] aan het college
9. Het college heeft verzocht [appellante sub 1] te veroordelen in de kosten van de procedure die het college heeft gemaakt vanwege kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan een natuurlijk persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dat is (onder meer) het geval als ten tijde van het instellen van het rechtsmiddel evident was dat dit kansloos zou zijn.
9.1. Naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De Afdeling verwijst daarvoor naar wat zij hiervoor onder overweging 4 heeft overwogen. Daarom zal de Afdeling [appellante sub 1] niet veroordelen in de proceskosten van het college.
Conclusie
10. Dit oordeel betekent dat het college op grond van artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet Bibob de omgevingsvergunning mocht intrekken. Het is daarom niet nodig om te beoordelen of [appellante sub 1] in strijd met de meldingsplicht als bedoeld in artikel 2.25 van de Wabo heeft gehandeld. Ook is het niet nodig om te beoordelen of strafbare feiten zijn gepleegd ter verkrijging van de vergunning of dat onjuiste gegevens zijn verstrekt. De Afdeling zal daar daarom niet op ingaan.
11. Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college, gericht tegen de overwegingen van de rechtbankuitspraak, is gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] ongegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein gegrond;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 mei 2023 in zaak nr. 21/340.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
BIJLAGE
Wabo
Artikel 2.20
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, artikel 2.11, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.
2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
[…]
Artikel 2.25
1. Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
2. Indien een omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, meldt de aanvrager, onderscheidenlijk de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.
[…]
Artikel 5.19
1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld;
[…]
4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning tevens geheel of gedeeltelijk intrekken:
[…]
b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; artikel 2.20, tweede lid, is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
Wet Bibob
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
[…]
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
[…]