202501513/1/A2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 januari 2025 in zaak nr. 23/11882 in het geding tussen:
Zonder Zorgen Advies en Bewindvoering B.V., als bewindvoerder van [appellant A] en [appellant B],
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellant A] om compensatie in het kader van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013 afgewezen.
Bij besluit van 30 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat in Roosendaal, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] heeft zich op 2 april 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Voor de jaren 2009 tot en met 2013 is de Dienst Toeslagen tot de conclusie gekomen dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel en er daarom geen recht op compensatie bestaat. In het besluit op bezwaar heeft de Dienst Toeslagen dit standpunt gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant B] geen belanghebbende is bij het besluit van 30 oktober 2023. Het is [appellant A] die de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en om een herbeoordeling heeft verzocht. Het besluit van 30 oktober 2023, waarin de afwijzing van haar aanvraag om compensatie is gehandhaafd, raakt alleen haar belang rechtstreeks. Dat [appellant B] ten tijde van de genoten kinderopvangtoeslag met [appellant A] getrouwd was en als toeslagpartner werd aangemerkt en dat hij (mede) bezwaar heeft gemaakt, maakt niet dat hij een rechtstreeks, eigen belang heeft bij het besluit van 30 oktober 2023. In dit besluit is immers alleen op het bezwaar van [appellant A] beslist. Voor zover [appellant B] al enig financieel belang zou kunnen hebben bij de toekenning van compensatie aan [appellant A], is slechts sprake van een afgeleid belang.
3. De rechtbank heeft verder overwogen dat het geschil zich beperkt tot de afwijzing van compensatie voor het jaar 2013. Uit de door de Dienst Toeslagen overgelegde uitdraaien uit het systeem, die op dit toeslagjaar zien, kan worden afgeleid dat met de DigiD van [appellant A] wijzigingen zijn ingediend die zien op het soort opvang (buitenschoolse opvang in plaats van dagopvang), het aantal opvanguren, het gezamenlijk inkomen en het rekentarief. Op basis van deze wijzigingen is het recht op kinderopvangtoeslag steeds bijgesteld met een hoger voorschot, nabetaling of terugvordering als gevolg. Dit alles maakt onderdeel uit van de reguliere procedure ter verkrijging van kinderopvangtoeslag. Met de enkele stelling dat de uitdraaien moeilijk leesbaar en daardoor niet te controleren zijn, heeft [appellant A] de juistheid van de wijzigingen en de wijze waarop deze zijn doorgevoerd niet betwist. Ook als [appellant A] in haar standpunt wordt gevolgd dat de wijzigingen niet door haar, maar door een ander zijn ingediend, is dit een omstandigheid die niet te wijten is aan de Dienst Toeslagen. De wijzigingen zijn namelijk ingediend met haar DigiD, waaruit kan worden afgeleid dat zij haar inloggegevens zelf ter beschikking heeft gesteld. Bovendien heeft [appellant A] haar bezwaar tegen de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 ingetrokken. Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of van hardheid van het stelsel.
Beoordeling in hoger beroep
Hoger beroep van [appellant B]
4. [appellant B] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat hij ten tijde van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag in gemeenschap van goederen was getrouwd met [appellant A], is hij door die terugvordering wel degelijk rechtstreeks in zijn belang getroffen.
4.1. Dat [appellant B] ten tijde van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag in gemeenschap van goederen met [appellant A] was getrouwd, maakt niet dat hij een rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 30 oktober 2023 waarin de afwijzing van de aanvraag van [appellant A] om compensatie is gehandhaafd. [appellant A] is degene die de aanvraag om compensatie heeft ingediend en de besluitvorming richt zich ook enkel tot haar. De rechtbank heeft het beroep van [appellant B] daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep van [appellant A]
5. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de door de Dienst Toeslagen overgelegde uitdraaien van het systeem. De uitdraaien zijn door haar namelijk niet te controleren.
5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de door de Dienst Toeslagen overgelegde stukken kan worden afgeleid dat op 29 december 2012, 8 en 18 januari 2013, 11 en 27 maart 2013 en 22 april 2013 met de DigiD van [appellant A] wijzigingen zijn doorgevoerd in de soort opvang, het aantal opvanguren, het opvangtarief en het gezamenlijk inkomen. Verder is de enkele stelling dat de stukken moeilijk leesbaar en daardoor niet te controleren zijn, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van deze wijzigingen en of die wijzigingen wel door of namens haar zijn ingediend. Daartoe zijn ook in hoger beroep geen stukken overgelegd of omstandigheden aangevoerd.
5.2. De situatie waarin de terugvordering het gevolg is van een lager aantal opvanguren en uurtarief dan op basis waarvan het voorschot is berekend, zoals in het geval van [appellant A] aan de orde is, wordt in de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht expliciet als voorbeeld genoemd van een situatie waarin geen sprake is van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Er is dan namelijk sprake van een reguliere correctie die inherent is aan het toeslagensysteem. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat op basis van dit samenstel van omstandigheden het niet aannemelijk is dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of van hardheid van het stelstel.
6. [appellant A] voert aan dat, zelfs al zou zij haar bezwaar tegen de definitieve beschikking voor de kinderopvangtoeslag over het jaar 2013 hebben ingetrokken, dit nog niet betekent dat zij daarmee haar recht op compensatie heeft verspeeld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
6.1. Anders dan [appellant A] meent is de rechtbank niet zo zeer wegens de intrekking van het bezwaar, maar op basis van het samenstel van de onder 5.1 en 5.2 genoemde omstandigheden tot het oordeel gekomen dat het niet aannemelijk is dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of van hardheid van het stelsel, waardoor er ook geen recht op compensatie bestaat.
Conclusie
7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
284-1160