202502094/1/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Leiden,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2025 in zaak nr. 24/7305 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden.
Procesverloop
Op 16 mei 2024 heeft het college geweigerd in de basisregistratie personen (brp) op te nemen dat [appellante] woont op het adres [locatie] in Leiden.
Bij besluit van 25 juni 2024, aangevuld bij besluit van 4 juli 2024, heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar ingeschreven op het adres in Leiden.
Bij uitspraak van 25 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 11 maart 2026 behandeld, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.R. Bekink en W. Mangrey, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft op 8 maart 2024 aangifte gedaan en verzocht om per 2 maart 2024 te worden ingeschreven op het adres [locatie] in Leiden. Het college heeft op 4 april 2024 het voornemen geuit de inschrijving te weigeren. Na een zienswijze heeft het college op 25 april 2024 opnieuw het voornemen geuit om de inschrijving te weigeren. Naar aanleiding van de nieuwe zienswijze heeft het college besloten [appellante] niet in te schrijven. Tijdens het gemaakte bezwaar, heeft [appellante] de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat afspraken waren gemaakt, heeft [appellante] het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en heeft het college haar ingeschreven per 8 maart 2024. Deze besluitvorming heeft de rechtbank rechtmatig geacht.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar per 8 maart 2024 heeft mogen inschrijven. Zij moet namelijk per 2 maart 2024 worden ingeschreven. Het lukte echter niet om op die dag elektronisch aangifte te doen vanwege een fout bij de gemeente. Daarnaast heeft [appellante] op het inschrijfformulier aangegeven dat zij per 2 maart 2024 ingeschreven moet worden. Daarom moet de datum van 2 maart 2024 worden gehanteerd, aldus [appellante].
2.1. Artikel 2.19, vierde lid, van de Wet brp bepaalt: "Als datum van aanvang van het verblijf in Nederland en van vestiging van het adres in de gemeente wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het verblijf en adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan."
2.2. De Afdeling is van oordeel dat het college op juiste wijze de datum van vestiging heeft gesteld op 8 maart 2024. Op die datum heeft het college namelijk de aangifte van vestiging ontvangen. Artikel 2.19, vierde lid, van de Wet brp laat het niet toe dat een andere datum dan de datum van aangifte wordt opgenomen. De stelling van [appellante] dat de gemeente het niet mogelijk heeft gemaakt dat op 7 maart 2024 digitaal aangifte werd gedaan en dat op het inschrijfformulier is aangetekend dat zij per 2 maart 2024 op het adres woont, maakt dat niet anders. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
2.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
1071