202405342/1/A3.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Leiden,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2024 in zaak nr. 24/3577 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden.
Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het college [appellante] per 10 oktober 2023 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp).
Bij besluit van 11 april 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 11 maart 2026 behandeld, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.R. Bekink en W. Mangrey, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft [appellante] uitgeschreven uit de brp en opgenomen dat zij is vertrokken uit Nederland, omdat uit adresonderzoek bleek dat zij al twee jaar niet meer op de [locatie] in Leiden zou wonen. Zij zou hebben verklaard in Breda te verblijven. Volgens [appellante] is het uitgevoerde onderzoek en de reden voor uitschrijving onzorgvuldig. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college rechtmatig geacht.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet bereikbaar zou zijn of dat er een ander adres kenbaar zou zijn waarop zij bereikbaar was. Volgens haar is er regelmatig contact geweest tussen haar en medewerkers van de gemeente Leiden. Daarom is niet voldaan aan de eisen van artikel 2.22 van de Wet brp. Het onderzoek is volgens haar onzorgvuldig geweest. Inmiddels staat zij weer ingeschreven op het adres in Leiden. Gezien haar zeer uitzonderlijke situatie had het college op basis van hardheid een ander besluit moeten nemen.
Wettelijk kader
3. Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp luidt: "Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland."
Beoordeling
4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3241, blijkt dat het doel van de Wet brp is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Verder blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:59, dat in artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Dat mag het college doen als is voldaan aan drie voorwaarden.
4.1. De eerste voorwaarde is dat de ingezetene kan niet worden bereikt. Uit rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2410) volgt dat het begrip ‘bereikbaar’ gaat over de vraag of de ingeschrevene in persoon bereikbaar is op het inschrijfadres. [appellante] heeft verklaard dat zij in Breda verbleef, maar heeft desondanks geen aangifte van verhuizing gedaan. Weliswaar is vast komen te staan dat [appellante] en het college telefonisch en via de e-mail contact met elkaar hadden, maar het is niet betwist dat zij elkaar niet in persoon hebben getroffen op het inschrijfadres in Leiden. Als een ingezetene weliswaar via de telefoon of e-mail bereikbaar is, maar weigert een adres te doen registreren of weigert een verblijfplaats kenbaar te maken, is de ingezetene onbereikbaar in de zin van de Wet brp. Vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:354. Gelet op het voorgaande was [appellante] dus niet bereikbaar op het inschrijfadres.
4.2. De tweede voorwaarde is dat geen aangifte van adreswijziging of vertrek is gedaan. De Afdeling stelt vast dat daarvan geen sprake is.
4.3. De derde voorwaarde is dat na gedegen onderzoek geen gegevens over de betrokkene kunnen worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college heeft verklaard dat na een melding van de gemeente Breda een onderzoek naar het inschrijfadres van [appellante] is gestart. Op 14 oktober 2023 en 17 oktober 2023 hebben toezichthouders het adres bezocht. Toezichthouders hebben [appellante] op beide dagen niet aangetroffen. Buren hebben verklaard dat [appellante] zelden thuis zou zijn en niet open doet. De huur wordt wel betaald, maar de meterstanden zijn laag. Het college heeft op de zitting bij de Afdeling verklaard dat [appellante] drie maanden de tijd heeft gekregen om haar zaken op orde te stellen. Ook is zij in de gelegenheid gesteld een briefadres aan te vragen. [appellante] heeft op de zitting verklaard dat zij in Breda verbleef en niet op het adres in Leiden. Op het adres in Breda wilde zij niet worden ingeschreven, zo verklaarde [appellante] op de zitting bij de Afdeling. De Afdeling is om deze redenen van oordeel dat het onderzoek gedegen is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante] niet bereikbaar was in de zin van de Wet brp, zodat zij het toezichthouders van het college bemoeilijkt heeft om te onderzoeken of zij over een woonadres beschikte (vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2978, overweging 4.5). Het college mocht er daarom van uitgaan dat de [locatie] in Leiden niet het woonadres van [appellante] was.
4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college [appellante] terecht heeft uitgeschreven uit de brp. De rechtbank is op juiste wijze tot dezelfde conclusie gekomen.
4.5. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
1071