ECLI:NL:RVS:2026:2429

ECLI:NL:RVS:2026:2429

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202406180/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 22 april 2022 heeft de korpschef van politie een toestemming aan [beveiligingsbedrijf] om [appellant sub 1] te laten werken als beveiliger ingetrokken. De korpschef heeft [beveiligingsbedrijf] op 29 oktober 2019 toestemming verleend om [appellant sub 1] te mogen laten werken als beveiliger. Deze toestemming heeft de korpschef ingetrokken, omdat hij twijfels heeft over de betrouwbaarheid van [appellant sub 1]. Over die twijfels heeft de korpschef gesteld dat [appellant sub 1] wordt verdacht van mishandeling en openlijke geweldpleging op 2 november 2018. Deze gebeurtenissen zijn opgenomen in een proces-verbaal van 13 november 2018. Ook heeft de korpschef gesteld dat [appellant sub 1] onder invloed van alcohol heeft gereden en daarbij een ongeval heeft veroorzaakt op 6 februari 2022. Verder heeft [appellant sub 1] volgens de korpschef op 13 maart 2021 niet zijn rijbewijs kunnen tonen nadat hij in een onverzekerde auto reed en heeft hij op 17 augustus 2021 een verkeersboete gehad voor het niet op juiste wijze koppelen van een aanhanger aan een voertuig.

Uitspraak

202406180/1/A3.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],

2. Korpschef van politie,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2024 in zaak nr. 22/4696 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2022 heeft de korpschef een toestemming aan [beveiligingsbedrijf] om [appellant sub 1] te laten werken als beveiliger ingetrokken.

Bij besluit van 23 augustus 2022 heeft de korpschef het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2022 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de korpschef hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 11 maart 2026 behandeld, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. Z.M. Nasir, advocaat in Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. M.J.R.M. Pompen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De korpschef heeft [beveiligingsbedrijf] op 29 oktober 2019 toestemming verleend om [appellant sub 1] te mogen laten werken als beveiliger. Deze toestemming heeft de korpschef ingetrokken, omdat hij twijfels heeft over de betrouwbaarheid van [appellant sub 1]. Over die twijfels heeft de korpschef gesteld dat [appellant sub 1] wordt verdacht van mishandeling en openlijke geweldpleging op 2 november 2018. Deze gebeurtenissen zijn opgenomen in een proces-verbaal van 13 november 2018. Ook heeft de korpschef gesteld dat [appellant sub 1] onder invloed van alcohol heeft gereden en daarbij een ongeval heeft veroorzaakt op 6 februari 2022. Verder heeft [appellant sub 1] volgens de korpschef op 13 maart 2021 niet zijn rijbewijs kunnen tonen nadat hij in een onverzekerde auto reed en heeft hij op 17 augustus 2021 een verkeersboete gehad voor het niet op juiste wijze koppelen van een aanhanger aan een voertuig.

Oordeel van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van de korpschef niet goed gemotiveerd is. [appellant sub 1] is op 21 mei 2024 vrijgesproken van mishandeling en openlijke geweldpleging. Het had op de weg van de korpschef gelegen om te motiveren waarom nog steeds een serieuze verdenking van mishandeling en openlijke geweldpleging bestaat. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564. Een nadere motivering heeft de korpschef niet gegeven. De rechtbank heeft om deze reden het besluit van 23 augustus 2022 vernietigd. Volgens de rechtbank bestaan er wel redenen om de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand te laten. De overige feiten zijn ernstig genoeg om te stellen dat [appellant sub 1] niet langer betrouwbaar is. De korpschef heeft daarbij het belang van [appellant sub 1] niet zo zwaar hoeven te laten wegen, dat hij toch van de intrekking van de toestemming had moeten afzien. De intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten is dan ook passend en noodzakelijk. Ook had de korpschef geen minder ingrijpende maatregel hoeven toe te passen, omdat het maatschappelijk belang van een betrouwbare veiligheidszorg dan onvoldoende kan worden gewaarborgd, zo overweegt de rechtbank.

Hoger beroep

3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 augustus 2022 in stand heeft gelaten. Zo is hij niet veroordeeld voor het veroorzaken van een ongeval onder invloed van alcohol. De andere feiten zijn volgens [appellant sub 1] niet zodanig ernstig dat de korpschef de toestemming mocht intrekken. [appellant sub 1] verwijst daarbij naar verschillende uitspraken van rechtbanken (uitspraken van 27 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:5774, 29 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4306, 23 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6203, 27 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5099, 18 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:13430, en 6 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3926). In die uitspraken oordeelden de rechtbanken dat het rijden onder invloed, diefstal, geweldpleging en mishandeling onvoldoende was om de toestemming in te trekken. Ook wijst [appellant sub 1] op een uitspraak van de Afdeling van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2548, waarin een beveiliger onder invloed van alcohol achter het stuur had gezeten, maar het oordeel luidde dat de toestemming niet mocht worden ingetrokken. Verder is de intrekking niet passend en noodzakelijk en had de korpschef een minder zware maatregel moeten toepassen, aldus [appellant sub 1].

Incidenteel hoger beroep

4. De korpschef betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 23 augustus 2022 heeft vernietigd en de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. Volgens hem had de rechtbank de vrijspraak van mishandeling en openlijke geweldpleging niet mogen betrekken, omdat getoetst had moeten worden op basis van de feiten zoals die golden op het moment dat het besluit werd genomen. De vrijspraak dateert van na het besluit van 23 augustus 2022. Voor zover de vrijspraak al betrokken had moeten worden, geldt dat een vrijspraak zonder toelichting waarom de betrokkene is vrijgesproken, niet zondermeer betekent dat het feit niet langer betrokken mag worden. De vrijspraak is dan ook geen aanleiding om terug te komen van de intrekking van de toestemming voor [appellant sub 1]. Daarbij verwijst de korpschef naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4143.

Wettelijk kader

5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling

6. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn nauw met elkaar verweven. De hoger beroepen zal de Afdeling dan ook gezamenlijk beoordelen.

6.1. Artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus bepaalt dat een verleende toestemming kan worden ingetrokken als omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4851), komt de korpschef beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen hogere eisen worden gesteld dan aan die in andere branches. Dit betekent dat de korpschef mag eisen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven zijn. In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de Beleidsregels) is een nadere invulling gegeven aan de term 'betrouwbaarheid'. Daarin zijn aspecten opgenomen die van belang zijn voor de vaststelling of de betrokkene betrouwbaar is.

6.3. Verder volgt uit rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld uit de door de korpschef genoemde uitspraak van 16 oktober 2024, dat de uitkomst van een strafzaak nader licht kan werpen op feiten die de korpschef aan zijn besluit heeft gelegd. Een latere uitspraak van de strafrechter over die feiten is namelijk een bewijsstuk over de feiten waarop het besluit is gebaseerd. Een vrijspraak hoeft niet altijd aan het oordeel van een bestuursorgaan af te doen, bijvoorbeeld als de vrijspraak ongemotiveerd is.

6.4. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpschef de mishandeling en openlijke geweldpleging niet zonder meer aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. [appellant sub 1] heeft weliswaar een aantekening van een mondeling vonnis van 21 mei 2024 overgelegd, maar daaruit blijkt niet wat de redenen zijn van zijn vrijspraak. In het vonnis van de politierechter is geen oordeel gegeven over de juistheid van wat in het proces-verbaal van de politie van 13 november 2018 is opgenomen. De korpschef heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat die vrijspraak geen aanleiding vormt om terug te komen van het besluit van 23 augustus 2022. Dat besluit heeft betrekking op een bestuursrechtelijke maatregel, die los staat van een strafrechtelijke procedure.

6.5. Dit betekent dan ook dat de korpschef het proces-verbaal over de mishandeling en openlijke geweldpleging bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Samen met het rijden onder invloed, het niet kunnen tonen van een geldig rijbewijs terwijl een onverzekerd voertuig werd bestuurd en het rijden in een voertuig terwijl de aanhanger niet goed is bevestigd - welke feiten door [appellant sub 1] niet zijn betwist - maakt dit dat de korpschef redelijkerwijs het standpunt mocht innemen dat [appellant sub 1] onvoldoende betrouwbaar is om de functie van beveiliger uit te oefenen. Uit paragraaf 3.3, onder b, van de Beleidsregels volgt namelijk dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is als uit feiten en omstandigheden blijkt dat betrokkene rechtsregels naast zich neerlegt, waarvan de overtreding als een tamelijke aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd. De feiten en omstandigheden die de korpschef heeft genoemd hebben zich in een betrekkelijk korte periode voorgedaan. Die zijn bovendien, anders dan [appellant sub 1] betoogt, een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. De verwijzing van [appellant sub 1] naar rechtspraak van de rechtbanken en de Afdeling kan hem niet baten. Nog daargelaten dat de Afdeling aan die uitspraken niet is gebonden, ging het in die uitspraken om feiten die de korpschef niet aannemelijk had gemaakt, een enkel op zichzelf staand feit of dat de korpschef niet gemotiveerd had waarom de intrekking evenredig was, waardoor niet kon worden gesteld dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar was. Dat is in het geval van [appellant sub 1], gelet op het voorgaande, niet aan de orde.

7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 februari 2022, onder 6.3, is het intrekken van een verleende toestemming een bestuurlijke maatregel, die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg ondersteunt. Daarvoor is van belang dat degenen die in de beveiliging werkzaam zijn betrouwbaar zijn en blijven. De Afdeling acht intrekking van de verleende toestemming op zichzelf geen onredelijk middel om het bovenstaande doel te bereiken. Daarbij blijft echter van belang dat de maatregel is afgestemd op een individueel geval. De korpschef moet daartoe motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is.

7.1. De Afdeling is van oordeel dat wat de rechtbank in overweging 9.3 tot en met 9.5 heeft overwogen over de evenredigheid van de intrekking van de toestemming, juist is. De Afdeling heeft daaraan niets toe te voegen en neemt dit oordeel over.

Overschrijding redelijke termijn

8. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant sub 1] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

8.1. De redelijke termijn vangt aan bij de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan, in dit geval op 9 juni 2022. De redelijke termijn voor behandeling vanaf indiening van het bezwaarschrift tot aan de uitspraak bij de rechtbank is twee jaar. Die termijn is overschreden. [appellant sub 1] heeft echter niet bij de rechtbank verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar pas in hoger beroep bij de Afdeling. Daarom heeft in hoger beroep te gelden dat de redelijke termijn in beginsel is overschreden als de totale duur van de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. Vergelijk daarvoor het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562. Omdat in dit geval uitspraak is gedaan voor 9 juni 2026, is de redelijke termijn niet overschreden en bestaat geen aanleiding om [appellant sub 1] een schadevergoeding toe te kennen.

Conclusie

9. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond is. Zijn verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Het incidenteel hoger beroep van de korpschef is gegrond. Dat betekent dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt. Ook zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant sub 1] ongegrond verklaren. Dat houdt in dat de korpschef de toestemming mocht intrekken.

10. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

III. verklaart het incidenteel hoger beroep van de korpschef van politie gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2024 in zaak nr. 22/4696;

V. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Renkema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

1071

BIJLAGE

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Artikel 7

[…]

2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. […]

[…]

5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

[…]

Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019

3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden

De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:

[…]

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

[…]

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

Sepots, processen-verbaal en mutaties

Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.

Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand