ECLI:NL:RVS:2026:2430

ECLI:NL:RVS:2026:2430

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202306917/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 augustus 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een verkeersbesluit genomen waarbij een ligplaatsverbod is ingesteld voor een steiger aan de Borneokade. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wonen sinds 1999 op een woonboot aan de [locatie 1] in Amsterdam en exploiteren hierop ook een bed and breakfast. De woonboot ligt nabij een steiger, die onder meer gebruikt wordt om te recreëren en van daar af in het water te gaan. In 2012 is de woonboot verplaatst naar de [locatie 2]. Vanaf die locatie ligt de woonboot op 28 meter afstand van de steiger. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen veel overlast te ervaren van de zwemmers. Om de veiligheid van de zwemmers te vergroten heeft het college een ligplaatsverbod ingesteld (het verkeersbesluit). [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is door het college ongegrond verklaard.

Uitspraak

202306917/1/A2.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2023 in zaken nrs. 22/2207, 22/2208 en 22/4169 in de gedingen tussen:

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

en

het college.

Procesverloop

Verkeersbesluit

Bij besluit van 19 augustus 2021 heeft college een verkeersbesluit genomen waarbij een ligplaatsverbod is ingesteld voor een steiger aan de Borneokade.

Bij besluit van 17 maart 2022 heeft college het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoek tot handhaving bestemmingsplan

Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het college het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ingediende verzoek tot handhaving van het bestemmingsplan afgewezen.

Bij besluit van 17 maart 2022 heeft het college het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] daartegen gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoek tot handhaving op grond van de APV

Bij besluit van 10 december 2021 heeft het college het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ingediende verzoek tot handhaving op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2022 heeft het college het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2023 heeft de rechtbank de door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 1 juli 2024 heeft college het bezwaar van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit om een ligplaatsverbod in te stellen, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek op grond van het bestemmingsplan gegrond verklaard en een last onder dwangsom opgelegd. De werking van het besluit is opgeschort totdat op het hoger beroep door de Afdeling is beslist.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben gronden ingediend tegen de besluiten van 1 juli 2024 en 1 augustus 2024.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 november 2025, waar [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. P.A. Willemsen, advocaat in Gorinchem, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. de Groot, J.J. Vermeulen, mr. E.G. Blees en J.F. Kruit zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wonen sinds 1999 op een woonboot aan de [locatie 1] in Amsterdam en exploiteren hierop ook een bed and breakfast. De woonboot ligt nabij een steiger, die onder meer gebruikt wordt om te recreëren en van daar af in het water te gaan. In 2012 is de woonboot verplaatst naar de [locatie 2]. Vanaf die locatie ligt de woonboot op 28 meter afstand van de steiger. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen veel overlast te ervaren van de zwemmers. Om de veiligheid van de zwemmers te vergroten heeft het college een ligplaatsverbod ingesteld (het verkeersbesluit). [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is door het college ongegrond verklaard. Ook hebben zij twee handhavingsverzoeken ingediend. Het eerste verzoek is om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de steiger. Het tweede verzoek is om handhavend op te treden tegen overlast op grond van de APV. De verzoeken zijn afgewezen. De door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gemaakte bezwaren zijn ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen de drie besluiten op bezwaar gegrond verklaard en de besluiten vernietigd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college de besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Bij het nemen van het verkeersbesluit had het college de belangen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] mee moeten wegen. De besluiten die strekten tot afwijzing van de handhavingsverzoeken bevatten volgens de rechtbank een onvolledige, dan wel onjuiste uitleg van bepalingen in het bestemmingsplan en de APV.

De hoger beroepen en de beoordeling daarvan

4. De Afdeling zal hierna per besluit op bezwaar de hoger beroepen van zowel het college, als [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] behandelen.

Verkeersbesluit (22/2207)

5. Tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar gericht tegen het verkeersbesluit van 19 augustus 2021 hebben het college hoger beroep en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] incidenteel hoger beroep ingesteld.

5.1. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de negatieve gevolgen die voortvloeien uit het instellen van het afmeerverbod voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bij de belangenafweging had moeten betrekken. Volgens het college volgt uit artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet dat alleen de limitatief opgenomen nautische belangen bij het besluit een rol kunnen spelen. Hiertoe verwijst het college naar het specialiteitsbeginsel uit artikel 3:4 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat alleen de belangen mogen worden afgewogen waarvoor de desbetreffende regeling in het leven is geroepen. Alleen wanneer belangen voldoende verweven zijn met de belangen die de regeling beoogt te beschermen, dienen deze bij de beoordeling te worden betrokken. Dit volgt volgens het college uit de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2599.

5.2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] verwijzen in het incidenteel hoger beroep naar dezelfde uitspraak van de Afdeling. Volgens [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] volgt uit die uitspraak dat altijd eerst een belangenafweging moet worden gemaakt voordat een verkeersbesluit kan worden genomen. Daarbij betogen zij dat uit die uitspraak volgt dat belangen van derden nooit mogen worden geschaad en dat geen verkeersbesluit mag worden genomen wanneer dat wel het geval is.

6. In de uitspraak van 5 oktober 2016 heeft de Afdeling overwogen dat als de in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen niet met het verkeersbesluit worden gediend, niet wordt toegekomen aan de vraag of en op welke wijze andere belangen bij het nemen van een verkeersbesluit dienen te worden meegewogen. Dat sluit echter niet uit dat wanneer er wel een nautische belang uit dat artikel wordt gediend er niet alsnog andere belangen kunnen zijn en dienen te worden meegewogen.

6.1. Uit het verkeersbesluit van 19 augustus 2021 en het besluit op bezwaar van 17 maart 2022 volgt dat het nautische belang dat wordt gediend vooral gelegen is in het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen bij de steiger, namelijk de veiligheid van zwemmers (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Scheepvaartverkeerswet).

6.2. De Afdeling volgt het college niet in de stelling dat bij het nemen van het besluit het specialiteitsbeginsel in de weg staat aan het meewegen van andere dan de in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen. Dit artikel heeft gezien de bewoordingen ervan geen imperatief karakter. Doordat de bepaling geen verplichting met zich mee brengt, bestaat ruimte voor een belangenafweging. In zoverre levert dat dus geen strijd op met het specialiteitsbeginsel. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3709, overweging 5. Hieruit volgt uiteraard niet hoe de belangen ten opzichte van elkaar moeten worden gewogen. Ook volgt de Afdeling de stelling van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet. Bij het nemen van een (scheepvaart)verkeersbesluit kan een algemeen belang voor gaan boven het belang van een individu dat daarmee geschaad wordt. Daar dient in de besluitvorming wel gemotiveerd op te worden ingegaan.

7. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het verkeersbesluit terecht gegrond verklaard, het besluit van 17 maart 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit is het besluit van 1 juli 2024. Hiertegen is een beroep van rechtswege ontstaan. Het oordeel over dat beroep volgt in overwegingen 16 tot en met 18.

Verzoek tot handhaving bestemmingsplan (22/2208)

8. Tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar gericht tegen de afwijzing van de verzoeken tot handhaving van het bestemmingsplan van 17 maart 2022 heeft het college hoger beroep ingesteld. Voor zover [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in het incidenteel hogerberoepschrift ingaan op dit verzoek, ziet de Afdeling dit niet als een incidenteel hoger beroep, maar als een toelichting waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hen juist is.

8.1. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gebruik van de steiger en het water rondom de steiger niet valt onder "extensief recreatief medegebruik" dat op grond van het bestemmingsplan ter plaatse is toegestaan. De rechtbank heeft miskend dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van extensief recreatief medegebruik er moet worden geoordeeld op basis van de uit de vaste rechtspraak volgende criteria bedrijfsmatigheid, verenigingsverband of bebouwing en materialen. In plaats daarvan heeft de rechtbank een feitelijke beoordeling verricht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betoogt het college dat het gebruik van de steiger valt onder extensief recreatief medegebruik omdat er gezwommen wordt in kleine en grotere concentraties over de aaneengesloten waterbestemming. Deze bestemming strekt zich uit over een groot oppervlakte die het hele plangebied beslaat, waarvan het water langs de Borneokade slechts een klein gedeelte is. Daarnaast ziet het college niet in welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen als er een verplichting tot handhaving zou bestaan.

8.2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van extensief recreatief medegebruik. Er wordt namelijk intensief van de steiger gebruik gemaakt. Bovendien is die steiger helemaal niet bedoeld om op en rond te recreëren en te gebruiken als zwemsteiger. Er wordt op een relatief kleine plek een groot feitelijk beslag gelegd op dat gebied door die ene activiteit.

9. Op de Borneokade is het bestemmingsplan ‘Borneo Sporenburg en Rietlanden 2017’ van toepassing. In dit bestemmingsplan heeft het specifieke gebied rondom de steiger de bestemming ‘water’. De steiger zelf heeft de functieaanduiding ‘steiger’. Voor de bestemming ‘water’ is in artikel 17.1 een bestemmingsomschrijving opgenomen. Uit dat artikel volgt dat hieronder ook wordt verstaan het onder ‘w.’ genoemde extensief medegebruik. In de planregels is geen nadere definitie opgenomen van dit criterium. Het bestemmingsplan bevat ook geen nadere beschrijving welk gebruik op de bestemming ‘water’ is toegestaan.

9.1. Voor de invulling van dit criterium moet daarom worden gekeken naar wat in het normaal spraakgebruik en in bestaande rechterlijke uitspraken hieronder wordt verstaan. Uit de door beide partijen aangehaalde uitspraken volgen aanwijzingen die kunnen bijdragen aan de conclusie dat het medegebruik in dit geval extensief is. Dat maakt echter niet, zoals de rechtbank terecht onder 22 heeft overwogen, dat de aanwezigheid van die omstandigheden per definitie doorslaggevend zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet het bij extensief medegebruik gaan om medegebruik waarbij nauwelijks druk wordt uitgeoefend op de omgeving (zie de uitspraak van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1681, overweging 4.1). Dit betekent dat zeker bij het ontbreken van een nadere omschrijving in de planregels, in tegenstelling tot wat het college betoogt, het noodzakelijk is om een feitelijke beoordeling te maken van de situatie ter plaatse.

9.2. Het gebied waarop binnen dit bestemmingsplan de bestemming water rust is een groot gebied. Dat wellicht in dat hele gebied gezwommen zou kunnen worden, doet niet af aan het feit dat het slechts op een beperkt aantal plekken ook veilig mogelijk is. De Afdeling volgt het college niet in het standpunt dat bij de beoordeling of dit extensief medegebruik is de aantallen zwemmers moet worden afgezet tegen het gehele oppervlakte van het als water bestemde gebied. Feitelijk kan namelijk in een groot deel van het gebied niet (veilig) in dat water worden gezwommen. Vast staat dat juist deze steiger een gewilde plek is om toegang te hebben tot het water. Door middel van het verkeersbesluit van 19 augustus 2021, waardoor schepen niet meer aan de steiger mogen aanmeren, maar ook het plaatsen van drenkelingentrappetjes en gele boeien is het gebied rondom de steiger feitelijk een aantrekkelijke en veilige plek geworden om te zwemmen. Het feit dat op warme dagen juist die steiger uitnodigt om het afgezette gebied te gebruiken als water voor recreatie maakt dat op een relatief klein gebied rondom de steiger een grote druk wordt uitgeoefend door het medegebruik. Naar het oordeel van de Afdeling kan er dan ook niet meer gesproken worden van extensief medegebruik, maar is sprake van intensief medegebruik.

10. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het afwijzen van een handhavingsverzoek op grond van het bestemmingsplan terecht gegrond verklaard, het besluit van 17 maart 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dat is het besluit van 1 augustus 2024. Hiertegen is een beroep van rechtswege ontstaan, hier gaat de Afdeling nader op in onder overweging 19 en 20.

Verzoek tot handhaving op grond van de APV (22/4691)

11. Tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar gericht tegen weigering over te gaan tot handhaving op grond van de APV van 26 juli 2022 hebben het college hoger beroep en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] incidenteel hoger beroep ingesteld.

11.1. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat de gestelde overlast niet kan worden bestempeld als het ‘anderszins verrichten van handelingen die hinder veroorzaken’ zoals bedoeld in artikel 5.5 van de APV. Volgens het college kan stemgeluid namelijk niet worden aangemerkt als handelen, omdat stemgeluid geen handeling betreft. De door de rechtbank genoemde uitspraken zijn niet te vergelijken, omdat het daarin gaat om overlast van een voetbalkooi en een skatebaan waarin volgens het college wel verrichtingen worden gedaan. Dit is niet te vergelijken met zingen of schreeuwen.

11.2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het geschreeuw van de gebruikers van de steiger een onaanvaardbare hoeveelheid geluid oplevert waardoor de leefbaarheid op de woonboot wordt aangetast. Daartoe hebben zij drie rapporten van onderzoeken naar het geluid overgelegd.

12. De grondslag van het handhavingsverzoek is artikel 5.5 van de APV. Dit artikel staat in hoofdstuk 5, getiteld ‘Milieu’. De bepaling zelf draagt de titel ‘Hinder van toestellen, machines, e.d.’. Dit artikel en de toelichting daarop erkennen het bestaan van een restcategorie. Het artikel is volgens de toelichting daarom opzettelijk zodanig ruim geformuleerd dat ook tegen andere vormen van hinder kan worden opgetreden, zoals hinder in de vorm van trillingen of licht. In dit geval bestaat de ervaren overlast uit stemgeluid dat wordt geproduceerd bij het in niet-georganiseerd verband recreëren op de steiger en zwemmen in het water. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat gelet op de titel van de bepaling en plaats in de APV hinder die enkel door stemgebruik wordt veroorzaakt niet valt binnen die specifieke restcategorie.

12.1. De rechtbank heeft het beroep gericht de afwijzing van het handhavingsverzoek dan ook ten onrechte gegrond verklaard en het besluit van 26 juli 2022 ten onrechte vernietigd. Omdat geen sprake is van een overtreding, heeft het college het verzoek om handhaving terecht afgewezen. De Afdeling verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen dat besluit ongegrond.

Conclusie (incidenteel) hoger beroep

13. Het hoger beroep van het college tegen de het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank met kenmerk 22/4691 is gegrond en de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank in zoverre. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, verklaart zij het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 26 juli 2022 ongegrond. Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het onderdeel van de rechtbank met kenmerk 22/2207 en het hoger beroep van het college tegen het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank met kenmerk 22/2208 zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Het beroep gericht tegen de nieuwe besluiten

14. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 1 juli 2024 en 1 augustus 2024 nieuwe besluiten op bezwaar genomen. Deze besluiten worden van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding (artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet).

Verkeersbesluit

15. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het college in het nieuwe besluit geen blijk van een belangenafweging heeft gegeven, omdat het slechts een herhaling is van alles wat eerder door het college is betoogd.

16. In het nieuwe besluit van 1 juli 2024 heeft het college het bezwaar, gericht tegen het besluit van 26 augustus 2022 opnieuw ongegrond verklaard. In dit besluit heeft het college naast de nautische belangen, die volgen uit de Scheepvaartverkeerwet, belangen van zeven doelgroepen geïdentificeerd. Deze belangen heeft het college tegen elkaar en tegen de nautische belangen afgewogen. Het college heeft aandacht voor de overlast die [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ervaren en waardoor het woongenot onder druk staat. Daar tegenover staat de algemene veiligheid van de zwemmers en de boten en het college laat dat belang zwaarder wegen. Op warme dagen wordt, zo volgt uit het besluit, zo veel gezwommen en gerecreëerd dat het in het kader van de veiligheid ondoenlijk is om effectief handhavend op te treden. Zo lang boten aan de steiger zouden mogen aanmeren, levert dat een onveilige situatie op. Ook als de steiger zou worden verwijderd is het volgens het college te verwachten dat die plek als zwemplek populair blijft. De steiger wordt feitelijk al weinig meer gebruikt om aan te meren, maar de mogelijkheid om een aanvraag te doen bestond nog. Het college wijst in het besluit wel op het feit dat door andere maatregelen te treffen, zoals het inkorten van de steiger, de geluidsoverlast al is verminderd. Met dit nieuwe besluit heeft het college naar het oordeel van de Afdeling uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank en de keuze, met een belangenafweging, voldoende gemotiveerd.

17. Het beroep van rechtswege is ongegrond.

Het verzoek tot handhaving op grond van het bestemmingsplan

18. Het college heeft op 1 augustus 2024 een nieuw besluit op bezwaar genomen. In dit besluit heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de gemeente Amsterdam een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden.

18.1. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] geen beroepsgronden aangevoerd. De Afdeling neemt daarom aan dat met dit besluit geheel aan hun bezwaren tegemoet is gekomen, zodat geen beroep van rechtswege is ontstaan.

19. Bij uitspraak van 8 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat als het verzoek om handhaving zou worden toegewezen, dit besluit niet uitgevoerd hoefde te worden totdat op het hoger beroep was beslist. Met deze uitspraak komt die voorziening te vervallen. Dat betekent dat de gemeente Amsterdam uitvoering aan dat besluit moet geven. De Afdeling stelt hiervoor een begunstigingstermijn vast van drie weken na openbaarmaking van deze uitspraak.

Proceskosten

20. Het college moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

21. Gelet op artikel 8:109, tweede lid van de Awb wordt van de burgemeester griffierecht geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2023 in zaken nrs. 22/2207, 22/2208 en 22/4169 voor zover die ziet op zaak nr. 22/4169;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juli 2022 ongegrond;

IV. bevestigt de uitspraak rechtbank voor het overige;

V. verklaart het beroep van rechtswege gericht tegen het besluit van 1 juli 2024 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.050,02, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

VII. bepaalt dat van het college van burgemeesters en wethouders van Amsterdam een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Minderhoud

voorzitter

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

284-1043

BIJLAGE

Wettelijk kader

Scheepvaartverkeerswet

Artikel 3

1. Toepassing van de artikelen 4, 10, vierde lid, 11 en 12 kan, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van:

a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

b. het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

c. het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;

d. het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen;

2. het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen. Toepassing van artikel 4 ten behoeve van een in het eerste lid genoemd belang kan mede geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van:

a. hinder of gevaar door het scheepvaartverkeer voor personen die zich anders dan op een schip te water bevinden;

b. schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.

Bestemmingsplan Borneo Sporenburg en Rietlanden 2017

Artikel 17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. water;

[…]

en de daarbij behorende:

[…]

w. extensief medegebruik;

[…]

Algemene Plaatselijke Verordening 2008

Artikel 5.5 Hinder van toestellen, machines, e.d.

1. Het is verboden toestellen, geluidsapparaten of machines in werking te hebben, of anderszins handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving hinder wordt veroorzaakt of toe te laten dat deze handelingen worden verricht.

2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of de provinciale omgevingsverordening.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand