202504384/1/R1.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Poortvliet, gemeente Tholen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Tholen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Zandpad Poortvliet" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op 5 maart 2026 op een zitting behandeld, waar [appellant] en anderen, bij monde van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door S. Scholte, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 27 oktober 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een perceel in Poortvliet dat ligt op de hoek van het Zandpad en de Lageweg. Het plangebied, de locatie van [fruitteler], ligt direct ten zuiden van de kom Poortvliet. Dit perceel van ongeveer 20.000 m² is in gebruik als fruitboomgaard. Aan het perceel zijn in het plan de enkelbestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een agrarische schuur met koelcel en legt het huidige agrarisch gebruik van het perceel planologisch vast.
3. Voor het gebied is eerder, bij besluit van 1 oktober 2020, het bestemmingsplan "Hoek Lageweg-Zandpad Poortvliet" vastgesteld. Dat besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:171, vernietigd. Ten opzichte van dit eerder vernietigde plan is een aantal aanpassingen doorgevoerd. De eerder opgenomen bedrijfswoning is komen te vervallen. De schuur is verkleind en verschoven, en de instandhouding van de bestaande groene erfafscheiding wordt in de planregels geborgd via een zogenoemde voorwaardelijke verplichting. Met het bestemmingsplan "Zandpad Poortvliet" wordt een aangepaste invulling mogelijk gemaakt die volgens de raad aansluit op de feitelijke situatie en rekening houdt met de juridische kaders.
4. Appellanten [appellant] en [appellant A] wonen aan de [locatie 1], op ongeveer 110 m van het plangebied en ongeveer 220 m van het bouwvlak van de schuur. Appellanten [appellant B] en [appellant C] wonen aan het [locatie 2], op ongeveer 60 m van het plangebied en ongeveer 120 meter van het bouwvlak van de schuur. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Belanghebbendheid
6. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De raad wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1138, waarin is geoordeeld dat [appellant B] en [appellant C] geen belanghebbende waren bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor de in het plan mogelijk gemaakte schuur. Verder wijst de raad op de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:958, waarin is geoordeeld dat [appellant A] geen belanghebbende was in een procedure over een handhavingsverzoek met betrekking tot de boomgaard in het plangebied.
6.1. Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.
6.2. De Afdeling stelt vast dat het besluit tot vaststelling van het plan overeenkomstig artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Een ieder kon zienswijzen naar voren brengen over het ontwerpbesluit. Zowel [appellant] en [appellant A] als [appellant B] en [appellant C] hebben gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Gelet hierop hoeven zij geen belanghebbende te zijn om in hun beroep tegen het vaststellingsbesluit te kunnen worden ontvangen.
6.3. Het voorgaande neemt niet weg dat de Afdeling bij de bespreking van de beroepsgronden zal bezien of het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging op die grond.
Beroepsgronden
7. Met betrekking tot de voorbereiding van het plan wijzen [appellant] en anderen er in de eerste plaats op dat de status van de informatieavond op 16 februari 2023 onduidelijk was, en dat er toen ook ten onrechte nog geen concept voor een bestemmingsplan beschikbaar was.
7.1. Uit de plantoelichting blijkt dat er op donderdag 16 februari 2023 een omgevingsdialoog is gevoerd in het gemeentehuis van Tholen over het initiatief voor het realiseren van een schuur en het positief bestemmen van de boomgaard. Verslagen van die dialoog zijn als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. Verder heeft er op 10 maart 2023 nog een gesprek plaatsgevonden met de omwonenden die niet bij de omgevingsdialoog aanwezig konden zijn. Ook het verslag van dit gesprek is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.
7.2. De Afdeling stelt vast dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen deel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
7.3. Ook bestaat er geen verplichting om in de inspraak- of participatiefase al een concept voor een bestemmingsplan ter beschikking te stellen. De wijze waarop inspraak in die eerdere fase plaatsvindt heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
8. Wat betreft de in het plan mogelijk gemaakte boomgaard stellen [appellant] en anderen dat deze in het verleden illegaal is aangelegd, en het open landschap onaanvaardbaar aantast. Ook de bestaande windsingel rond het perceel achten zij niet aanvaardbaar.
8.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de boomgaard onder het overgangsrecht van het voorgaande plan valt en dat er vanuit ruimtelijk oogpunt geen beletsel is de boomgaard positief te bestemmen. Het agrarisch gebruik is grondgebonden en dus in overeenstemming met het gemeentelijk beleid voor agrarische bedrijven, aldus de raad.
8.2. De Afdeling verwijst naar de uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:958, waarin reeds is vastgesteld dat het gebruik van gronden in het plangebied als fruitboomgaard onder het gebruiksovergangsrecht van het voorgaande plan "Kom Poortvliet" viel. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in de door [appellant] en anderen genoemde belangen van het behoud van een vrij uitzicht geen aanleiding hoeven zien het bestaande gebruik van de gronden als boomgaard niet als zodanig te bestemmen. De Afdeling betrekt daarbij dat het voorgaande plan, anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, zich al niet verzette tegen de aanwezigheid van de bestaande windsingels rond het perceel. De Afdeling verwijst daarbij naar de uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:958, onder 10.3. Van een te beschermen bestaand vrij uitzicht is dan ook geen sprake.
Het betoog slaagt niet.
9. [appellant] en anderen stellen tot slot dat de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden voor de schuur in strijd zijn met de Omgevingsverordening Zeeland 2018 (Omgevingsverordening) en de daarin opgenomen regels voor nieuwe agrarische bebouwing.
9.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
9.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
9.3. Uit de tekst van artikel 2.16 van de Omgevingsverordening en de toelichting bij die bepaling valt af te leiden dat met deze bepaling het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied is beoogd.
Regels over het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied strekken niet ter bescherming van de belangen van een individuele appellant, tenzij de gevreesde aantasting plaatsvindt in een gebied dat kan worden aangemerkt als zijn directe woon- en leefomgeving. In zo’n geval bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen het belang van appellant bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemene belang dat aan de orde is bij het voorkomen van verstening en versnippering van het buitengebied, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang.
9.4. Zoals onder 4 is vastgesteld, wonen [appellant] en [appellant A] op ongeveer 220 m van het plandeel waarin een bouwvlak voor een schuur is opgenomen. De afstand tussen de woning van [appellant B] en [appellant C] en het bouwvlak is ongeveer 120 meter. In het tussengelegen gebied bevinden zich nog wegen, parkeerplaatsen, fietspaden en de boomgaard met windsingels. Hoewel niet uitgesloten is dat appellanten vanaf de bovenverdieping van hun woningen enig zicht kunnen hebben op de bovenkant van de schuur, is dat zicht, gelet op de afstand en de aanwezigheid van tussengelegen bomen en objecten, van dermate geringe betekenis dat het plandeel waarin de bouw van de schuur mogelijk is gemaakt, niet kan worden gerekend tot hun woon- en leefomgeving.
De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat artikel 2.16 van de Omgevingsverordening kennelijk niet strekt tot de bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Artikel 8:69a van de Awb staat er daarom aan in de weg dat de Afdeling het bestemmingsplan vernietigt vanwege strijd met die bepaling van de Omgevingsverordening. Daarom laat de Afdeling een verdere bespreking van deze beroepsgrond achterwege.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Schoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
1082