ECLI:NL:RVS:2026:2435

ECLI:NL:RVS:2026:2435

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202407493/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluiten van 15 november 2023 en 7 maart 2024 heeft de korpschef van politie gereageerd op verzoeken van [appellant] om inzage in zijn politiegegevens en wijziging en gedeeltelijke verwijdering daarvan. [appellant] heeft de korpschef verzocht hem inzage te verlenen in zijn politiedossier. De korpschef heeft deze inzage gedeeltelijk verleend. Voor het gedeelte waar [appellant] geen inzage mag krijgen, heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat dat in het belang van de opsporing, het onderzoek en vervolging van strafbare feiten of tenuitvoerlegging van straffen noodzakelijk is. [appellant] heeft naar aanleiding van de inzage de korpschef verzocht bepaalde registraties te verwijderen en te wijzigen. Volgens hem zijn de indrukken die de politie van hem heeft onjuist. Hij stelt daarbij dat de politie ten onrechte in de systemen heeft opgenomen dat hij schizofreen en psychisch niet in orde zou zijn, in een fantasiewereld zou leven en ook een complotdenker zou zijn.

Uitspraak

202407493/1/A3.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2024 in zaken nrs. 23/8582 en 24/2893 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 november 2023 en 7 maart 2024 heeft de korpschef gereageerd op verzoeken van [appellant] om inzage in zijn politiegegevens en wijziging en gedeeltelijke verwijdering daarvan.

Bij uitspraak van 6 november 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft de toestemming, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2026, waar [appellant] en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. V. Vermeulen en M. Schrader, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft de korpschef verzocht hem inzage te verlenen in zijn politiedossier. De korpschef heeft deze inzage gedeeltelijk verleend. Voor het gedeelte waar [appellant] geen inzage mag krijgen, heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat dat in het belang van de opsporing, het onderzoek en vervolging van strafbare feiten of tenuitvoerlegging van straffen noodzakelijk is.

2. [appellant] heeft naar aanleiding van de inzage de korpschef verzocht bepaalde registraties te verwijderen en te wijzigen. Volgens hem zijn de indrukken die de politie van hem heeft onjuist. Hij stelt daarbij dat de politie ten onrechte in de systemen heeft opgenomen dat hij schizofreen en psychisch niet in orde zou zijn, in een fantasiewereld zou leven en ook een complotdenker zou zijn. Volgens [appellant] heeft hij nooit wat misdaan. De korpschef heeft naar aanleiding van dit verzoek één registratie verwijderd, omdat dit na vijf jaar moet. Twee andere registraties heeft de korpschef niet verwijderd, omdat hij zich op het standpunt stelt dat deze registraties nodig zijn voor de uitvoering van de politietaak. Deze gegevens geven volgens de korpschef een beeld in het kader van eventuele hulpverlening. Daarbij heeft de korpschef medegedeeld dat eventuele medische termen zijn geverifieerd, omdat uit navraag bleek dat [appellant] in 2019 was aangemeld bij een GGZ.

3. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft tegen de twee besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de besluiten van de korpschef rechtmatig geacht.

Hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de beroepen ongegrond heeft verklaard. Zo staat ten onrechte in de politiesystemen vermeld dat hij paranoïde-schizofreen zou zijn. Volgens [appellant] blijkt uit een verklaring van de huisarts en een verklaring van Parnassia dat hij dat niet is. De politie spreekt kwaad over hem en dat levert een beeld op dat onjuist is. Hij heeft nog nooit strafbare feiten gepleegd. Deze gegevens moet de korpschef dan ook uit de systemen verwijderen. Verder stelt [appellant] dat er een geheim onderzoek naar hem zou worden gedaan en dat hij inzage wil in dat onderzoek. De verwerking van gegevens in de politiesystemen is volgens [appellant] ook in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). De korpschef moet dan ook alle onjuiste gegevens verwijderen of corrigeren en hem inzage verlenen in alle gegevens en onderzoeken die op hem betrekking hebben. Ook wil [appellant] een schadevergoeding van € 500.000,- vanwege aantoonbare schade aan zijn reputatie, psychisch welzijn, misgelopen carrière en maatschappelijke integriteit.

Beoordeling hoger beroep

5. Op de zitting heeft de korpschef verklaard dat de twee registraties die [appellant] verwijderd wilde hebben, inmiddels zijn vernietigd. De Afdeling is van oordeel dat in zoverre geen belang bestaat bij een beoordeling van het hoger beroep. [appellant] heeft op de zitting ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat hij een belang heeft bij een oordeel over het verwijderingsverzoek. De Afdeling zal daarom alleen ingaan op de weigering van inzage naar aanleiding van het verzoek dat [appellant] heeft gedaan.

5.1. Het inzagerecht van artikel 25 van de Wet politiegegevens, stelt de betrokkene in staat de over hem verwerkte politiegegevens te controleren, als aan hem een volledig overzicht van zijn gegevens in een begrijpelijke vorm wordt verstrekt. Zie daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024 ECLI:NL:RVS:2024:5090, onder 5.2. Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg wordt een verzoek om inzage afgewezen voor zover dit noodzakelijk en evenredig is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.

5.2. De korpschef heeft ter onderbouwing van de weigering van inzage op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb stukken overgelegd en verzocht dat alleen de bestuursrechter daar kennis van neemt. [appellant] heeft geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op grondslag van die stukken uitspraak te kunnen doen. Omdat [appellant] deze toestemming weigert te verlenen, kan de Afdeling niet nagaan of de korpschef terecht geen inzage heeft verleend in alle gegevens. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de korpschef op juiste gronden [appellant] geen volledige inzage heeft verleend. Een ander oordeel zou het onaanvaardbare resultaat hebben dat de Afdeling zonder beoordeling van de stukken ervan uit moet gaan dat gedeeltelijke inzage van de gegevens onterecht is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de korpschef geen volledige inzage in de politiegegevens over [appellant] hoeft te verlenen.

5.3. Het betoog slaagt niet.

Verzoek om schadevergoeding

6. Artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bij verzoeken om schadevergoeding bevoegd is tot een bedrag van € 25.000,-. Omdat [appellant] een bedrag van € 500.000,- vordert, zal de Afdeling het verzoek van [appellant] niet in behandeling nemen, omdat zij onbevoegd is daarvan kennis te nemen. [appellant] moet voor dit bedrag naar de burgerlijke rechter. Voor zover [appellant] zijn verzoek heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,-, wijst de Afdeling het verzoek af. [appellant] heeft namelijk niet onderbouwd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van de korpschef.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen. Voor het overige zal de Afdeling zich onbevoegd verklaren om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.

8. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding, voor zover dat betrekking heeft op een bedrag tot € 25.000,-, af;

III. verklaart zich voor het overige onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Renkema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

1071

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.R. Renkema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand