202306792/1/R1.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 september 2023 in zaak nr. 22/1182 in het geding tussen:
[appellante]
en
het dagelijks bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2021 heeft het dagelijks bestuur onder oplegging van een dwangsom van € 25.000,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000,00 [appellante] gelast om de overtredingen van de Waterwet te stoppen en het herhalen van deze overtredingen te voorkomen.
Bij besluit van 23 februari 2022 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de last beperkt tot het stoppen en voorkomen van een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet.
Bij besluit van 17 mei 2022 heeft het dagelijks bestuur besloten tot invordering van de volgens hem op 22 november 2021 door [appellante] verbeurde dwangsom van € 25.000,00.
Bij uitspraak van 29 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep tegen de besluiten van 23 februari 2022 en 17 mei 2022 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [persoon], bijgestaan door mr. C.S.G. de Lange, advocaat in Groningen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J. Klooster, R.R.J. Gerritsen en J. Selles, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 28 juli 2021 heeft het dagelijks bestuur aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] heeft een agrarisch bedrijf dat verschillende gewassen teelt op het perceel aan de [locatie] in Smilde. De hoofdtak van deze teelt bevat gewassen die een spoelbehandeling nodig hebben. Daarvoor staat op het zuidoostelijke deel van het perceel een spoelbassin. Langs de zuidwestelijke perceelgrens ligt een perceelsloot en aan de westzijde van het perceel ligt de primaire watergang WM-02-08_A, die in beheer van het dagelijks bestuur is.
3. Op 24 februari 2021 heeft een toezichthouder van het dagelijks bestuur geconstateerd dat via een doorbraak in het bassin afvalwater naar de naastgelegen perceelsloot afstroomde. Naar aanleiding daarvan heeft het dagelijks bestuur [appellante] bij besluit van 28 juli 2021 gelast onder oplegging van een dwangsom om de overtredingen van artikelen 2.1 en 3.102 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en artikelen 6.2 en/of 6.6 van de Waterwet te stoppen en het herhalen van deze overtredingen te voorkomen door geen afvalwater op het oppervlaktewater te lozen. Om herhaling van deze overtredingen te voorkomen, kan de opslag van afvalwaterstromen worden ingericht in overeenstemming met de "Handreiking aanleg, beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector".
4. Bij besluit van 23 februari 2022 heeft het dagelijks bestuur dit besluit aangepast in stand gelaten waarbij de last is beperkt tot het stoppen en voorkomen van een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet.
Naar aanleiding van een controlebezoek door de toezichthouder op 22 november 2021 bij [appellante] heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat [appellante] de last niet heeft nageleefd. Het heeft daarom bij besluit van 17 mei 2022 besloten tot invordering van de aan de last verbonden dwangsom van € 25.000,00.
[appellante] is het niet eens met de opgelegde last en de invordering van de dwangsom. Zij kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank haar beroep tegen het besluit op bezwaar en het invorderingsbesluit ongegrond heeft verklaard.
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Last onder dwangsom
Is er een overtreding?
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen, omdat er geen overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet is. Volgens [appellante] is de perceelsloot waarin het water uit het bassin is gestroomd geen oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, zodat er alleen al hierom geen lozing van stoffen op een oppervlaktewaterlichaam heeft kunnen plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet. [appellante] voert daarnaast aan dat de vrijstelling uit het Activiteitenbesluit van het lozingsverbod van artikel 6.2 van de Waterwet van toepassing is en dat er daarom geen overtreding is.
6.1. De Afdeling zal hierna eerst ingaan op de vraag of de perceelsloot een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet is (overwegingen 6.2 tot en met 6.4) en, zo ja, of een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 1.6 eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit van het lozingsverbod als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet (overwegingen 6.5 tot en met 6.7). Tot slot volgt een conclusie over de vraag of er een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet is (overweging 6.8).
- Gaat het om een oppervlaktewaterlichaam?
6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op 24 februari 2021 het bassin op het perceel van [appellante] was doorgebroken en het afvalwater uit het bassin via een greppel naar de naastgelegen perceelsloot werd geloosd. Ook is niet in geschil dat watergang WM-02-08_A een oppervlaktewaterlichaam is.
6.3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellante] vanaf haar perceel afvalwater heeft geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De rechtbank heeft in de stelling van [appellante] dat de verbinding tussen de perceelsloot en de watergang WM-02-08_A niet op de legger staat, terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. De legger is immers niet bepalend voor de vraag of ter plaatse een oppervlaktewaterlichaam aanwezig is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:917, onder 7.2, volgt uit de definitieomschrijving van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet dat een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water in beginsel een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam is. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, die in het licht van de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, PB 2000, L 327/1) wel beperkt moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Of zo’n uitzondering zich voordoet moet van geval tot geval worden beoordeeld. In dit geval gaat het om een perceelsloot van ongeveer 500 m lang die langs het perceel van [appellante] en het daarop gelegen bassin loopt. Aan het westelijke uiteinde ligt de primaire watergang WM-02-08_A waarmee de perceelsloot via een duiker is verbonden. Ter onderbouwing hiervan heeft het dagelijks bestuur, naast de constatering van de toezichthouder, foto’s van de duiker overgelegd. Hieruit leidt de Afdeling af dat de perceelsloot een, anders dan incidenteel aanwezige, watermassa is die in verbinding staat met ander oppervlaktewater. Niet is gebleken van factoren die aanleiding zouden kunnen zijn om een uitzonderingssituatie aan te nemen.
6.4. Uit het voorgaande volgt dat de perceelsloot in dit geval moet worden aangemerkt als een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet.
- Is er een vrijstelling?
6.5. [appellante] heeft terecht voorgedragen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar beroepsgrond over artikel 3.102 van het Activiteitenbesluit, een zogenoemde lex specialis ten opzichte van artikel 6.2 van de Waterwet. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] zo dat het dagelijks bestuur volgens haar heeft miskend dat de vrijstelling uit het Activiteitenbesluit van het lozingsverbod van artikel 6.2 van de Waterwet van toepassing is en dat er daarom geen overtreding is. De Afdeling zal dit betoog alsnog bespreken. Dit leidt er echter niet toe dat de aangevallen uitspraak om die reden moet worden vernietigd, omdat de conclusie is dat de bedoelde vrijstelling niet van toepassing is. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.
6.6. Artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit bevat een vrijstelling van het verbod op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet om stoffen in een oppervlaktewaterlichaam te brengen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld. Daarvoor is in dit geval artikel 3.102 van het Activiteitenbesluit van belang. Dat artikel bepaalt dat bij het lozen van afvalwater afkomstig van het spoelen van gewassen ten minste aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het geschilpunt spitst zich toe op de vraag of wordt voldaan aan de in artikel 3.102, tweede lid, van het Activiteitenbesluit gestelde voorwaarde dat het spoelproces is onderverdeeld in voorspelen en naspoelen.
Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat het spoelproces op het perceel van [appellante] niet voldoet aan artikel 3.102, tweede lid, van het Activiteitenbesluit en dat daarom de vrijstelling van het in artikel 6.2 van de Waterwet opgenomen lozingsverbod in dit geval niet van toepassing is. Volgens het dagelijks bestuur is het spoelproces niet, althans onvoldoende, onderverdeeld in voor- en naspoelen. Het dagelijks bestuur heeft hierover benadrukt dat de spoelinrichting van [appellante] afwijkt van het schema in de "Handreiking aanleg, beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector". Het dagelijks bestuur heeft verder hierbij het controlerapport van 22 juli 2021 betrokken waarin de constatering van de toezichthouder staat dat, zoals ook op luchtfoto’s is te zien, alle spoelbassins - met zowel schoon water als voor- en naspoelwater - met elkaar zijn verbonden door buizen. Hierdoor kunnen de verschillende spoelwaterstromen zich met elkaar vermengen. De Afdeling heeft geen reden om aan de juistheid van de door het dagelijks bestuur gegeven motivering te twijfelen.
6.7. Alleen al omdat niet is voldaan aan het vereiste uit artikel 3.102, tweede lid, van het Activiteitenbesluit, is in dit geval een vrijstelling van het lozingsverbod van artikel 6.2 van de Waterwet niet van toepassing.
- Conclusie
6.8. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat hier in strijd met artikel 6:2 van de Waterwet stoffen in een oppervlaktewaterlichaam zijn gebracht en dat het dagelijks bestuur daarom bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen.
Het betoog slaagt niet.
Is [appellante] overtreder?
7. [appellante] heeft op zichzelf niet bestreden dat de rechtbank terecht de conclusie van het dagelijks bestuur heeft gevolgd dat zij overtreder is in de zin van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het verbod van artikel 6.2 van de Waterwet. De enkele stelling dat de aangetroffen stoffen in watergang WM-02-08_A niet afkomstig zijn uit het bassin op haar perceel, is daarvoor niet relevant. Zoals hiervoor is overwogen onder 6.4 is de perceelsloot een oppervlaktewaterlichaam. Uit het controlerapport van 22 juli 2021 en de daarbij behorende analyse van watermonsters volgt dat er afvalstoffen uit het bassin op het perceel van [appellante] in de perceelsloot zijn gekomen. [appellante] heeft de conclusies hiervan niet gemotiveerd bestreden, zodat de Afdeling daarvan uitgaat.
Goede procesorde
8. Voor zover [appellante] voor het eerst op de zitting van de Afdeling heeft betoogd dat er overmacht was, omdat zij alle benodigde maatregelen had getroffen die toereikend moeten worden geacht om lozingen te voorkomen, en dat daarom de last onder dwangsom niet mocht worden opgelegd, acht de Afdeling dit in strijd met de goede procesorde en laat deze grond daarom buiten beschouwing.
Is de last te verstrekkend?
9. [appellante] heeft behoudens de volgens haar te verstrekkende last geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het dagelijks bestuur had moeten afzien van handhaving.
10. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last te verstrekkend is. Zij voert hiertoe aan dat geen kans op herhaling van de overtreding bestond, omdat de doorbraak in het bassin is gedicht en een dam is aangelegd. Volgens [appellante] heeft de rechtbank daarnaast miskend dat het dagelijks bestuur kon volstaan met een minder vergaande last, zoals enkel de last om de dam in de perceelsloot in stand te laten.
10.1. Het dagelijks bestuur heeft op grond van artikel 5:2, eerste lid, onder b, van de Awb de last onder dwangsom opgelegd om de overtreding te stoppen en herhaling daarvan te voorkomen en heeft daarbij verwezen naar de eerdere overtredingen met betrekking tot het lozen van afvalwater. Zoals hiervoor overwogen, heeft het dagelijks bestuur terecht vastgesteld dat [appellante] artikel 6.2 van de Waterwet heeft overtreden door afvalwater vanuit het bassin op haar perceel in de nabijgelegen perceelsloot te laten lopen. Het dagelijks bestuur heeft in de voorgeschiedenis en de geconstateerde overtredingen, waarover op 22 juli 2021 is gerapporteerd, terecht aanleiding gezien voor het opleggen van de last om de overtreding te stoppen en herhaling daarvan te voorkomen. De Afdeling voegt daaraan toe dat [appellante] weliswaar heeft ingegrepen om de lozing op 24 februari 2021 te staken door de aanleg van een dam, maar dat neemt niet weg dat het dagelijks bestuur [appellante] mocht gelasten om herhaling van de overtreding te voorkomen omdat niet uitgesloten is dat op een later moment langs of door de dam alsnog afvalwater vanuit het bassin naar de perceelsloot kan afstromen.
Het betoog slaagt niet.
De invorderingsbeschikking
11. Bij het besluit van 17 mei 2022 heeft het dagelijks bestuur besloten tot invordering van een door [appellante] verbeurde dwangsom van € 25.000,00. Aan het invorderingsbesluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat op 22 november 2021 niet aan de last is voldaan. Op 22 november 2021 heeft een toezichthouder op het perceel een onderzoek gedaan. Van die bevindingen is een verslag opgemaakt, gedateerd 1 maart 2022, waarin de bevindingen van de toezichthouder staan.
Is een dwangsom verbeurd?
12. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft geconcludeerd dat de last op 22 november 2021 niet is nageleefd. Volgens [appellante] kan het controlerapport van 1 maart 2022 die conclusie niet dragen. Ook bestrijdt [appellante] dat zij verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aangebrachte geulen.
12.1. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten om het betoog van [appellante] te bespreken dat er op 22 november 2021 geen verbeurte heeft plaatsgevonden en het dagelijks bestuur dus niet tot invordering mocht overgaan. De Afdeling zal dit alsnog doen. Dit leidt er echter niet toe dat de aangevallen uitspraak om die reden moet worden vernietigd, gelet op het navolgende.
12.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179), moet aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Daarom moet de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de verbeurte van een dwangsom worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden moeten op een duidelijke wijze worden vastgelegd. Dat kan in een schriftelijk rapport, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gebruikt. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een stuk zijn vastgelegd, moet een inzichtelijke beschrijving worden gegeven van wat is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage moet verder in beginsel zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, als op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.
12.3. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur op basis van de ter plaatse uitgevoerde controle niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat [appellante] op 22 november 2021 vanaf haar perceel afvalstoffen in het oppervlaktewaterlichaam heeft laten stromen.
In het rapport van 1 maart 2022 heeft de toezichthouder beschreven wat hij op 22 november 2021 rond 14.00 uur op het perceel heeft geconstateerd. Op dat moment werden leliebollen gerooid en gespoeld. De toezichthouder heeft bij de spoelbassins geconstateerd dat er, net zoals tijdens eerdere controlebezoeken, geen scheiding plaatsvond van hoofd- en naspoelwater. Dat betekent dat het afvalwater dat in de spoelbassins aanwezig was, alleen al daarom niet met een vrijstelling kon worden geloosd, zoals hiervoor onder 6.6 en 6.7 is overwogen. De toezichthouder zag dat er grote plassen water aanwezig waren op het landbouwperceel naast de spoelbassins. Hij zag en hoorde dat met een tractorpomp uit een bassin afvalwater over een deel van het perceel werd beregend. Daarbij zag hij dat de beregeningsinstallatie in werking was en dat een deel van het water over de verzadigde grond richting de perceelsloot afstroomde. Daarna zag de toezichthouder dat er twee geulen, die tot in de perceelsloot doorliepen, waren gegraven en dat via deze geulen met hoge stroomsnelheid water in de perceelsloot afstroomde. Hiervan heeft de toezichthouder foto’s gemaakt die onderdeel zijn van het controlerapport. Vervolgens zag hij het water met een hoge stroomsnelheid richting watergang WM-02-08_A afstromen. Naar het oordeel van de Afdeling is in het controlerapport van 1 maart 2022 inzichtelijk beschreven dat er op 22 november 2021 een lozing op de perceelsloot - het oppervlaktewaterlichaam - heeft plaatsgevonden. Wat [appellante] heeft opgemerkt over de filmpjes die nog door het dagelijks bestuur zijn overgelegd, doet - wat daar ook van zij - aan het voorgaande niet af.
Volgens het controlerapport heeft de toezichthouder vanuit de stroming uit de geulen watermonsters genomen. In het analyserapport hiervan wordt op basis van deze monstername geconcludeerd dat in het afvalwater 17 werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen. Dat dit volgens [appellante] meer stoffen zijn dan die zij gebruikt, ontkracht niet dat er afvalwater vanaf het perceel van [appellante] in het oppervlaktewaterlichaam is gestroomd.
De stelling van [appellante] dat de geulen zonder de vereiste toestemming van een leidinggevende zijn gegraven, geeft de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [appellante] zich aan de last heeft gehouden. De last onder dwangsom strekte er mede toe om herhaling van de overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet te voorkomen. Dat betekent dat [appellante] ervoor moest zorgen dat er geen afvalstoffen vanaf haar perceel in de perceelsloot - het oppervlaktewaterlichaam - zouden stromen en haar bedrijfsvoering hierop moest inrichten. Aangezien een toezichthouder eerder al op 24 februari 2021 had geconstateerd dat er geulen op het perceel aanwezig waren waarvanuit afvalwater in de perceelsloot stroomde, had [appellante] hierop in de bedrijfsvoering bedacht kunnen en moeten zijn. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierop voldoende toezicht heeft gehouden. De enkele stelling van [appellante] dat volgens het personeelshandboek toestemming van de directie nodig is voor zwaarwegende werkzaamheden en dat die toestemming niet is gevraagd, is daarvoor onvoldoende. Ook de formele waarschuwing die achteraf aan de medewerker is gegeven maakt dat niet anders.
Concluderend ziet de Afdeling in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur op basis van de ter plaatse uitgevoerde controle niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat [appellante] op 22 november 2021 vanaf haar perceel afvalstoffen in het oppervlaktewaterlichaam heeft laten stromen. [appellante] heeft zich daarmee niet aan de last gehouden, zodat de dwangsom van € 25.000,00 is verbeurd en het dagelijks bestuur bevoegd was om over te gaan tot invordering. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
14. Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
890-1099
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
[…]
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
[…]
Artikel 5:2
1 In deze wet wordt verstaan onder:
[…]
b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;
[…]
Waterwet
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
[…]
oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna;
[…]
Artikel 6.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
lozen: brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk;
[…]
stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
[…]
Artikel 6.2
1. Het is verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij:
[…]
b. daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur;
[…]
Activiteitenbesluit
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
lozen: het brengen van:
10 stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet in een oppervlaktewaterlichaam;
[…]
Artikel 1.6
1. Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet voor:
[…]
c. lozen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.3, 3.31, 3.32, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105.
[…]
2 Het lozen, bedoeld in het eerste lid, waarbij niet wordt voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels en voorschriften is verboden.
[…]
Artikel 3.102
1. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het spoelen van gewassen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het elfde lid.
2. Het spoelproces is onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen, waarbij de uitsleep van water uit het voorspoelen zo veel mogelijk wordt voorkomen en de hoeveelheid naspoelwater wordt geminimaliseerd.
[…]