ECLI:NL:RVS:2026:2441

ECLI:NL:RVS:2026:2441

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 202301726/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 22 december 2022 heeft de raad van de gemeente Breda het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" vastgesteld. Het plan is een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen van het buitengebied ten noordoosten van Breda. Het plan is grotendeels consoliderend, maar maakt ook een aantal individuele ontwikkelingen mogelijk. Zo voorziet het plan aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Teteringen in de mogelijkheid om twee recreatiewoningen te realiseren. Ter plaatse van het [locatie 3] in Teteringen maakt het plan de realisatie van een kinderdagverblijf mogelijk. Aan de [locatie 4]-[locatie 5] in Teteringen voorziet het plan in een uitbreiding van het agrarische bedrijf, en aan de [locatie 6] in Teteringen maakt het plan shiitake-teelt mogelijk. De vereniging en anderen kunnen zich niet met het plan verenigen. Zij vrezen onder meer dat het plan negatieve effecten zal hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Uitspraak

202301726/1/R2.

Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Milieuvereniging De Groene Koepel, gevestigd in Breda (de vereniging), en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vereniging en anderen hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

De vereniging en anderen hebben een zienswijze ingediend.

De vereniging en anderen, [partij C] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 7 oktober 2025, waar de volgende partijen zijn verschenen:

- de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. J.E. Dijk, advocaat in Haarlem;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. N.E. Snel en ing. R.C. Krul;

- [partij A], mede namens [partij B], bijgestaan door mr. D. Bos, rechtsbijstandsverlener in Assen;

- [partij C], bijgestaan door [persoon] en mr. J. van Eekeren, advocaat in Eindhoven;

- [partij D].

Bij brief van 9 oktober 2025 heeft de raad een nader stuk ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere behandeling op zitting. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 10 december 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan is een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen van het buitengebied ten noordoosten van Breda. Het plan is grotendeels consoliderend, maar maakt ook een aantal individuele ontwikkelingen mogelijk. Zo voorziet het plan aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Teteringen in de mogelijkheid om twee recreatiewoningen te realiseren. Ter plaatse van het [locatie 3] in Teteringen maakt het plan de realisatie van een kinderdagverblijf mogelijk. Aan de [locatie 4]-[locatie 5] in Teteringen voorziet het plan in een uitbreiding van het agrarische bedrijf, en aan de [locatie 6] in Teteringen maakt het plan shiitake-teelt mogelijk.

3. De vereniging en anderen kunnen zich niet met het plan verenigen. Zij vrezen onder meer dat het plan negatieve effecten zal hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Het besluit van 28 mei 2025

6. Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de raad het besluit van 22 december 2022 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling behandelt eerst de beroepen tegen het besluit van 28 mei 2025 en daarna, voor zover nog belang bestaat, de beroepen tegen het besluit van 22 december 2022.

Algemene beroepsgronden

Stikstof

7. De vereniging en anderen betogen dat niet kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot significante effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zodat de raad een passende beoordeling aan het plan ten grondslag had moeten leggen.

De raad heeft namelijk geen inzicht gegeven in de feitelijke planologische situatie van de (agrarische) bedrijven binnen het plangebied en de ontwikkelingsruimte per bedrijf. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de locaties met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" daadwerkelijk veehouderijen zijn gevestigd en geen akkerbouwbedrijven. Ook heeft de raad geen onderzoek gedaan naar de effecten van beweiding als gevolg van het plan.

Daarnaast is volgens de vereniging en anderen het algehele bouwverbod, in combinatie met het voorschrift dat in afwijking van dit bouwverbod een omgevingsvergunning kan worden verleend voor een ontwikkeling die stikstofneutraal plaatsvindt, ontoereikend om significante effecten uit te sluiten. De voorwaarde van stikstofneutraliteit is namelijk alleen opgenomen in de bouwregels van het plan en niet in de gebruiksregels. Bovendien geldt deze voorwaarde niet voor uitbreidingen van (agrarische) bedrijven die geen betrekking hebben op een uitbreiding van het aantal dieren. Tot slot wijzen zij erop dat deze voorwaarde toestaat dat ontwikkelingen mogelijk kunnen worden gemaakt aan de hand van intern salderen, zonder dat daaraan een passende beoordeling met additionaliteitstoets ten grondslag heeft gelegen. Volgens de vereniging en anderen is dat in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (de 18 december-uitspraak).

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot significante effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, omdat de uitbreiding van agrarische bedrijven niet zonder meer planologisch is toegestaan. In de artikelen 3.2 en 4.2 van de planregels is namelijk een bouwverbod opgenomen voor veehouderijen, glastuinbedrijven en kassen. Van dit bouwverbod kan alleen worden afgeweken met een omgevingsvergunning in de zin van artikel 3.3, onder f, van de planregels of via benutting van de wijzigingsbevoegdheid in het plan. Hiervoor moet worden aangetoond dat stikstofneutraal kan worden gebouwd en gebruikt, zodat het niet nodig is om op bedrijfsniveau inzicht te geven in de effecten op de Natura 2000-gebieden. Volgens de raad is de voorwaarde van stikstofneutraliteit alleen opgenomen voor ontwikkelingen waarvan op voorhand nagenoeg vaststaat dat het risico bestaat dat die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, en is er geen aanleiding om die voorwaarde ook voor andere agrarische ontwikkelingen op te nemen. Daarnaast hoefde er geen onderzoek te worden gedaan naar de effecten van beweiding, omdat het plan niet het beweiden van meer dieren ten opzichte van de referentiesituatie mogelijk maakt. Over de 18 december-uitspraak stelt de raad dat deze uitspraak een project betrof, en dat de kenmerken van plannen wezenlijk anders zijn dan die van een project. Daarom is het volgens de raad aannemelijk dat deze rechtspraakwijziging niet op plannen van toepassing is.

7.2. Uit artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat de raad in een voortoets moet onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet, op zichzelf, of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bij die beoordeling mogen de positieve gevolgen van inherente standaardonderdelen van de ruimtelijke ontwikkeling worden betrokken. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan kan dan worden vastgesteld als uit de passende beoordeling de zekerheid wordt verkregen dat de ruimtelijke ontwikkeling waarin het bestemmingsplan voorziet de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000¬-gebieden niet zal aantasten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, onder 14 en 15).

7.3. De raad heeft aan het plan het rapport "Bestemmingsplan Buitengebied Breda Noordoost: Passende Beoordeling" van 21 juni 2019 ten grondslag gelegd. Uit dit rapport blijkt dat de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Langstraat, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Ulvenhoutse Bos, Heesbossen en Regte Heide & Riels Laag, in de nabijheid van het plangebied liggen. In deze gebieden is sprake van een overbelaste situatie. De stikstofuitstoot als gevolg van de uitbreiding van de agrarische bedrijven in het plangebied is niet doorgerekend. Dit omdat de uitkomst van deze berekening op voorhand vaststaat: uitbreiding van agrarische bedrijven leidt tot toename van stikstof en in de huidige overbelaste situatie is elke toename significant. Volgens het rapport is het bestemmingsplan zonder planologische en/of andere mitigerende maatregelen in strijd met de Wnb en dus onuitvoerbaar. Daarom wordt in het rapport geadviseerd om in het plan de voorwaarde op te nemen dat uitbreidingen van agrarische bedrijven alleen mogelijk zijn als deze niet leiden tot een toename van stikstofdepositie. In dat geval is geborgd dat significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

7.4. De Afdeling stelt voorop dat in het rapport aan de hand van objectieve gegevens is beoordeeld of kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden. De conclusie van deze voortoets is dat dit niet kan. Een verdere passende beoordeling met bijvoorbeeld een verschilberekening of een inhoudelijk, ecologisch (veld)onderzoek is niet gemaakt.

7.5. Zoals hiervoor is weergegeven is het plan een in hoofdzaak conserverend bestemmingsplan. Deze conserverende regeling neemt niet weg dat het plan, gelet op de bouwregels die in de artikelen 3.2, 3.3, 4.2 en 4.3 van de planregels zijn opgenomen, mogelijkheden biedt om met een afwijkingsvergunning bebouwing ten behoeve van veehouderijen uit te breiden.

7.6. Door in het plan op te nemen dat alleen van het bouwverbod kan worden afgeweken als dat stikstofneutraal gebeurt, heeft de raad beoogd te regelen dat toch uitgesloten is dat het plan significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft. In de kern wordt zodoende intern gesaldeerd.

In de planregels is stikstofneutraal als volgt gedefinieerd:

"Bouwen, gebruiken en/of aanleggen waarbij geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, hierbij geldt dat de (vermeende) stikstofdepositie moet worden afgezet tegenover hetgeen ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig, gebruikt en/of aangelegd is c.q. mag zijn;".

7.7. In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen in het kader van bestemmingsplannen gewijzigd. De Afdeling overweegt in die uitspraak dat bij plannen die voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen, de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling op voorhand zijn uitgesloten (de voortoets). Onder de referentiesituatie moet de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan worden verstaan. Intern salderen met de referentiesituatie mag, onder voorwaarden, wel als mitigerende maatregel betrokken worden in de passende beoordeling.

Deze rechtspraakwijziging heeft gevolgen voor het plan. Ontwikkelingen waarbij wordt gesaldeerd met de referentiesituatie, voldoen op grond van het plan namelijk aan het criterium van stikstofneutraliteit. Voor deze ontwikkelingen kan een afwijkingsvergunning worden verleend door het college van burgemeester en wethouders. Naar het oordeel van de Afdeling moet de raad al bij de vaststelling van het plan afwegen of de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden aanvaardbaar is. Deze afweging kan niet pas plaatsvinden op het moment dat van de afwijkingsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1261, onder 41.4. Gelet op de uitspraak van 14 januari 2026 bestaat niet op voorhand de zekerheid dat significante effecten zijn uitgesloten bij de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden. Het plan maakt daarom ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die gelet op de uitkomst van de voortoets passend hadden moeten worden beoordeeld. Dat is ten onrechte niet gebeurd.

7.8. Daar komt bij dat de raad in de definitie van stikstofneutraliteit is uitgegaan van een onjuiste referentiesituatie. Door de zinsnede "c.q. mag zijn", wordt de stikstofdepositie van de ruimtelijke ontwikkeling namelijk ten onrechte afgezet tegen een situatie die planologisch gezien wel mag worden gerealiseerd, maar feitelijk nog niet is gerealiseerd.

Ook heeft de raad onvoldoende inzicht gegeven in de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie van de agrarische bedrijven in het plangebied waaraan met dit plan de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" is toegekend. Op grond van het voorheen geldende plan "Buitengebied Teteringen" gold voor de percelen van een groot deel van die agrarische bedrijven de bestemming "Agrarisch bouwvlak A". Percelen met die bestemming mogen niet alleen worden gebruikt voor de uitoefening van een veehouderij, maar ook voor de uitoefening van een akkerbouwbedrijf en vice versa. De raad heeft op de zitting erkend dat de weergave van de verschillende typen agrarische bedrijven in het plangebied onjuistheden bevat. Het is daarom niet uitgesloten dat op de locaties waarop ten tijde van de vaststelling van het plan een akkerbouwbedrijf was gevestigd, nu een veehouderij is toegestaan. Samengevat betekent dit dat voor het bepalen van de referentiesituatie het ten onrechte mogelijk is dat niet gerealiseerde activiteiten worden meegenomen en mogelijk wordt uitgegaan van een onjuist type agrarisch bedrijf.

7.9. Verder maakt het plan ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die gelet op de uitkomst van de voortoets ook passend moeten worden beoordeeld. De voorwaarde dat de in het plan voorziene ontwikkelingen stikstofneutraal moeten plaatsvinden, is namelijk alleen gekoppeld aan de bouwregels van het plan en niet aan de gebruiksregels. Weliswaar is in de definitie van stikstofneutraliteit wel opgenomen dat gronden alleen mogen worden gebruikt als er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, maar deze definitie is niet gekoppeld aan de gebruiksregels van het plan. Het is niet uitgesloten dat de maximale capaciteit van reeds gebouwde stallen ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was bereikt, zodat uitbreiding van de veestapel zonder vergunningplichtige bouwwerkzaamheden mogelijk is. Zoals de vereniging en anderen terecht aanvoeren, leidt dit ertoe dat het plan ook meer beweiding mogelijk maakt ten opzichte van de referentiesituatie.

7.10. De onder 7.7 beschreven rechtspraakwijziging heeft ook gevolgen voor het plan, voor zover dat ziet op de realisatie van het kinderdagverblijf aan het Bergse Pad 5 en de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 4]-[locatie 5]. Aan deze twee plandelen heeft de raad een voortoets ten grondslag gelegd, waarin intern is gesaldeerd met de referentiesituatie. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 kunnen significante effecten als gevolg van deze ontwikkelingen op voorhand niet worden uitgesloten, zodat ook deze ontwikkelingen passend hadden moeten worden beoordeeld. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van de vereniging en anderen die gaan over de effecten van deze twee ontwikkelingen op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, geen bespreking.

7.11. Gelet op het voorgaande is het besluit van 28 mei 2025 in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8 van de Wnb vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Overige beroepsgronden

8. In het kader van finale geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding om ondanks het hierboven geconstateerde gebrek ook in te gaan op de overige beroepsgronden van de vereniging en anderen.

Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden

9. De vereniging en anderen betogen dat het besluit van 28 mei 2025 in strijd met artikel 3.15 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is vastgesteld. Volgens de vereniging en anderen is in artikel 19.7.1, onder a, van de planregels voor verschillende werken en werkzaamheden op gronden binnen de bestemming "Natuur" ten onrechte een vergunningplicht opgenomen. Werkzaamheden zoals het diepploegen en diepwoelen van de bodem of het aanleggen van wegen en paden, kunnen niet worden verricht zonder natuurwaarden te schaden. Deze werkzaamheden hadden daarom als strijdig gebruik met de bestemming moeten worden aangemerkt. Daarnaast is volgens de vereniging en anderen onduidelijk of de criteria in artikel 19.7.1, onder b, van de planregels voor het verlenen van deze omgevingsvergunning cumulatief of alternatief gelden. In het geval de voorwaarden alternatief gelden, dan kan al een omgevingsvergunning worden verleend zonder dat daaraan een goede afweging van belangen vooraf is gegaan. Verder wijzen zij op artikel 19.7.1, onder c, onder a, van de planregels. Dit artikel legaliseert werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan illegaal werden uitgevoerd. Ook dat is in strijd met artikel 3.15 van de IOV.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd met artikel 3.15 van de IOV is vastgesteld. In artikel 19.7.1 van de planregels is namelijk gewaarborgd dat er moet worden getoetst of de werkzaamheden zich verenigen met de aanwezige natuur- en landschappelijke waarden. Bovendien is artikel 19.7.1 van de planregels nagenoeg gelijk aan regelingen in andere bestemmingsplannen voor het buitengebied van Breda. Deze regeling wordt al lange tijd toegepast en blijkt goed werkbaar.

9.2. In artikel 19.7.1, onder a, van de planregels is een tabel opgenomen waarin elf verschillende werken en werkzaamheden zijn onderverdeeld in de categorieën "toegestaan", "omgevingsvergunning vereist" en "strijdig gebruik". De werken en werkzaamheden waar de vereniging en anderen naar verwijzen, vallen allemaal in de categorie "omgevingsvergunning vereist".

9.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de werken en werkzaamheden die zijn opgesomd in artikel 19.7.1, onder a, van de planregels, als strijdig gebruik moeten worden aangemerkt. Anders dan de vereniging en anderen betogen, is niet uitgesloten dat deze werken en werkzaamheden ook kunnen worden verricht zonder daarbij natuurwaarden te schaden of om deze juist te verbeteren.

9.4. De Afdeling is daarnaast van oordeel dat artikel 19.7.1, onder b, van de planregels voldoende duidelijk is. Uit dit artikel volgt dat de twee criteria voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden cumulatief gelden.

9.5. De Afdeling oordeelt ook dat artikel 19.7.1, onder c, onder a, van de planregels het mogelijk maakt dat werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan illegaal werden uitgevoerd, door het plan worden gelegaliseerd. De raad heeft op de zitting toegelicht dat met dit artikel is beoogd om te regelen dat artikel 19.7.1, onder c, onder a, van de planregels niet van toepassing is op werken en werkzaamheden die niet vergunningplichtig waren onder het vorige plan en al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. Het plan regelt daarmee iets anders dan de raad heeft beoogd en strekt niet tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de percelen in dit plan die in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) liggen. Het besluit van 28 mei 2025 is daarom in zoverre in strijd met artikel 3.15, eerste lid, van de IOV vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Gewijzigde vaststelling

10. De vereniging en anderen betogen dat in het plan niet goed is gemotiveerd waarom artikel 19.7.2 van de planregels gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan. De raad heeft namelijk niet gemotiveerd waarom de verplichting over het parkeren of stallen van auto’s en fietsen in dit artikel is geschrapt.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat dit artikel in overeenstemming is gebracht met het "Parapluplan Hospita en parkeren 2022", dat op 22 december 2022 is vastgesteld.

10.2. In het vaststellingsbesluit van 22 december 2022 van het plan is een overzicht van wijzigingen opgenomen die zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpplan. In dit overzicht is de oorspronkelijke versie van het artikel en de gewijzigde versie van het artikel opgenomen. Het staat de raad vrij om ambtshalve wijzigingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerpplan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt niet goed is gemotiveerd. Overigens heeft de raad in zijn verweerschrift toegelicht waarom deze wijziging is doorgevoerd, met verwijzing naar het "Parapluplan Hospita en parkeren 2022", dat op dezelfde dag is vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

[locatie 1] en [locatie 2]

Recreatiewoningen

11. De vereniging en anderen betogen dat het toekennen van de bestemming "Recreatie" aan de locaties aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Teteringen in strijd is met artikel 3.15, eerste lid, onder a, van de IOV. Volgens hen is het op grond van dit artikel niet mogelijk om een recreatiebestemming toe te kennen aan gronden die binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB) liggen.

Het toekennen van deze bestemming is volgens de vereniging en anderen ook niet mogelijk op grond van artikel 3.15, eerste lid, onder c, van de IOV. Op grond van dit artikel is het positief bestemmen van bestaande bebouwing binnen het NNB toegestaan, zolang het NNB nog niet is gerealiseerd. Volgens hen is aan de vereisten van dit artikellid niet voldaan, omdat op de percelen geen bestaande bebouwing aanwezig is. Weliswaar stonden er in het verleden twee recreatiewoningen, maar die zijn gesloopt. Op grond van artikel 16, eerste lid, van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen" mochten deze recreatiewoningen niet worden herbouwd. Daarnaast werd één van de recreatiewoningen vanaf 1997 permanent bewoond en ligt één van de voorziene recreatiebestemmingen op een andere plek dan waar vroeger de recreatiewoning stond. Bovendien is de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen" onduidelijk, zodat de exacte locatie van de recreatiebestemmingen niet kan worden bepaald. Daarom zijn de voorziene recreatiewoningen volgens de vereniging en anderen niet te kwalificeren als bestaande recreatiewoningen in de zin van artikel 16, eerste lid, van het bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen" en dus ook niet als bestaande bebouwing in de zin van artikel 3.15, eerste lid, van de IOV.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van de bestemming "Recreatie" aan deze percelen in overeenstemming is met artikel 3.15, eerste lid, onder c, van de IOV. Volgens de raad was er geen aanleiding om de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden voor recreatiewoningen op de percelen weg te bestemmen.

11.2. De Afdeling oordeelt dat het toekennen van de bestemming "Recreatie" aan de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in strijd is met artikel 3.15, eerste lid, onder a, van de IOV. Voor de twee percelen gold voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen". Op grond van dat bestemmingsplan gold voor beide percelen de bestemming "Recreatiewoningen". In het verleden hebben op de percelen twee recreatiewoningen gestaan. Deze recreatiewoningen zijn in 2017 gesloopt. Op 15 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda aan de hand van het bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen" een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee nieuwe recreatiewoningen. Deze woningen zijn inmiddels gerealiseerd. Tussen partijen is niet in geschil dat beide percelen in het NNB liggen en evenmin dat het realiseren van deze twee recreatiewoningen in het NNB niet strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken ter plaatse.

11.3. De Afdeling is echter van oordeel dat het toekennen van de bestemming "Recreatie" aan deze twee percelen wel in overeenstemming is met artikel 3.15, eerste lid, onder c, van de IOV. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingplan was namelijk al een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de recreatiewoningen. Op dat moment was ook al begonnen met de bouw van de recreatiewoningen. Voor zover de vereniging en anderen betogen dat de nieuwe recreatiewoningen in strijd met artikel 16, eerste lid, van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Teteringen" zijn vergund, verwijst de Afdeling naar wat zij in haar uitspraak van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5766, onder 11.2, heeft overwogen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de recreatiewoningen vallen onder artikel 3.15, eerste lid, onder c, van de IOV, op grond waarvan bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen het NNB.

Het betoog slaagt niet.

Cultuurhistorische waarden

12. De vereniging en anderen betogen tevergeefs dat het toekennen van de bestemming "Recreatie" aan de locaties aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Teteringen in strijd is met de cultuurhistorische waarden van het gebied. De enkele omstandigheid dat de percelen in het cultuurhistorisch waardevolle gebied de Princentafel liggen, betekent niet dat de cultuurhistorische waarden van dat gebied worden aangetast. Voor zover de vereniging en anderen verder verwijzen naar de zienswijze van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen is ingegaan op deze zienswijze. Zij hebben geen redenen gegeven waarom de weerlegging van die zienswijze onjuist zou zijn.

Bergse Pad 5

Gezondheid en ladder voor duurzame verstedelijking

13. De vereniging en anderen betogen dat de realisatie van een kinderdagverblijf op deze locatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het kinderdagverblijf bevindt zich namelijk in de onmiddellijke nabijheid van meerdere veehouderijen, waaronder een geitenhouderij, en dat leidt tot gezondheidsrisico’s voor de kinderen. Zij verwijzen naar het GGD-advies van 10 april 2019 dat specifiek gaat over deze ontwikkeling.

13.1. Daarnaast betogen de vereniging en anderen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld, omdat de ladder voor duurzame verstedelijking niet is doorlopen. Volgens de hen kwalificeert het kinderdagverblijf als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, onder i, van het Bro, omdat het een zorgvoorziening betreft. Bovendien is het perceel met de aanduiding "kinderdagverblijf" circa 1.300 m² groot, waardoor het op grond van de uitgangspunten uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 6.3, in beginsel als een stedelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt.

13.2. De vereniging en anderen hebben eerder een voorlopige voorziening aangevraagd voor onder meer dit plandeel. In haar uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2175, onder 9.1, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling geoordeeld dat uit het GGD-advies niet blijkt dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Ook heeft de voorzieningenrechter onder 10.4 geoordeeld dat het kinderdagverblijf, dat maximaal 400 m² aan bedrijfsbebouwing mag hebben, niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zodat de raad niet gehouden was de ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Het betoog slaagt niet.

[locatie 6]

Shiitake

14. De vereniging en anderen betogen dat het besluit van 28 mei 2025 voor deze locatie in strijd met artikel 3.15, eerste lid, van de IOV is vastgesteld. Volgens de hen is in het plan ten onrechte niet verzekerd dat alleen extensieve, kleinschalige teelt van shiitake-paddenstoelen mag plaatsvinden en geen intensieve teelt. Intensieve teelt van paddenstoelen strekt niet tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en is ook niet passend bij de daar geldende natuurbestemming. Volgens de vereniging en anderen is ook de ondergeschikte teelt van paddenstoelen ter plaatse van een natuurbestemming in strijd met artikel 3.15 van de IOV, omdat niet duidelijk is wat met ondergeschikt gebruik wordt bedoeld.

14.1. Artikel 8.1 van de planregels luidt:

"De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

f. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur - teelt shiitake’ tevens het medegebruiken van de gronden ten behoeve van het kweken van paddenstoelen"

14.2. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft dit artikel in de uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2175, bij wijze van voorlopige voorziening gewijzigd, door te bepalen dat het gaat om het ondergeschikt gebruiken van de gronden ten behoeve van het kweken van shiitakes. De raad verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien door deze bestemmingsregeling op te nemen in het plan. Bij brief van 9 oktober 2025 heeft de raad verzocht om aanvullend daarop in het artikel op te nemen dat een oppervlakte van maximaal 30% van het perceel met deze functieaanduiding voor de teelt van shiitake mag worden gebruikt.

14.3. De Afdeling overweegt dat artikel 8.1, onder f, van de planregels ook toestaat dat andere soorten paddenstoelen dan shiitake mogen worden geteeld, terwijl het volgens de raad de bedoeling is dat ter plaatse alleen shiitake mag worden geteeld. Het artikel regelt in zoverre iets anders dan de raad heeft beoogd. Daarnaast is in artikel 8.1, onder f, van de planregels weliswaar opgenomen dat alleen het medegebruiken van de gronden voor het kweken van paddenstoelen is toegestaan, maar daarmee is niet uitgesloten dat een perceel van circa 2,5 hectare wordt gebruikt voor die teelt. De Afdeling sluit daarom niet uit dat deze functieaanduiding gevolgen kan hebben voor de natuurwaarden ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van de raad gelegen om, indien mogelijk, te motiveren waarom het gebruik van deze gronden voor de teelt van shiitake-paddenstoelen strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken ter plaatse. Dat heeft de raad niet gedaan. Het besluit van 28 mei 2025 is daarom in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Conclusie

15. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 mei 2025 moet worden vernietigd.

Verzoek om een bestuurlijke lus toe te passen

16. De raad heeft op de zitting aangegeven de gebreken met een bestuurlijke lus te willen repareren. De Afdeling vindt een reparatie aan de hand van een bestuurlijke lus in dit geval echter niet wenselijk. De raad zal namelijk moeten beoordelen of hij de mogelijkheid tot gebruikmaking van intern salderen bij de uitbreidingsmogelijkheden in het plan wil behouden. Als dat het geval is, dan zal de raad een passende beoordeling aan het plan ten grondslag moeten leggen. Daarbij geldt dat intern salderen alleen als mitigerende maatregel in de passende beoordeling mag worden betrokken als, onder meer, voor die maatregel is voldaan aan het additionaliteitsvereiste (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193). Ook geldt daarbij dat de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie van alle agrarische bedrijven in het plangebied ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in kaart moet worden gebracht. Het is daarom niet aannemelijk dat een bestuurlijke lus in dit geval leidt tot snellere besluitvorming. Bovendien heeft de raad op de zitting aangegeven dat initiatieven, waarvan de raad wenst dat zij eerder doorgang kunnen vinden, ook aan de hand van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk kunnen worden gemaakt. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.

Verzoek om zelf in de zaak te voorzien

17. Omdat de Afdeling tot de conclusie komt dat het besluit van 28 mei 2025 in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8 van de Wnb vastgesteld, is er ook geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de voorgestelde wijziging van artikel 8.1, onder f, van de planregels in het plan op te nemen.

Daarover merkt de Afdeling nog op dat deze wijziging de onzekerheid over de vraag of het telen van shiitake strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken ter plaatse, niet wegneemt. Daarbij is van belang dat als de teelt van shiitake wordt beperkt tot een oppervlakte van 30% van het perceel, er nog steeds een oppervlakte van circa 0,75 hectare voor de teelt van shiitake mag worden gebruikt. Ook de vervanging van de term medegebruiken door ondergeschikt gebruiken, neemt die onzekerheid niet weg.

Conclusie besluit van 22 december 2022

18. De gebreken die kleven aan het besluit van 28 mei 2025, kleven ook aan het besluit van 22 december 2022. Het beroep tegen dat besluit is daarom gegrond. Het besluit van 22 december 2022 moet worden vernietigd.

19. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.

20. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 18, zijn op een eventueel nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Overschrijding redelijke termijn

21. [partij C] heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

21.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn voor [partij C] als derde-belanghebbende begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

21.2. De Afdeling heeft het beroepschrift ontvangen op 16 maart 2023. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim 13 maanden overschreden.

21.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

Proceskosten

22. De raad moet de proceskosten van de vereniging en anderen vergoeden.

23. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die [partij C] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen de besluiten van de raad van de gemeente Breda van 22 december 2022 en 28 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" gegrond;

II. vernietigt de besluiten van de raad van de gemeente Breda van 22 december 2022 en 28 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost";

III. draagt de raad van de gemeente Breda op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [partij C] een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen;

VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [partij C] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Breda tot vergoeding van bij de vereniging en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.368,85, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Breda aan de vereniging en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 365,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Hoekstra

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

723-1092

Bijlage:

Wet natuurbescherming

Artikel 2.7

1 Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8.

[…]

Artikel 2.8

1 Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

[…]

3 Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

[…]

Interim-Omgevingsverordening Noord-Brabant (geldend van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023)

Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;

b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.

[…]

Bestemmingsplan "Buitengebied Noordoost" (vastgesteld op 28 mei 2025)

1.79 Stikstofneutraal

Bouwen, gebruiken en/of aanleggen waarbij geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, hierbij geldt dat de (vermeende) stikstofdepositie moet worden afgezet tegenover hetgeen ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig, gebruikt en/of aangelegd is c.q. mag zijn;

3.2 Bouwregels

Op of in de tot 'Agrarisch met waarden- Landschapswaarden' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat:

a. alle bebouwing, met uitzondering van terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is toegestaan;

b. niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij , een glastuinbouwbedrijf en de bouw of uitbreiding van kassen, tenzij het gaat om:

1. de bouw, verbouw of uitbreiding van de bedrijfswoning,

2. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een veehouderij die niet gebruikt gaan worden voor de huisvesting van dieren.

[…]

3.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 bestemmingsomschrijving en 3.2 bouwregels mits wordt voldaan aan de Bijlage 1 Landschapsinvesteringsregeling Breda:

[…]

f. voor het bouwen ten behoeve van een veehouderij, waaronder in ieder geval wordt verstaan het bouwen, verbouwen en/of uitbreiden van een veehouderij, met dien verstande dat

1. aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd en gebruikt;

[…]

4.2 Bouwregels

Op of in de tot Agrarisch met waarden- Natuur- en Landschapswaarden bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming met dien verstande dat:

[…]

b. niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij , een glastuinbouwbedrijf en de bouw of uitbreiding van kassen, tenzij het gaat om:

1. de bouw, verbouw of uitbreiding van de bedrijfswoning,

2. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een veehouderij die niet gebruikt gaan worden voor de huisvesting van dieren;

[…]

4.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 bestemmingsomschrijving en/of 4.2 bouwregels mits wordt voldaan aan Bijlage 1 Landschapsinvesteringsregeling Breda:

[…]

g. voor het bouwen ten behoeve van een veehouderij, waaronder in ieder geval wordt verstaan het bouwen, verbouwen en/of uitbreiden van een veehouderij, met dien verstande dat:

1. aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd en gebruikt;

[…]

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

f. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur - teelt shiitake’ tevens het medegebruiken van de gronden ten behoeve van het kweken van paddenstoelen;

[…]

19.7.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden

a. Verboden werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden, onder verwijzing naar de tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden, de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

Overzicht van werken en werkzaamheden

Bodem

a. Het verlagen en/of egaliseren van de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen.

b. Het ophogen van de bodem1.

c. Het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem zoals het indrijven van voorwerpen in de bodem, allen dieper dan 0,30 meter.

d. Het aanleggen en/of verharden van wegen en paden zoals bedrijfswegen, onderhoudspaden, paden voor dagrecreatief medegebruik, dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak'.

e. Het aanbrengen van tijdelijk teeltondersteunend voorzieningen.

[…]

b. Voorwaarden voor de omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 19.7.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden onder a. Verboden werkzaamheden is slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het verkeersbelang, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd dan wel de in geval van de aanwezigheid van boven- of ondergrondse leidingen de betreffende leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven.

[…]

c. Toegestane werkzaamheden

Het bepaalde onder 19.7.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden onder a. Verboden werkzaamheden is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

[…]

Bestemmingsplan Buitengebied Teteringen

Artikel 16 Recreatiewoningen

I. Doeleindenomschrijving

De op de kaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatief woongebruik van bestaande recreatiewoningen met bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.

II. Bouwvoorschriften

Op de als zodanig bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat

1. per bestemmingsvlak één recreatiewoningen aanwezig mag zijn c.q. gebouwd mag worden met een maximale inhoud van 150 m2, inclusief de ruimten beneden peil, terwijl de goothoogte en bouwhoogte respectievelijk maximaal 4 meter en 5,50 meter mogen bedragen;

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand