ECLI:NL:RVS:2026:2545

ECLI:NL:RVS:2026:2545

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer BRS.26.000059
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.000059

ECLI:NL:RVS:2026:2545

Datum uitspraak: 7 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 december 2025 in zaak nr. NL25.11601 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, hoger beroep ingesteld.

De minister en appellant hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 5 juni 2024 een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning als Turkse werknemer op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van Besluit nr. 1/80 ingediend. De minister heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing naar het afwijzende besluit van 31 mei 2023 op de eerste aanvraag, omdat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn tweede aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

2. Appellant klaagt in hoger beroep terecht over dit oordeel. De Afdeling heeft bij uitspraak van 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1453, zijn hoger beroep in de procedure over zijn eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning als Turkse werknemer op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van Besluit nr. 1/80 gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar van 18 april 2024 vernietigd. De Afdeling heeft geconcludeerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen legale arbeid in de zin van artikel 6 van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht, omdat hij als tijdelijk beschermde geen onbetwist verblijfsrecht had en zich daarom niet in een stabiele en bestendige situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bevond. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant in deze procedure ook slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, omvat het tijdelijke verblijfsrecht van appellant op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming in dit geval wel een onbetwist verblijfsrecht, waardoor zijn reële en daadwerkelijke arbeid bij een Nederlandse werkgever legale arbeid in de zin van artikel 6 van het Besluit nr. 1/80 is. Het oordeel van de rechtbank dat de minister de aanvraag mocht afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit van 31 mei 2023, houdt dan ook geen stand.

2.1. De grieven slagen.

3. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 13 maart 2026 volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 12 februari 2025. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 december 2025 in zaak nr. NL25.11601;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 12 februari 2025, V-[...];

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 491,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Iedema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026

915-1088

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.L. Iedema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand