ECLI:NL:RVS:2026:2565

ECLI:NL:RVS:2026:2565

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202600356/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 11 juli 2025 heeft de examinator de toets ASW-V3JSOCINT-19, Sociaal functioneren integraal niveau 3 (sociaal functioneren niveau 3) beoordeeld met ‘Niet Voldaan’. [appellante] volgt de opleiding Social Work bij de Hogeschool Utrecht. Het derde studiejaar van deze opleiding bevat een stage. [appellante] heeft stage gelopen bij Stichting Asha in Utrecht in het studiejaar 2020-2021. Voor de stage moeten twee portfolio’s worden ingeleverd: een portfolio behorend bij de leeruitkomsten op niveau 2 en een portfolio behorend bij de leeruitkomsten op niveau 3. De beoordeling van het vak sociaal functioneren niveau 3 bestaat ook uit twee onderdelen: het portfolio op niveau 3, en een CriteriumGericht Interview (CGI). [appellante] betoogt dat het te lang heeft geduurd totdat de beoordeling heeft plaatsgevonden. Uit de toepasselijke regeling volgt dat de uitslag van een toets binnen vijftien werkdagen na de datum van de toets aan de student bekend wordt gemaakt. In het geval van [appellante] is pas na zes weken een beoordeling bekend gemaakt.

Uitspraak

202600356/1/A2.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Utrecht (CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 11 juli 2025 heeft de examinator de toets ASW-V3JSOCINT-19, Sociaal functioneren integraal niveau 3 (sociaal functioneren niveau 3) beoordeeld met ‘Niet Voldaan’.

Bij beslissing van 11 september 2025 heeft de examencommissie het verzoek van [appellante] om een herbeoordeling van de toets afgewezen.

Bij beslissing van 15 december 2025 heeft het CBE de door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. Doruk, advocaat te Alkmaar, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. J. Ferrero, K. Stampfl, Q. Masius en J. Janssen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] volgt de opleiding Social Work bij de Hogeschool Utrecht. Het derde studiejaar van deze opleiding bevat een stage. [appellante] heeft stage gelopen bij Stichting Asha in Utrecht in het studiejaar 2020-2021. Voor de stage moeten twee portfolio’s worden ingeleverd: een portfolio behorend bij de leeruitkomsten op niveau 2 en een portfolio behorend bij de leeruitkomsten op niveau 3. De beoordeling van het vak sociaal functioneren niveau 3 bestaat ook uit twee onderdelen: het portfolio op niveau 3, en een CriteriumGericht Interview (CGI).

2. Op 30 mei 2025 heeft [appellante] haar portfolio op niveau 3 ingeleverd. [appellante] heeft op die datum ook haar portfolio op niveau 2 ingeleverd. Daarna heeft het CGI plaatsgevonden op 11 juli 2025. Daarbij was de praktijkbegeleider van de stage van [appellante] aanwezig. [appellante] heeft voor Sociaal functioneren niveau 3 de beoordeling ‘Niet Voldaan’ gekregen. Haar toets is door twee examinatoren beoordeeld. In deze beoordeling is opgenomen dat de taken die [appellante] tijdens haar stage heeft verricht onvoldoende complex zijn voor niveau 3. De vereiste leeruitkomsten op niveau 3 zijn niet aantoonbaar behaald, [appellante] heeft geen begeleidingstraject uitgevoerd op niveau 3 en zij heeft onvoldoende blijk gegeven van methodisch en systeemgericht werken. [appellante] heeft tegen de beoordeling administratief beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij verzocht om een herbeoordeling. De examencommissie heeft dit verzoek afgewezen, omdat er volgens haar geen procedurele of inhoudelijke gebreken zijn die daartoe noodzaken. [appellante] heeft tegen deze afwijzing eveneens administratief beroep ingesteld.

3. In de beslissing van 15 december 2025 heeft het CBE overwogen dat het, gelet op de voor de behandeling van een administratief beroep geldende bepalingen, slechts moet beoordelen of de beslissing genomen is in strijd met het geschreven of ongeschreven recht. De beoordeling van de stage valt uitsluitend binnen de bevoegdheid van de examinator. Het CBE heeft de administratief beroepen ongegrond verklaard. Het CBE heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de beoordeling niet onzorgvuldig is geweest. Er is voldoende gemotiveerd waarom de complexiteit en systemische aanpak die op niveau 3 worden verlangd niet zijn aangetoond. Het risico dat noodzakelijke feedback ten aanzien van het behalen van de leeruitkomsten op niveau 3 voor [appellante] ontbrak doordat zij haar portfolio’s voor niveau 2 en 3 gelijktijdig heeft ingeleverd, komt voor haar rekening. Het oordeel van de praktijkbegeleider ziet op het functioneren in de praktijk, en omvat niet de integrale toetsing van leeruitkomsten op niveau 3. Ten aanzien van het verzoek om herbeoordeling door een onafhankelijke examinator heeft het CBE zich op het standpunt gesteld dat de examencommissie een zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd naar de procedurele aspecten van de beoordeling, dat daaruit is gebleken dat de beoordeling correct is uitgevoerd, dat de examinator op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd hoe het oordeel tot stand is gekomen en dat er geen fouten zijn gemaakt in het beoordelingsproces.

Beoordelingskader

4. Op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende de beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling. Deze bepaling is opgenomen in hoofdstuk 8 van de Awb. Dit hoofdstuk bevat bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter en is daarmee alleen van toepassing op de beroepsprocedure bij de bestuursrechter.

5. Gelet op de voor de behandeling van het administratief beroep geldende bepalingen en uitgangspunten mag het CBE op grond van artikel 7.61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Whw) slechts beoordelen of het beroepen besluit is genomen in strijd met het recht en mag het, gezien het vijfde lid van deze bepaling, niet zelf in de zaak voorzien. De beslissing van het CBE in administratief beroep kan daarom niet gelijk worden gesteld met een besluit inhoudende de beoordeling van een kennen of kunnen als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De bestuursrechter is in dat geval bevoegd van een beroep tegen een besluit van de administratieve beroepsinstantie kennis te nemen, maar mag dat besluit slechts toetsen aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. Die beoordeling kan, kortom, geen betrekking hebben op de inhoud van het afgelegde examen of de afgelegde toets (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1428, onder 8 en 9).

Beroep

6. [appellante] betoogt dat het te lang heeft geduurd totdat de beoordeling heeft plaatsgevonden. Uit de toepasselijke regeling volgt dat de uitslag van een toets binnen vijftien werkdagen na de datum van de toets aan de student bekend wordt gemaakt. In het geval van [appellante] is pas na zes weken een beoordeling bekend gemaakt.

6.1. Zoals hiervoor is overwogen, bestaat het vak sociaal functioneren niveau 3 uit twee onderdelen. Het tweede onderdeel van dit vak heeft [appellante] afgelegd op 11 juli 2025. Op diezelfde datum is het resultaat van de beoordeling voor dit vak in Osiris geregistreerd.

6.2. Het betoog slaagt niet.

7. [appellante] betoogt dat in strijd met geldende procedurele voorschriften, zoals die volgen uit de beoordelingsprocedure assessment sociaal functioneren 3 (2021-2022), bij het CGI twee examinatoren aanwezig waren. De aanwezigheid van een extra examinator heeft de dynamiek en machtsverhouding van het gesprek veranderd. Verder heeft een van de examinatoren gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid, door haar voorafgaand aan het CGI af te raden om het CGI uit te voren, omdat dat niet zou kunnen veranderen dat zij in de praktijk te weinig heeft laten zien. Aan de beslissing van 15 december 2025 kleeft een motiveringsgebrek, omdat op het aspect van vooringenomenheid niet is ingegaan.

7.1. [appellante] heeft haar portfolio ingeleverd op 30 mei 2025. Op dat moment gold de Onderwijs- en Examenregeling (OER) 2024-2025 van de Hogeschool Utrecht. In de OER is in artikel 4.1 opgenomen dat een toets wordt beoordeeld door één of meerdere examinatoren. Uit de meest recente toetsinstructie van Sociaal functioneren, niveau 3, volgt ook niet dat de beoordeling moet wordt verricht door één examinator. Zoals het CBE heeft toegelicht, is de beoordeling bovendien juist vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid verricht door twee examinatoren, en worden eindbeoordelingen op niveau 3, waarbij op basis van het portfolio twijfel bestaat of de student het vak haalt, altijd verricht door twee examinatoren. Dit kan niet worden aangemerkt als een onzorgvuldige beoordelingsprocedure. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van vooringenomenheid. Uit de overgelegde e-mail van 27 juni 2025 blijkt dat de strekking van de opmerking van de betrokken examinator een advies was op basis van een waardering op dat moment van wat in [appellante] in de praktijk had laten zien. Uit de e-mail blijkt dat deze examinator de keuze over het vervolg (het aangaan van het CGI dan wel het volgen van een extra stage) bij [appellante] laat. Verder was in het administratief beroepschrift van [appellante] onder ‘onderbouwing van het beroep’ niet opgenomen dat de examinator vooringenomen was, en dat ten onrechte twee examinatoren aanwezig waren. Van een motiveringsgebrek is daarmee geen sprake.

7.2. Het betoog slaagt niet.

8. [appellante] betoogt dat de beoordeling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. [appellante] is beoordeeld op basis van het beoordelingsformulier 2023-2024. Bij een opfriscursus is haar echter verteld dat zij haar portfolio volgens het oude beoordelingsformulier mocht inleveren. Haar studieloopbaanbegeleider heeft in mei 2025 bevestigd dat [appellante] de portfolio’s volgens de oude toetsvorm mocht maken. Daarmee is toegezegd dat de beoordeling zou plaatsvinden volgens de beoordelingscriteria die golden tijdens haar stage in 2020-2021. Het beoordelingsformulier van het jaar 2023-2024 hanteert criteria waarover [appellante] geen onderwijs heeft gehad, in het bijzonder het vereiste van methodisch werken volgens de regulatieve cyclus.

8.1. Zoals het CBE heeft aangegeven, worden in de digitale leeromgeving, Canvas, de geldende beoordelingscriteria kenbaar gemaakt. De informatie op Canvas voor de groep van [appellante] verwees naar het meest recente beoordelingsformulier. Op de zitting bij de Afdeling heeft het CBE toegelicht dat, hoewel de vragen van het beoordelingsformulier 2020-2021 en het beoordelingsformulier 2023-2024 in formulering van elkaar verschillen, de strekking van deze vragen dezelfde is. Dit geldt ook voor de vraag naar het werken volgens de regulatieve cyclus. Van een situatie waarin [appellante] beoordeeld is op basis van uitgangspunten waarover zij geen onderwijs heeft kunnen volgen, is daarmee geen sprake.

8.2. Het betoog slaagt niet.

9. [appellante] betoogt dat het in strijd met geldende procedurele voorschriften is dat het advies van de praktijkbegeleider, zoals hij dat heeft gegeven bij het CGI op 11 juli 2025, niet is meegewogen in het eindoordeel. De examinator zou in beginsel moeten uitgaan van de beoordeling door de praktijkbegeleiders, omdat vanuit de opleiding geen of beperkt zicht is op het functioneren van de student tijdens de stage. [appellante] verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2166. Het CBE heeft de discrepantie tussen het positieve oordeel van de praktijkbegeleider en het negatieve oordeel van de examinator onvoldoende onderzocht. Op dit punt is ook sprake van een motiveringsgebrek.

9.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft het CBE toegelicht dat met het oordeel van de praktijkbegeleider rekening is gehouden bij de beoordeling. De Afdeling ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Het CBE heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het advies van de praktijkbegeleider een relevant, maar geen doorslaggevend element in de beoordeling betreft. De bevoegdheid voor de beoordeling ligt, op grond van artikel 7.12c, eerste lid, van de Whw, bij de examinator. De uitspraak waar [appellante] ziet niet op een vergelijkbaar geval, omdat in dat geval het oordeel over een cursusonderdeel wél was voorbehouden aan de praktijkbegeleiders. In de beslissing van 15 december 2025 heeft het CBE overwogen dat de praktijkbegeleider weliswaar een positieve indruk van [appellante] kenbaar heeft gemaakt, maar dat haar oordeel ziet op het functioneren in de praktijk en geen integrale toetsing van de leeruitkomsten op niveau 3 omvat. Het CBE heeft daarmee ook inzichtelijk gemaakt waarom het oordeel van de praktijkbegeleider en de examinator van elkaar verschillen, nu zij reflecteren op verschillende aspecten.

9.2. Het betoog slaagt niet.

10. [appellante] betoogt verder dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat het beoordelingsdocument van 11 juli 2025 niet duidelijk maakt waarom de taken niet aan niveau 3 voldeden, en welke concrete aanvullingen nodig zouden zijn om wel aan niveau 3 te voldoen. Zij heeft herhaaldelijk verzocht om informatie over wat zij nog moest doen om alsnog een voldoende te krijgen. Op haar verzoek om concrete specificatie heeft zij geen inhoudelijk antwoord gekregen.

10.1. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar standpunt dat in het beoordelingsformulier geen motivering is opgenomen. Zo staat onder ‘reflectie’ dat [appellante] tijdens het CGI benoemde wat zij anders zou aanpakken, maar dat het nog lastig was om theorie aan haar reflectie te koppelen, zoals ouderschapstheorie. Voor zover [appellante] de wijze waarop het beoordelingsformulier door de examinator is ingevuld verder betwist, kan de Afdeling dit niet kan beoordelen, gelet op wat hiervoor onder 4 en 5 is overwogen.

10.2. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Jong

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

1014

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.S. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand