202600296/1/A2.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 9 april 2025 heeft de examencommissie van de faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen (de examencommissie) een door [appellante] afgelegd tentamen Klankleer I beoordeeld met het cijfer 4,9. Naar aanleiding van het schikkingsvoorstel is de beoordeling van tentamen aangepast naar het cijfer 5,0.
Bij beslissing van 11 december 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.E.A. Donkersloot, dr. Q.L. van den Hoogen en dr. A.F. Martin, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] volgt sinds 1 september 2023 de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen. [appellante] heeft in verband met een functiebeperking tentamenvoorzieningen aangevraagd. De studentendecaan heeft over de tentamenvoorzieningen een advies uitgebracht op 13 januari 2025. Bij beslissing van 27 januari 2025 heeft de examencommissie aan [appellante] vanwege bijzondere omstandigheden drie (tentamen)voorzieningen toegekend: verlenging van de tentamentijd met 10 minuten per uur tentamen, coulance ten aanzien van de aanwezigheidsplicht en coulance ten aanzien van deadlines. Met de beslissing van 5 juni 2025 is aan [appellante] ook als tentamenvoorziening toegekend dat zij bij een digitaal tentamen een tentamen op schrift met vergroot lettertype mag maken.
2. Bij beslissing van 9 april 2025 heeft de examinator het tentamen Klankleer I van [appellante] beoordeeld met het cijfer 4,9. Dit cijfer is na het schikkingsvoorstel van de examencommissie aangepast naar het cijfer 5,0.
In de beslissing van 11 december 2025 heeft het CBE overwogen dat hij, gelet op de voor de behandeling van het administratief beroep geldende bepalingen slechts mag beoordelen of de beslissing genomen is in strijd met het recht. Dat volgt uit artikel 7.61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de beoordeling van het tentamen Klankleer 1 onzorgvuldig is geweest. Daarbij heeft het CBE betrokken dat er alsnog een inzagemoment heeft plaatsgevonden, waarbij [appellante] haar oorspronkelijke tentamen heeft kunnen inzien, en dat de dubbeltelling in het tentamen is gecorrigeerd door aan [appellante] het cijfer 5 toe te kennen. Dat het tentamen Klankleer 1 meer onvolkomenheden of onzorgvuldigheden bevatte waardoor de beoordeling niet in stand zou kunnen blijven, is niet gebleken.
3. De bestuursrechter is, gelet op artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een geval als dit bevoegd om van de beslissing van de administratieve beroepsinstantie kennis te nemen, maar dient de beslissing alleen te toetsen aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. De beoordeling kan geen betrekking hebben op de inhoud van het afgelegde examen of de afgelegde toets. (zie bijvoorbeeld: de uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1428, onder 9).
Beroep
4. [appellante] betoogt dat haar tentamen ongeldig verklaard zou moeten worden, zodat zij een extra tentamenkans krijgt voor Klankleer 1. [appellante] betoogt dat de wijze van beoordeling niet juist was. Het CBE heeft daar volgens [appellante] onvoldoende onderzoek naar gedaan. [appellante] had in administratief beroep aangevoerd dat er tentamenvragen waren die onduidelijk waren en die buiten de opgegeven lesstof vielen en dat het antwoordmodel onvolledig was. Zo heeft zij benoemd dat bepaalde meerkeuzevragen geen correct antwoord kenden. De beslissing bevat op dit punt een motiveringsgebrek.
4.1. Het betoog van [appellante] komt erop neer dat dat de meerkeuzevragen niet correct waren gesteld, omdat het niet mogelijk was om op de vragen een eenduidig antwoord te geven. Dit ziet op een inhoudelijke beoordeling, die vanwege het voorgeschreven toetsingskader van artikel 7:61, tweede, van WHW buiten de reikwijdte van de toetsing in administratief beroep valt (zie bijvoorbeeld: de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1296, onder 5.4). Het CBE heeft in de beslissing van 11 december 2025 voorop gesteld dat hij, vanwege dit kader, zich niet inhoudelijk in de beoordeling kan mengen. Aan de beslissing kleeft daarom geen motiveringsgebrek. Van een zorgvuldigheidsgebrek is, gelet op het toetsingskader, ook geen sprake.
Het betoog slaagt niet.
5. [appellante] betoogt verder dat de tentamenbeoordeling onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot het daarmee te dienen doel. De beoordeling verhindert de afronding van de propedeutische fase, blokkeert de toegang tot vervolgvakken en minoren en leidt tot feitelijke stilstand en stapeling van vakken. Het CBE had moeten onderzoeken of de beslissing noodzakelijk was om het doel te bereiken, of dat een maatregel kon worden toegepast die minder belastend was, zoals het toestaan van een aanvullende toetsmogelijkheid of herbeoordeling door een tweede examinator.
5.1. Zoals hiervoor is overwogen, mag het CBE bij de behandeling van een administratief beroep slechts beoordelen of de beslissing in strijd met het recht is genomen. Een tentamen is een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek. Op grond van artikel 7.1, derde lid, van de OER wordt voor het beoordelen van toetsen een schaal van 1,0 tot en met 10,0 gebruikt en wordt het resultaat uitgedrukt in een cijfer. Op grond van artikel 7.1, vijfde lid, van de OER wordt een tentamen dat rechtmatig is afgelegd, in alle gevallen beoordeeld.
Het betoog slaagt niet.
6. [appellante] betoogt verder dat het tentamen op 27 maart 2025 niet zorgvuldig is afgenomen, omdat haar geen extra tentamentijd was toegekend, en zij het tentamen digitaal moest afleggen. Het advies van de decaan over deze voorzieningen was al op 13 januari 2025 gegeven. Het dient niet voor haar rekening te komen dat vervolgens over deze voorzieningen pas later, op 5 juni 2025, een beslissing is genomen. Dit is volgens [appellante] in strijd met artikel 7.10 van de Onderwijs- en Examenregeling (OER) van de Faculteit der Letteren 2024-2025. Verder mocht [appellante] geen gebruik mocht maken van kladpapier, terwijl dit andere studenten wel werd toegestaan.
6.1. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar standpunt dat het tentamen van 27 maart 2025 onzorgvuldig is afgenomen. Uit artikel 7.10, eerste lid, van de OER volgt dat aan studenten met een functiebeperking de gelegenheid wordt geboden om tentamens op een zoveel mogelijk aan hun individuele handicap aangepaste wijze af te leggen. Voorafgaand aan deze beslissing wint de examencommissie zonodig deskundig advies in bij de studentendecaan. De examencommissie heeft, in lijn met deze bepaling, advies ingewonnen bij de studentendecaan. Dit is het advies zoals dat is uitgebracht op 13 januari 2025, waarover de examencommissie een beslissing heeft genomen op 27 januari 2025. Dat aan [appellante] bij beslissing van 5 juni 2025 de tentamenvoorziening is toegekend dat zij een digitaal tentamen op schrift mag maken, betekent niet dat het tentamen van 27 maart 2025 onzorgvuldig is afgenomen, omdat [appellante] op het moment dat zij het tentamen aflegde op deze voorziening nog geen aanspraak kon maken. De studentendecaan had deze voorziening ook niet in het advies van 13 januari 2025 opgenomen. Op de zitting heeft het CBE verder toegelicht dat een student zijn of haar tentamen zelf digitaal ter beoordeling moet indienen, waarbij het tentamensysteem een student erop attendeert dat hij of zij nadien niets meer kan aanpassen. [appellante] heeft haar tentamen op deze wijze ingeleverd. [appellante] heeft rondom het tentamen geen melding gemaakt bij de surveillanten dat aan haar toegekende voorzieningen niet werden toegepast, terwijl dat de gebruikelijke weg is om dit kenbaar te maken. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat van een onregelmatigheid sprake is geweest op dit punt. Verder betekent de omstandigheid dat [appellante] geen gebruik kon maken van kladpapier niet dat het tentamen onzorgvuldig is verlopen, nu een dergelijke voorziening niet aan haar is toegekend en het CBE uiteengezet heeft dat andere studenten, anders dan [appellante] stelt, ook geen gebruik mochten maken van kladpapier.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
1014