202502790/1/R3.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Gouda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2025 in zaak nr. 23/7679 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd in [plaats]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2023 heeft het college de door [wederpartij] aangevraagde omgevingsvergunning voor het legaliseren van de verwijdering van de binnenwand tussen twee winkelpanden op de percelen aan de [locatie 1]-[locatie 2] in Gouda geweigerd.
[wederpartij] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als rechtstreeks beroep.
Bij uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 mei 2023 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Lobregt en mr. P. Rausch, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen en mr. J. de Haas, beiden advocaat in Middelharnis, vergezeld door [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [wederpartij] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1]-[locatie 2] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 1]-[locatie 3] en het winkelpand [locatie 2]. Het winkelpand [locatie 1]-[locatie 3] werd verhuurd aan Parfumerie Douglas Nederland B.V. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 2] de huur had beëindigd, is de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. [wederpartij] heeft op 22 februari 2023 een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de al verwijderde binnenwand aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost". In het bestemmingsplan heeft de locatie van het bouwplan de bestemming "Centrum- 1" en "Waarde- Beschermd stadsgezicht". Het samenvoegen van de panden leidt volgens het college tot verbreding van de bestaande gevel, wat in strijd zou zijn met artikel 17.2.2 van de planregels. In dat artikel is bepaald dat de voor "beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden de breedte van de gevel niet meer mag bedragen dan de maximale breedte per gevel zoals die voor de betreffende gevel op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%.
De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van strijd met artikel 17.2.2 van de planregels. Daartoe voert het college aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de wijziging van een binnenwand kan leiden tot een wijziging van de breedte van de gevel ter plaatse van de voorgevellijn, gelet op de manier waarop een gebouw wordt gemeten. Volgens het college volgt uit artikel 2.8 van de planregels namelijk dat de breedte van de gevel gemeten moet worden tussen (het hart van) de scheidingsmuren. Dit betekent dat het verwijderen van de binnenwand, een scheidingsmuur, leidt tot verbreding van de gevel en daarmee overschrijding van de maximale gevelbreedte, waardoor sprake is van strijd met artikel 17.2.2 van de planregels.
3.1. Artikel 2.8 van de planregels luidt:
"de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk."
Artikel 17.2.2 luidt:
"a. de breedte van gebouwen mag ter plaatse van de voorgevellijn (grens van het bouwvlak) niet minder en niet meer bedragen dan de maximale gevelbreedte per gevel die voor de betreffende gevel op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%;"
3.2. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
3.3. De Afdeling overweegt met de rechtbank dat de tekst van artikel 17.2.2 van de planregels op zichzelf voldoende duidelijk is. Artikel 17.2.2 van de planregels ziet op de breedte ter plaatse van de voorgevellijn. De in artikel 2.8 van de planregels opgenomen meetwijze heeft betrekking op de oppervlakte van het gebouw en niet op de breedte van de gevels ter hoogte van de voorgevellijn, waardoor deze planregel geen wijziging in de uitleg van artikel 17.2.2 van de planregels brengt.
Aan de [locatie 1]-[locatie 2] bevinden zich drie aaneensluitende gevels die van buitenaf van elkaar te onderscheiden zijn. Nu de verwijdering van de binnenwand geen verandering brengt in de uiterlijke verschijningsvormen van de gevels en daarmee niet leidt tot wijziging van de breedte van de bestaande voorgevels, blijft de breedte ter plaatse van de voorgevellijn ongewijzigd. Het door het college op de zitting aangevoerde, anders dan in het besluit op bezwaar ingenomen, standpunt dat niet de breedte van de voorgevel, maar de breedte van het hele gebouw is verbreed door de verwijdering van de binnenwand, volgt de Afdeling dan ook niet. Er is geen strijd met artikel 17.2.2 van de planregels, omdat dit artikel slechts de maximale breedte van een gebouw begrenst ter plaatse van de voorgevellijn. De maximale breedte van het gebouw voor de als "Waarde - Beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden, wordt niet in de planregels begrensd. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tot slot aanleiding om met toepassing van artikel 8:113 van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
6. Het college moet de proceskosten vergoeden.
7. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. draagt het college van burgemeester en wethouders van Gouda op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
III. bepaalt dat tegen dat besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gouda tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Gouda een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
884-1195
BIJLAGE
Wettelijk kader
Bestemmingsplan 'Binnenstad Oost'
Artikel 1 begrippen
1.38 gevel:
Het verticale vlak aan de buitenzijde van een bouwwerk dat de scheiding tussen binnen en buiten vormt en dat het aanzicht bepaalt.
1.39 gevelkaart:
Gevelkaart van het bestemmingsplan 'Binnenstad Oost', nummer 178929-BP -1; die onderdeel uitmaakt van deze regels, zoals opgenomen in de bijlagen.
1.64 voorgevel:
De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel waarin de voordeur is gesitueerd.
1.65 voorgevellijn:
De bebouwingsgrens aan de zijde vanwaar de gebouwen hoofdzakelijk toegankelijk zijn.
Artikel 2 Wijze van meten
2.8 de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Artikel 17 Waarde- beschermd stadsgezicht
17.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden, naast de regels ten aanzien van de betreffende bestemmingen krachtens de andere artikelen van deze regels, de volgende regels:
17.2.2
a. de breedte van gebouwen mag ter plaatse van de voorgevellijn (grens van het bouwvlak) niet
minder en niet meer bedragen dan de maximale gevelbreedte per gevel die voor de betreffende gevel
op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%.