202501800/1/A3.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Dreischor, gemeente Schouwen-Duiveland,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2025 in zaak nr. 24/4712 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 april 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 februari 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door M.A. Hoogesteger en A.E. de Koning, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2. Bij brief van 15 september 2023 heeft [appellant] met een beroep op artikel 5.5 van de Woo het college verzocht om verstrekking van hem betreffende documenten. Het college heeft dit verzoek deels ingewilligd, en verder de verstrekking geweigerd voor zover de documenten al openbaar zijn of al aan hem zijn verstrekt. Het college heeft bij besluit van 16 april 2024 het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de weigering van de verstrekking onvoldoende heeft gemotiveerd door enkel te verwijzen naar een eerder besluit op een inzageverzoek van [appellant] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De rechtbank heeft het besluit daarom vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ter zitting deze motivering alsnog gegeven door toe te lichten dat de stukken waar [appellant] om heeft verzocht voor een deel overeenkomen met de stukken in het AVG-verzoek, en dat die onder de Woo op dezelfde wijze aan [appellant] zouden worden verstrekt als onder de AVG. Vanwege deze motivering heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet ongeloofwaardig voorkomt dat niet meer documenten bij het college berusten. Volgens de rechtbank heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt hoe naar de documenten is gezocht, en is er geen aanleiding om te oordelen dat het college daarbij onjuiste of onvolledige zoektermen heeft gehanteerd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat een eventuele schending van de Archiefwet 1995 niet betekent dat het college een onvoldoende zoekslag heeft uitgevoerd of dat het college documenten onder zich heeft die ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is [appellant] er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat meer documenten bij het college berusten.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het motiveringsgebrek in het besluit van 16 april 2024 door de nadere toelichting op de zitting is hersteld. Op de zitting is namelijk slechts een algemene toelichting gegeven, terwijl op grond van rechtspraak van de Afdeling bij een weigering om documenten te verstrekken een individuele motivering per document vereist is.
4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel van een document motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497, onder 7.2. In dit geval heeft het college de verstrekking van een aantal documenten geweigerd omdat een deel van die documenten al openbaar is, en het college de rest van die documenten al eerder naar aanleiding van een AVG-verzoek aan [appellant] heeft verstrekt. Naar het oordeel van de Afdeling zou het per document motiveren van de weigering daarom in dit geval leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Het college heeft dus mogen volstaan met een algemene toelichting. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het motiveringsgebrek in het besluit van 16 april 2024 door de nadere toelichting op de zitting is hersteld.
Het betoog slaagt niet.
5. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het college de documenten had moeten verstrekken op grond van de Woo, omdat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo blijkt dat de openbaarmakingsplicht niet wordt opgeheven door eerdere verstrekkingen op grond van andere wetten.
5.1. Het argument van [appellant] dat de openbaarmakingsplicht niet wordt opgeheven door eerdere verstrekkingen, wat daar ook van zij, leidt niet tot het oordeel dat het college de documenten die al op grond van de AVG aan [appellant] zijn verstrekt, nogmaals had moeten verstekken op grond van de Woo. [appellant] heeft niet om openbaarmaking voor een ieder verzocht, maar op grond van artikel 5.5 van de Woo gevraagd om verstrekking aan hem van documenten die op hem betrekking hebben. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verstrekking van documenten op grond van artikel 5.5. van de Woo in dit geval tot verstrekking van meer of andere documenten zou leiden dan hij onder de AVG heeft gekregen. Hij heeft namelijk in het kader van zijn AVG-verzoek niet alleen een kopie van zijn persoonsgegevens gekregen, maar afschriften van de hele documenten. Het college hoefde die documenten niet nogmaals te verstrekken.
Het betoog slaagt niet.
6. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college documenten heeft verwijderd, terwijl de Archiefwet 1995 en de Woo het college verplichten tot zorgvuldige bewaring van informatie.
6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een eventuele schending van de Archiefwet 1995 nog niet betekent dat het college documenten onder zich heeft die ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt. [appellant] heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat het college documenten heeft verwijderd die daar hadden moeten berusten. Na de sluiting van het onderzoek in hoger beroep heeft [appellant] nog een nader stuk ingediend waarmee hij aannemelijk wilde maken dat het college documenten had verwijderd die daar hadden moeten berusten. De Afdeling heeft dat nadere stuk niet bij de beoordeling betrokken, omdat niet is gebleken dat hij het nadere stuk niet vóór de zitting had kunnen indienen, waardoor de goede procesorde zich er tegen verzet om dit stuk bij de beoordeling te betrekken.
Het betoog slaagt niet.
7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zoekslag van het college voldoende was. Daartoe voert hij aan dat het college belangrijke zoektermen niet heeft gebruikt en ook Teams-kanalen, mappenstructuren, cc-lijsten en interne communicatiemiddelen niet heeft geraadpleegd. Verder voert hij aan dat sprake is geweest van structurele communicatie met externe instanties, die ook verstrekt had moeten worden.
7.1. Wat [appellant] in dat kader over de uitgevoerde zoekslag heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn met betrekking tot de uitgevoerde zoekslag. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 tot en met 8.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Slotsom
8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
844-1114
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet open overheid
Artikel 5.5, eerste lid
Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.