202600301/1/A2.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 3 juli 2025 heeft de examencommissie van de faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen (de examencommissie) het verzoek van [appellante] om een buitenreguliere tentamenkans voor de vakken Klankleer 1 en Literaire Canon afgewezen.
Bij beslissing van 11 december 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.E.A. Donkersloot, dr. Q.L. van den Hoogen en dr. A.F. Martin, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] volgt sinds 1 september 2023 de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen. In september 2023 was [appellante] ook ingeschreven voor de bachelor Religiewetenschappen. [appellante] stond van 1 september 2025 tot 1 maart 2026 ook ingeschreven voor de bachelor Filosofie.
2. [appellante] heeft in verband met een functiebeperking (tentamen)voorzieningen aangevraagd. Op 16 oktober 2023 heeft zij met de studentendecaan gesproken over de voorzieningen die zij nodig achtte. Aan haar is bij beslissing van 4 december 2023 de tentamenvoorziening toegekend dat zij in een aparte ruimte tentamens mag maken. De studentendecaan heeft over de (tentamen)voorzieningen een advies uitgebracht op 13 januari 2025. Bij beslissing van 27 januari 2025 heeft de examencommissie aan [appellante] nog drie (tentamen)voorzieningen toegekend: verlenging van de tentamentijd met 10 minuten per uur tentamen, coulance ten aanzien van de aanwezigheidsplicht en coulance ten aanzien van deadlines. Met de beslissing van 5 juni 2025 is aan [appellante] ook als tentamenvoorziening toegekend dat zij bij een digitaal tentamen een tentamen op schrift met vergroot lettertype mag maken.
3. In de Onderwijs- en Examenregeling 2024-2025 (OER) van de Faculteit der Letteren is in artikel 7.7 opgenomen dat een verzoek om een buitenreguliere tentamenmogelijkheid kan worden gedaan. Dit artikel luidt:
"1. Een student kan de examencommissie verzoeken om aan hem een buitenreguliere tentamenmogelijkheid toe te kennen.
2. Een dergelijk verzoek kan worden toegewezen, indien de student door bijzondere omstandigheden het betreffende tentamen niet heeft gehaald en het niet toekennen van een buitenreguliere tentamenmogelijkheid onaanvaardbare studievertraging oplevert.
3. Voor het toekennen van een buitenreguliere tentamenkans voor het laatste onderdeel van de opleiding gelden de navolgende criteria:
- het moet gaan om het laatst te behalen studieresultaat;
- de studievertraging bedraagt bij het niet toekennen van de buitenreguliere tentamenmogelijkheid ten minste een semester;
- de examinandus moet hebben deelgenomen aan de laatste twee reguliere tentamenmogelijkheden van het vak waarvoor de examinandus een buitenreguliere tentamenmogelijkheid aanvraagt, en daarop in principe ten minste de cijfers 4,0 en 5,0 hebben behaald.
4. [appellante] heeft, voor zover in geschil, de examencommissie verzocht om een buitenreguliere tentamenmogelijkheid voor de vakken Klankleer 1 en Literaire Canon, welke behoren tot het curriculum van de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur. Dit verzoek was afgewezen bij beslissing van 14 januari 2025. Het CBE heeft bij beslissing van 22 mei 2025, naar aanleiding van een motiveringsgebrek aan dat besluit, de examencommissie opgedragen om opnieuw een beslissing te nemen.
Bij beslissing van 3 juli 2025 heeft de examencommissie het verzoek van [appellante] opnieuw afgewezen. Bij beslissing van 11 december 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Volgens het CBE voldoet het verzoek van [appellante] niet aan de voorwaarden die in de OER worden gesteld om in aanmerking te komen voor een buitenreguliere tentamenmogelijkheid. Hoewel volgens het CBE onduidelijk is of een buitenreguliere tentamenmogelijkheid alleen kan worden aangevraagd voor het laatste vak van de opleiding, is ieder geval vereist dat sprake is van onaanvaardbare studievertraging. Daarvan is geen sprake, omdat [appellante] nog aan het begin van haar bacheloropleiding staat, waardoor zij nog alle kans heeft om de eerstejaarsvakken in een later jaar van haar opleiding in te halen. Van onaanvaardbare studievertraging is daarom geen sprake.
Beroep
5. [appellante] betoogt dat het CBE een onjuiste toepassing en uitleg heeft gegeven aan de OER. Het CBE heeft ten onrechte artikel 7.7, tweede lid, en artikel 7.7, derde lid van de OER als cumulatieve voorwaarden beschouwd. Een buitenreguliere tentamenkans kan niet enkel worden toegekend in het laatste onderdeel van de opleiding. Studievertraging zou niet moeten worden gedefinieerd als overschrijding van de nominale studieduur, maar als feitelijke belemmering van de studievoortgang.
5.1. Naar het oordeel van de Afdeling kan een student, gelet op de formulering van de OER, ook op een ander moment de examencommissie verzoeken om een buitenreguliere tentamenmogelijkheid dan in het laatste onderdeel van de opleiding. Het CBE heeft dit naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderkend, door het verzoek van [appellante] te toetsen aan het criterium dat is opgenomen in artikel 7.7, tweede lid, van de OER: de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het niet toekennen van een buitenreguliere tentamenmogelijkheid onaanvaardbare studievertraging oplevert. Het betoog van [appellante] leidt daarom niet tot vernietiging van de beslissing. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat ‘onaanvaardbare studievertraging’ zou moeten worden gedefinieerd als feitelijke belemmering van de studievoortgang. Het niet behalen van een vak heeft immers inherent tot gevolg dat vertraging ontstaat. Het CBE heeft terecht beoordeeld of sprake is van onaanvaardbare studievertraging.
5.2. Het betoog slaagt niet.
6. [appellante] betoogt verder dat het CBE niet heeft onderkend dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het niet toekennen van een buitenreguliere tentamenmogelijkheid in haar geval onaanvaardbare studievertraging oplevert, zoals bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de OER. Het CBE heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat de aan [appellante] toegekende tentamenvoorzieningen niet zijn toegepast. [appellante] heeft de faculteit aan het begin van haar studie geïnformeerd over haar persoonlijke en medische omstandigheden en haar functiebeperking. De tentamenvoorzieningen die haar in november 2023 door de studieadviseur zijn toegekend, zijn in de praktijk door de betrokken docenten niet toegepast. Door de examencommissie zijn aanvullende tentamenvoorzieningen meermaals afgewezen, waardoor [appellante] tentamens onder niet-aangepaste omstandigheden heeft moeten afleggen. Er is pas na anderhalf jaar een advies opgesteld door de studentendecaan. De examencommissie had bij het ontbreken van een schriftelijke verklaring van de studentendecaan zelf contact met de studentendecaan kunnen zoeken. Vanwege deze onregelmatigheden hadden de tentamens ongeldig moeten worden verklaard. De beslissing leidt tot voorzienbare en substantiële studievertraging. Het niet afronden van Klankleer 1 en Literaire Canon verhindert de afronding van de propedeutische fase, blokkeert de toegang tot vervolgvakken en minoren, en leidt tot feitelijke stilstand en stapeling van vakken. Omdat de eerste- tweede en derdejaarsvakken in dezelfde tijdsperiode worden gegeven, ontstaat door de beslissing inherent studievertraging. De docent van Moderne Nederlandse letterkunde 1 heeft expliciet verklaard dat het niet haalbaar is om Moderne Nederlandse letterkunde 1 en Literaire Canon gelijktijdig te volgen.
6.1. Zoals het CBE terecht heeft overwogen in het verweerschrift, betekent de omstandigheid dat aan [appellante] sinds 27 januari 2025 extra voorzieningen zijn toegekend, niet dat er voor die tijd ten onrechte tentamenvoorzieningen aan haar zijn onthouden in de periode van 1 september 2023 tot 27 januari 2025. Uit de overgelegde gegevens blijkt bovendien dat de studentendecaan niet in oktober 2023 een adviesbrief ten behoeve van de examencommissie heeft afgegeven voor [appellante], omdat bewijsstukken om vast te stellen om welke omstandigheden het gaat en in hoeverre aanpassingen in het onderwijs noodzakelijk zijn op dat moment ontbraken, nu [appellante] deze niet had aangeleverd. Het CBE hoefde reeds daarom onder deze omstandigheden het ontbreken van de volgens [appellante] noodzakelijke (tentamen)voorzieningen niet aan te merken als bijzondere omstandigheden. Dat (tentamen)voorzieningen die al wel aan [appellante] waren toegekend niet zijn toegepast, is niet gebleken, nu [appellante] daarvan geen melding heeft gemaakt. Het CBE heeft ten aanzien van de verlengde tentamentijd daarbij toegelicht dat een student zijn of haar tentamen zelf digitaal ter beoordeling moet indienen, waarbij het tentamensysteem een student erop attendeert dat hij of zij nadien niets meer kan aanpassen. [appellante] heeft haar tentamen op deze wijze ingeleverd. [appellante] heeft rondom het tentamen geen melding gemaakt bij de surveillanten dat aan haar toegekende voorzieningen niet werden toegepast, terwijl dat de gebruikelijke weg is om dit kenbaar te maken. Bovendien is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een situatie waarin het niet toekennen van twee buitenreguliere tentamenmogelijkheden onaanvaardbare studievertraging oplevert. Het is gebruikelijk dat een student na het niet halen van een vak, dit vak opnieuw moet doen en dat dan forse vertraging kan worden opgelopen (vergelijk: uitspraak 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1296, onder 5.6). Dat sprake is van studievertraging, betekent dus niet dat het CBE deze vertraging ook als onaanvaardbare studievertraging zou hebben moeten aanmerken. [appellante] heeft tot op heden 45 ECTS van de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur behaald, en zij heeft daarom, zoals het CBE in de beslissing heeft overwogen, nog verschillende mogelijkheden om de twee eerstejaarsvakken in een later jaar van haar opleiding in te halen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de studievertraging desondanks als onaanvaardbaar zou moeten worden beschouwd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
1014