202402945/1/A3.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Teteringen, gemeente Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 maart 2024 in zaak nr. 23/9838 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] om verkeersmaatregelen te treffen, gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft het niet plaatsen van een verkeersteller en het weigeren om verkeersbord C15 te plaatsen bij de ingangen van het doorgangspad. Verder heeft het college aanvullend geweigerd om het verkeersbord C15 met onderbord ‘uitgezonderd bestemmingsverkeer’ te plaatsen op de kruising Berkenlaar en de doodlopende tak van de Wildhage. Het college heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover hier relevant, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.P. van den Berg, mr. N. Zwaan en ing. P.J.M. Beerens, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord. De zaak is op de zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 202402949/1/A3. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld te reageren op door de Afdeling gestelde schriftelijke vragen.
Het college heeft bij brief van 6 november 2025 hierop gereageerd.
[appellant] heeft bij brieven van 7 november 2025 en 12 december 2025 hierop gereageerd.
De Afdeling heeft partijen bij brief van 8 januari 2026 verzocht om kenbaar te maken of zij gebruik willen maken van het recht nogmaals op een zitting te worden gehoord.
[appellant] heeft dat bij brief van 19 januari 2026 gedaan.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk overgelegd. De Afdeling heeft de zaak op 5 maart 2026 opnieuw behandeld op een zitting, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C. Verdaas, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.P. van den Berg en mr. N. Zwaan, zijn verschenen. Verder is op de zitting J.M.C. [appellant] gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 7 november 2022, en aangevuld op 26 januari 2023, heeft [appellant] het college verzocht om verkeersmaatregelen te nemen in en nabij het doorgangspad tussen de Wildhage en de Dr. Hein Hoebenlaan in Teteringen. Hij heeft daarbij specifiek verzocht om het doorgangspad tussen de Wildhage en de Dr. Hein Hoebenlaan aan te duiden als voetpad en in verband hiermee het verkeersbord G7 ‘voetpad’ te plaatsen, in het doorgangspad een verbod in te stellen voor fietsers en bromfietsers en in verband hiermee het verkeersbord C15 ‘gesloten voor fietsers en bromfietsers’ te plaatsen. Verder heeft hij verzocht om in het doorgangspad aan beide zijden dubbele hekken te plaatsen die het voor (brom)fietsers en scooters onmogelijk maken om het doorgangspad te gebruiken en aan het begin van de doodlopende tak van de Wildhage, ter hoogte van de Berkenlaar, het verkeersbord G12b ‘einde verplicht fiets/bromfietspad’ met onderbord ‘uitgezonderd bestemmingsverkeer’ te plaatsen. Volgens [appellant] zijn deze verkeersmaatregelen nodig, omdat er sprake is van een verkeersonveilige situatie op het doorgangspad. Ook ondervindt hij geluidsoverlast van de scholieren die op het doorgangspad fietsen.
2. Met het besluit van 31 maart 2023 heeft het college het verzoek om het verkeersbord G7 ‘voetpad’ bij de ingangen van het doorgangspad te plaatsen, ingewilligd en het verzoek om verkeersbord G12b ‘einde fiets/bromfietspad’ te plaatsen, afgewezen. Het verzoek om bij de ingangen van het doorgangspad het verkeersbord C15 ‘gesloten voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen’ te plaatsen, heeft het college geduid als weigering van een feitelijke handeling. Het college heeft ervoor gekozen het verkeersbord G7 te plaatsen ter nadere aanduiding van het voetpad en is van mening dat daarmee tegemoetgekomen is aan het belang van [appellant]. Verder heeft het college het verzoek om het doorgangspad voor (brom)fietsers en scooters af te sluiten, afgewezen. Naar het oordeel van het college is geen sprake van verkeersonveiligheid of andere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) waarvoor verkeersmaatregelen genomen moeten worden. Volgens het college zijn andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk om de naleving van de verkeersregels ter plaatse te bevorderen. Daarbij heeft het college het belang van de bruikbaarheid van andere weggebruikers, zoals personen in een rolstoel of scootmobiel, ter plaatse afgewogen tegen het belang van [appellant] van het weigeren van de gevraagde afsluiting voor (brom)fietsers en scooters om geluidshinder te voorkomen.
3. Bij het besluit van 5 september 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft het niet plaatsen van een verkeersteller en het weigeren om verkeersbord C15 te plaatsen bij de ingangen van het doorgangspad. Verder heeft het college het besluit van 31 maart 2023 in stand gelaten onder aanvulling van de weigering om verkeersbord C15 te plaatsen op de kruising met de Berkenlaar en de doodlopende tak van de Wildhage. Volgens de rechtbank heeft het college dit terecht gedaan. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld. In dat kader heeft hij zowel formele als inhoudelijke gronden naar voren gebracht. De Afdeling bespreekt hierna eerst de formele en daarna de inhoudelijke gronden.
Hoger beroep
De procedure in bezwaar
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen volledige heroverweging door het college heeft plaatsgevonden. Hij voert hiertoe aan dat uit niets blijkt dat het college ook los van de bezwaren heeft beoordeeld of er aanleiding is het besluit van 31 maart 2023 te wijzigen. De bezwaarschriftencommissie heeft juist nadrukkelijk te kennen gegeven alleen aan de hand van de bezwaren te beoordelen of het college terecht het besluit van 31 maart 2023 heeft genomen. Daarmee heeft het college in strijd gehandeld met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.
4.1. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit moet maken. Dat de bezwaarschriftencommissie in haar advies nadrukkelijk verwijst naar de ingediende bezwaren, betekent niet dat geen heroverweging als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb heeft plaatsgevonden. De commissie heeft immers ook te kennen gegeven haar advies te baseren op het procesdossier en de overige, bij de partijen bekende stukken en op wat tijdens de hoorzitting aan bod is gekomen. Verder is niet gebleken dat het besluit op bezwaar niet is genomen met inachtneming van feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit. De Afdeling overweegt dat uit het besluit van 5 september 2023 niet volgt dat het college geen volledige heroverweging heeft gemaakt.
4.2. Het betoog slaagt niet.
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 24 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) niet verplicht tot het schriftelijk inwinnen van informatie en advies, maar dat slechts overleg moet plaatsvinden met de korpschef en dat dit overleg inderdaad heeft plaatsgevonden. Hij voert hiertoe aan dat niet vaststaat dat er door het college overleg met de korpschef heeft plaatsgevonden en wanneer, omdat er geen schriftelijk advies is. Het college heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 24 van het BABW en de artikelen 3:2, 3:9 en 3:46 van de Awb.
5.1. De Afdeling stelt vast dat onduidelijkheid bestaat of overleg met de korpschef heeft plaatsgevonden. Daargelaten de vraag of dit overleg heeft plaatsgevonden, is het college niet verplicht een advies aan de korpschef van het betrokken regionale politiekorps te vragen als het niet voornemens is een verkeersbesluit te nemen. Artikel 24 van het BABW vereist overleg met de korpschef van het betrokken regionale politiekorps voordat een verkeersbesluit wordt genomen. Hieronder valt niet de weigering zo’n besluit te nemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8933, r.o. 8.2). Gelet hierop heeft het college niet in strijd gehandeld met artikel 24 van het BABW en de artikelen 3:2, 3:9 en 3:46 van de Awb.
5.2. De conclusie is dat het betoog van [appellant] over formele gebreken niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt.
De inhoudelijke beoordeling van het besluit van 5 september 2023
Het afsluiten van het doorgangspad
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college redelijkerwijs heeft kunnen weigeren het doorgangspad met een verkeersbesluit af te sluiten. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een normaal gebruik van het voetpad onmogelijk kan leiden tot verkeersproblemen en dat onjuist gebruik van het voetpad een handhavingskwestie betreft. Hij voert verder aan dat het voetpad niet normaal wordt gebruikt, omdat er elke dag grote aantallen (brom)fietsers en scooters over rijden. Daarmee is er sprake van een uiterst gevaarlijke verkeerssituatie. Dat maakt dat aanleiding bestaat om het voetpad met een verkeersbesluit af te sluiten voor (brom)fietsers en scooters. Hij voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat het geluid van rijdende bromfietsers en scooters valt onder de reikwijdte van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw en dat het college daar onvoldoende onderzoek naar heeft gedaan. Het college heeft ten onrechte gesteld dat menselijk stemgeluid niet onder wegverkeerslawaai valt, terwijl het niet gaat om menselijk stemgeluid, maar om lawaai van de over het voetpad rijdende (brom)fietsers en scooters. Verder heeft de rechtbank miskend dat sprake is van aantasting van het karakter en de functie van het gebied zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wvw. Het gebied heeft namelijk een woonfunctie en verdraagt zich daardoor niet met zeer grote aantallen (brom)fietsers en scooters. Tot slot heeft [appellant] op de zitting bij de Afdeling nog gewezen op een alternatief pad dat achter de sportvelden langsloopt. Dit pad is breder, dus iedereen kan veilig van dit pad gebruik maken. Het college zou zich moeten inspannen de verkeersstromen langs dit pad te leiden, aldus [appellant].
6.1. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw. Het college dient dit naar behoren te motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb).
6.2. Volgens het college is niet gebleken van een zodanige verkeersonveilige situatie dat verregaande en ingrijpende verkeersmaatregelen, zoals afsluiting van het doorgangspad, moeten worden genomen. Ook is niet gebleken van zodanige overlast of verkeersdrukte dat het karakter van het gebied wezenlijk is aangetast. Het college heeft zich op dit standpunt mogen stellen. De Afdeling stelt vast dat handhavers van de gemeente op verschillende momenten en tijdstippen de verkeersbezetting van het doorgangspad hebben gecontroleerd. Voorafgaand aan de laatste controles heeft het college [appellant] gevraagd wat de beste controlemomenten zijn. [appellant] heeft op deze vraag niet gereageerd. De handhavers hebben tijdens de controles geen (geluids)overlast waargenomen. Uit de resultaten van de controles heeft het college mogen afleiden dat fietsers en scooters niet massaal gebruikmaken van het voetpad. Dat (brom)fietsers en scooters de geldende verkeersregels zouden negeren, brengt niet met zich dat de weigering van het verkeersbesluit niet deugt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit een handhavingskwestie betreft. Handhavingsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen (vergelijk de uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2463, r.o. 4.4). Volgens het college zijn er ook geen andere omstandigheden op grond waarvan afsluiting van het doorgangspad is aangewezen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het afsluiten van het doorgangspad niet mogelijk is, omdat andere voetgangers, waaronder mensen in een rolstoel of met een kinderwagen, ook van het pad gebruik moeten kunnen maken. Het college heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat het door [appellant] aangedragen alternatief voor deze gebruikers niet reëel is, omdat dat pad deels onverhard is. [appellant] heeft dit niet bestreden. Het standpunt van het college komt de Afdeling niet onredelijk voor. Gelet hierop heeft het college gemotiveerd afgezien van het ontoegankelijk maken van het doorgangspad en daarbij inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de belangen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw heeft betrokken.
6.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college redelijkerwijs heeft kunnen weigeren het doorgangspad met een verkeersbesluit af te sluiten.
6.4. Het betoog slaagt niet.
Het verkeersbord C15 op de kruising met de Berkenlaar en de doodlopende tak van de Wildhage
7. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de weigering van het college om verkeersbord C15 te plaatsen bij de rijbaan op de kruising met de Berkenlaar en de doodlopende tak van de Wildhage niet kennelijk onredelijk is, omdat daar al het verkeersbord L8 (doodlopende weg) is geplaatst. Hij voert hiertoe aan dat met het aanwezige verkeersbord L8 niet duidelijk is dat er geen doorgang is voor onder andere (brom)fietsers en scooters.
7.1. Het college heeft zich in het besluit van 5 september 2023 op het standpunt gesteld dat het gedeelte tussen de Berkenlaar en het voetpad aan het einde van de Wildhage een rijbaan is. Dit weggedeelte staat open voor alle weggebruikers. Bij het inrijden van de Wildhage vanaf de Berkenlaar staat het verkeersbord L8 waarmee voor weggebruikers duidelijk is dat er geen doorgang is voor bestuurders, waaronder (brom)fietsers en scooters. Volgens het college zijn daarmee de verkeerssituatie en de verkeersregels voldoende duidelijk en kenbaar. Dat (brom)fietsers en scooters deze verkeersregel negeren, betekent niet dat de verkeersregel onduidelijk is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de weigering van het college om verkeersbord C15 te plaatsen bij de rijbaan op de kruising met de Berkenlaar en de doodlopende tak van de Wildhage niet kennelijk onredelijk is.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Verkeersteller
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het plaatsen van een verkeersteller geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft, het college dit terecht heeft aangemerkt als feitelijk handelen en dat het college daarom het bezwaar in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert hiertoe aan dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden en dat het geen evenredige belangenafweging heeft gemaakt. Op grond van artikel 3:1, tweede lid, van de Awb zijn deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook van toepassing op feitelijk handelen. Verder voert hij aan dat hij in zijn aanvraag het college heeft verzocht een vergunning te verlenen om een verkeersteller te plaatsen op de openbare weg. Gelet hierop heeft hij wel degelijk om een besluit gevraagd.
8.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat [appellant] niet in het verzoek van 7 november 2022, en ook niet in het aanvullende verzoek van 26 januari 2023, een vergunningaanvraag voor het plaatsen van een verkeersteller bij het college heeft ingediend. [appellant] heeft het college pas nadat het het besluit van 31 maart 2023 had genomen in een afzonderlijke e-mail van 24 mei 2023 verzocht toestemming te verlenen om zelf een verkeersteller te plaatsen. Dit verzoek ziet op een andere procedure en maakt daarom geen onderdeel uit van het voorliggende geschil. In een e-mail van 3 augustus 2023 heeft het college deze toestemming geweigerd. [appellant] heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt, in het besluit van 17 oktober 2023 heeft het college dit bezwaar niet ontvankelijk verklaard. [appellant] heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit, waarmee dit besluit in rechte vaststaat. Reeds hierom kan wat [appellant] daarover aanvoert niet aan de orde komen in deze procedure. Verder overweegt de Afdeling dat het plaatsen van een verkeersteller geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb betreft. Het strekt uitsluitend tot het verkrijgen van informatie over verkeersstromen. Dit kan daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college terecht het bezwaar van [appellant] over het plaatsen van de verkeersteller niet-ontvankelijk heeft verklaard.
8.2. Het betoog slaagt niet.
Het verkeersbord C15 aan beide zijden van het doorgangspad
9. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn bezwaarschrift van 8 mei 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor wat betreft de weigering om het verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad te plaatsen. Hij voert hiertoe aan dat het verkeersbord C15 een verbodsbord betreft. Door de plaatsing van dit verkeersbord treedt een rechtsgevolg in. Verder voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verkeersbord C15 alleen bij een rijbaan kan worden geplaatst. Aan het begin en eind van een winkelstraat wordt namelijk wel vaak een dergelijk bord geplaatst, terwijl een winkelstraat ook geen rijbaan is, aldus [appellant].
9.1. Beerens, de verkeersdeskundige van het college, heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht hoe het verkeersbord C15 en verkeersbord G7 van elkaar verschillen. Hij heeft verklaard dat verkeersbord C15 ook het gebruik door mensen met een scootmobiel verbiedt. Daarmee is het verkeersbord C15 wel op een rechtsgevolg gericht. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat het college ten onrechte het bezwaar van [appellant] over de weigering om het verkeersbord C15 te plaatsen niet-ontvankelijk heeft verklaard.
9.2. Het betoog slaagt. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het besluit van 5 september 2023 moet, voor zover het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard voor wat betreft de weigering om het verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad te plaatsen, worden vernietigd. Omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal de Afdeling, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het verzoek van [appellant] beoordelen.
9.3. Het college heeft op de zitting bij de Afdeling gesteld dat het uitgangspunt bij het plaatsen van een (extra) verkeersbord het uiterlijk aanzien van de weg is. Daarbij wordt gekeken of het voor de weggebruikers voldoende duidelijk is voor wie de weg is bedoeld. De Afdeling stelt vast dat het college op verzoek van [appellant] aan beide zijden van het doorgangspad al het verkeersbord G7 heeft geplaatst. Daarmee is de geldende verkeersregel dat het pad uitsluitend bestemd is voor voetgangers duidelijk kenbaar. Verder heeft het college op de zitting bij de Afdeling duidelijk te kennen gegeven dat het college het pad toegankelijk wil houden voor mensen met een scootmobiel en dat het rechtsgevolg van het plaatsen van het verkeersbord C15 niet beoogd wordt. Het college had het verzoek om het verkeersbord C15 te plaatsen, daarom moeten afwijzen.
Conclusie
10. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor wat betreft de weigering om het verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad te plaatsen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 5 september 2023 gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 31 maart 2023 te herroepen voor zover het college het niet overgaan tot het plaatsen van verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad heeft aangemerkt als weigering van een feitelijke handeling waartegen geen bezwaar mogelijk is. De Afdeling zal bepalen dat het verzoek van [appellant] tot plaatsing van verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad moet worden afgewezen. Verder zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. De procedure is hiermee beëindigd.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 maart 2024 in zaak nr. 23/9838 voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor wat betreft de weigering om het verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad te plaatsen;
III. verklaart het beroep tegen het besluit het college van burgemeester en wethouders van Breda van 5 september 2023, kenmerk 3295832, gegrond;
IV. vernietigt dat besluit voor zover het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard voor wat betreft de weigering om het verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad te plaatsen;
V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 31 maart 2023, kenmerk 22023-001069, voor zover het college het niet overgaan tot het plaatsen van verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad heeft aangemerkt als weigering van een feitelijke handeling waartegen geen bezwaar mogelijk is;
VI. bepaalt dat het verzoek van [appellant] tot plaatsing van verkeersbord C15 aan beide ingangen van het doorgangspad wordt afgewezen;
VII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;
IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,86,
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
735-1050