ECLI:NL:RVS:2026:2573

ECLI:NL:RVS:2026:2573

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202402949/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen. [appellant] woont op de [locatie] in Teteringen. Direct naast de woning van [appellant] bevindt zich een doorgangspad dat de Wildhage met de Dr. Hein Hoebenlaan met elkaar verbindt. Volgens [appellant] maken (brom)fietsers en scooters veelvuldig gebruik van dit doorgangspad om zo bij het achter zijn woning gelegen sportcomplex te komen. Daarvan ervaart hij veel overlast. Daarom heeft hij het college op 2 juli 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen de ervaren overlast van de scholieren die met (brom)fiets of scooter gebruik maken van het doorgangspad naast zijn woning. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat tijdens de door hem uitgevoerde controles geen overlast is waargenomen. Op 16 augustus 2022 heeft [appellant] hiertegen bezwaar ingediend en tegelijkertijd een tweede handhavingsverzoek ingediend en verzocht om schadevergoeding.

Uitspraak

202402949/1/A3.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Teteringen, gemeente Breda,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 26 maart 2024 in zaken nrs. 23/1335 en 23/475 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college een handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 7 februari 2023 heeft het college opnieuw een handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen en ook zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 17 januari 2023 en 7 februari 2023 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.P. van den Berg, mr. N. Zwaan en ing. P.J.M. Beerens, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord. De zaak is op de zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 202402945/1/A3. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld te reageren op door de Afdeling gestelde schriftelijke vragen.

Het college heeft bij brief van 6 november 2025 hierop gereageerd.

[appellant] heeft bij brieven van 7 november 2025 en 12 december 2025 hierop gereageerd.

De Afdeling heeft partijen bij brief van 8 januari 2026 verzocht om kenbaar te maken of zij gebruik willen maken van het recht nogmaals op een zitting te worden gehoord.

[appellant] heeft dat bij brief van 19 januari 2026 gedaan.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak op 5 maart 2026 opnieuw behandeld op een zitting, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C. Verdaas, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.P. van den Berg en mr. N. Zwaan, zijn verschenen. Verder is op de zitting J.M.C. [appellant] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] woont op de [locatie] in Teteringen. Direct naast de woning van [appellant] bevindt zich een doorgangspad dat de Wildhage met de Dr. Hein Hoebenlaan met elkaar verbindt. Volgens [appellant] maken (brom)fietsers en scooters veelvuldig gebruik van dit doorgangspad om zo bij het achter zijn woning gelegen sportcomplex te komen. Daarvan ervaart hij veel overlast. Daarom heeft hij het college op 2 juli 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen de ervaren overlast van de scholieren die met (brom)fiets of scooter gebruik maken van het doorgangspad naast zijn woning. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat tijdens de door hem uitgevoerde controles geen overlast is waargenomen. Op 16 augustus 2022 heeft [appellant] hiertegen bezwaar ingediend en tegelijkertijd een tweede handhavingsverzoek ingediend en verzocht om schadevergoeding. Bij het besluit van 17 januari 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Bij het besluit van 7 februari 2023 heeft het college ook het tweede handhavingsverzoek afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dit op goede gronden heeft gedaan. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld. In dat kader heeft hij zowel formele als inhoudelijke gronden naar voren gebracht. De Afdeling bespreekt hierna eerst de formele en daarna de inhoudelijke gronden.

Hoger beroep

De procedure in bezwaar

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college gehanteerde beslistermijn als redelijk kan worden aangemerkt. Hij voert hiertoe aan dat in dit geval de redelijke termijn korter is dan acht weken. Het college heeft de beslistermijn van het handhavingsverzoek van 16 augustus 2022 drie keer opgeschort. Daarmee heeft het college de besluitvorming onredelijk lang uitgesteld. Uit de door [appellant] overgelegde medische verklaring volgt dat zijn gezondheid vergde dat in dit geval een termijn van minder dan acht weken redelijk is. Dit heeft de rechtbank miskend, aldus [appellant].

2.1. Artikel 4:13 van de Awb luidt:

"1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan."

2.2. De Afdeling stelt vast dat het college 22 weken na ontvangst van het handhavingsverzoek van [appellant] van 16 augustus 2022 op dit verzoek heeft beslist. Het college heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat [appellant] bij meerdere procedures betrokken is en in bezwaarschriften regelmatig ook nieuwe aanvragen verwerkt, ertoe leidt dat de behandeling van zijn verzoeken meer tijd vergt. De Afdeling stelt vast dat het college verspreid over een maand negen afzonderlijke controlemomenten heeft georganiseerd om de beweerdelijke (geluids)overlast te beoordelen. Dit onderzoek vergde tijd, wat naar het oordeel van de Afdeling een langere beslistermijn rechtvaardigt. Verder overweegt de Afdeling dat het aan [appellant] is om met concrete en objectief verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat in zijn situatie een kortere beslistermijn is vereist. Daarin is [appellant] niet geslaagd. De enkele stelling dat hij onder medische behandeling staat vanwege de ervaren (geluids)overlast, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college niet onredelijk heeft gehandeld door de beslistermijn op te schorten.

2.3. Het betoog slaagt niet.

De inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 17 januari 2023 en 7 februari 2023

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Volgens [appellant] is het onderzoek onzorgvuldig verricht. Dat er tijdens de controles geen overlast is geconstateerd, komt doordat niet frequent genoeg en op verkeerde momenten werd gecontroleerd. Ook waren de controles te kort. De toezichthouders hadden langer moeten controleren. De bezwaarschriftencommissie heeft in haar advies van 3 november 2022 geadviseerd om het aantal verkeersbewegingen per dag vast te stellen. Dat heeft het college nagelaten. Verder is de rechtbank niet ingegaan op zijn beroepsgrond over de gebreken in de controlerapporten van de toezichthouders. Zo is niet duidelijk waar de toezichthouders precies hebben gestaan. Daarnaast voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de geluidsopnamen en videofragmenten, die duidelijk maken hoeveel geluidsoverlast wordt veroorzaakt en die hij op de zitting heeft afgespeeld. Ook de heer P. Roeling, procescoördinator GEO bij de gemeente Breda, heeft op 11 mei 2023 verklaard dat in een tijdsbestek van vijftien minuten ongeveer tien tot vijftien fietsende personen gebruik hebben gemaakt van het doorgangspad. De rechtbank verbindt daar ten onrechte de conclusie aan dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de verklaring van de toezichthouders dat zij geen grote groepen fietsers hebben waargenomen. Ook op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verschillende videofragmenten getoond waarop is waar te nemen dat veel fietsers over het doorgangspad fietsen. De op de zitting afgespeelde geluidsopnamen geven een beeld van de mate van geluidsoverlast die [appellant] ervaart. De verklaring van de proces-coördinator en de door [appellant] overgelegde geluidsopnamen en videofragmenten verschillen van het resultaat van het door het college verrichte onderzoek. Dit bevestigt dat dit onderzoek onzorgvuldig was, aldus [appellant].

3.1. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Breda 2018 (APV), zoals deze gold ten tijde van het besluit van 17 januari 2023 en het besluit van 7 februari 2023, is het verboden handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt.

3.2. Naar aanleiding van de handhavingsverzoeken hebben toezichthouders van de gemeente negen keer een controle uitgevoerd, te weten op 23 november 2022, 29 november 2022, 5 december 2022, 6 december 2022, tweemaal op 16 december 2022, 19 december 2022, 22 december 2022 en 23 december 2022. De meeste controles duurden vijf minuten, één controle duurde dertig minuten. Het college heeft de controlemomenten afgestemd op de schooltijden en de reguliere kerstvakantie. De toezichthouders hebben tijdens deze controlemomenten geen geluidsoverlast geconstateerd. Dat de meeste controlemomenten van korte duur waren, leidt niet tot het door [appellant] gewenste oordeel, omdat zij verspreid over meerdere tijdstippen en dagen plaatsvonden en gericht waren op de door [appellant] genoemde overlastmomenten, namelijk rond schooltijden. De Afdeling wijst er hierbij op dat bij meerdere controles geen overlast is geconstateerd. Na de zitting bij de Afdeling heeft het college in de eerste twee weken van november 2025 acht keer in blokken van meestal dertig minuten op het doorgangspad gecontroleerd. Dit nader onderzoek bevestigt wat in de eerdere controles ook al is vastgesteld, namelijk dat nagenoeg geen overtredingen zijn waar te nemen. Het college heeft verder voorafgaand aan de controles [appellant] verzocht door te geven op welke momenten volgens hem gecontroleerd zou moeten worden. De Afdeling acht van belang dat [appellant] hiertoe geen voorstel heeft gedaan. Dat [appellant] vindt dat het college op verkeerde momenten heeft gecontroleerd, komt daarom voor zijn rekening. Voor zover [appellant] stelt vooraf niet te weten wanneer hij overlast zal ervaren en dat het college daarom continu toezicht zou moeten houden, overweegt de Afdeling dat dit, gelet op de beperkte capaciteit van handhavingsambtenaren, niet van een bestuursorgaan kan worden gevergd. Het college heeft de door [appellant] afgespeelde geluidsopnamen en videofragmenten niet bestreden. Het college heeft tegenover deze opnamen en fragmenten en tegenover de verklaring van de procescoördinator echter de door de handhavingsambtenaren uitgevoerde controles gesteld, waarvan de bevindingen overeenkomen met die in november 2025. Dat in de controlerapporten niet tot in detail is vermeld waar de toezichthouders precies stonden tijdens hun controles, betekent niet dat de rapporten gebrekkig zijn. Uit de rapporten blijkt voldoende dat de controles hebben plaatsgevonden aan het eind van de Wildhage, een doodlopende straat, waar slechts één doorgangspad loopt. Daarmee is voldoende duidelijk waar de toezichthouders stonden tijdens de controlemomenten. Gelet op al het voorgaande heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat aan de controlerapporten niet zodanige gebreken kleven dat het college deze niet aan de besluiten ten grondslag mocht leggen.

3.3. Verder heeft het college zich op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat ook al zouden de scholieren met de fiets aan de hand door het pad gaan, zij nog steeds geluid zouden maken. Dat geluid wordt gemaakt, levert in de ogen van het college nog geen overtreding van artikel 4:2, eerste lid, van de APV op. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar mogelijke overtredingen van de APV. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat geen overtredingen waren geconstateerd ten tijde van het besluit van 17 januari 2023 en het besluit van 7 februari 2023.

3.4. Het betoog slaagt niet.

Overig

4. Tot slot verzoekt [appellant] om schadevergoeding. Hij betoogt dat de rechtbank onredelijk heeft gehandeld doordat zij te lang heeft gewacht met het inplannen van een zitting, waardoor het in geding zijnde onderdeel van artikel 4:2, eerste lid, van de APV was geschrapt. Daardoor kan de schending van artikel 4:2, eerste lid, van de APV niet meer leiden tot een daarop gericht handhavingsbesluit. Verder heeft [appellant] op de zitting bij de Afdeling aangevoerd dat hij materiële schade, bestaande uit de waardevermindering van zijn woning, heeft geleden, omdat hij bij de verkoop van de woning is genoodzaakt potentiële kopers te wijzen op de overlast van het doorgangspad. Ook tonen WOZ-rapporten die door de jaren heen zijn opgesteld aan dat de WOZ-waarde van zijn woning is gedaald, aldus [appellant].

4.1. Voor zover [appellant] stelt schade te hebben geleden doordat de rechtbank niet tijdig een zitting heeft bepaald en dat daardoor de APV-bepaling is gewijzigd, overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten of [appellant] schade heeft geleden, is het college gehouden toepassing te geven aan het geldende recht ten tijde van een besluit. Verder overweegt de Afdeling dat de zitting elf maanden na het indienen van het beroepschrift plaatsvond. Dit valt binnen de redelijke behandelingsduur van ten hoogste anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep door de rechtbank (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:758, r.o. 2). De keuze van de rechtbank om op een later moment een zitting te houden, betreft daarnaast een beslissing die behoort tot de processuele autonomie van de rechter en is op zichzelf niet onrechtmatig. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant] aanspraak heeft op een schadevergoeding.

4.2. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij materiële schade heeft geleden als gevolg van een daling van de WOZ-waarde van zijn woning, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, zijn de besluiten van 17 januari en 7 februari 2023 geen onrechtmatige besluiten. Daarom bestaat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, voor het college geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen.

5. Tot slot geeft de Afdeling het college mee om het doorgangspad te blijven meenemen in de reguliere controleronde van de toezichthouders van de gemeente.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

735-1050

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.J. Borman

Griffier

  • mr. W. Dijkshoorn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand