ECLI:NL:RVS:2026:2574

ECLI:NL:RVS:2026:2574

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202402752/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij twee onderscheiden besluiten van 23 december 2019 heeft de korpschef van politie de verzoeken van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] om inzage in hun persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben ieder een aanvraag ingediend voor verlenging van hun jachtaktes. In het kader van deze aanvragen hebben zij allebei een zogenoemde e-screener ingevuld, een digitale vragenlijst die deel uitmaakt van het door de minister aangewezen onderzoek als bedoeld in artikel 6a, sub b, van de Wet wapens en munitie (Wwm). De e-screener bestaat uit vragenlijsten over persoonlijkheidskenmerken en risicofactoren waarvan de uitslag het risico bij wapen- en munitiebezit van de aanvrager aangeeft. Ook hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ieder voor zich de korpschef op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, b, c, d, g en h, van de AVG verzocht om inzage in de persoonsgegevens die over hen zijn verwerkt in het kader van de e-screener.

Uitspraak

202402752/1/A3.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A], wonend in [woonplaats 1], en [appellant sub 1B], wonend in [woonplaats 2] en,

2. de korpschef van politie,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 maart 2024 in zaak nrs. 20/3065 en 20/3066 in het geding tussen:

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij twee onderscheiden besluiten van 23 december 2019 heeft de korpschef de verzoeken van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] om inzage in hun persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd.

Bij twee onderscheiden besluiten van 22 april 2020 heeft de korpschef de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2024 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben een zienswijze ingediend.

De minister van Justitie en Veiligheid (minister) heeft gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar [appellant sub 1B] vertegenwoordigd door mr. W.J. Liebrand, rechtsbijstandsverlener in Amersfoort, [appellant sub 1A], bijgestaan door [gemachtigde], en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. M.J.R.M. Pompen en mr. H.H. de Vries, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen. Verder is op de zitting de minister, vertegenwoordigd door mr. J.P. Denkers, mr. B.F.C. van Rheenen en drs. J.L. Luijs, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op door de Afdeling gestelde schriftelijke vragen. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft partijen in de gelegenheid gesteld om gebruik te maken van hun recht om op een tweede zitting te worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn meegedeeld van dat recht gebruik te willen maken. De Afdeling heeft nadat de termijn was verstreken het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben ieder een aanvraag ingediend voor verlenging van hun jachtaktes. In het kader van deze aanvragen hebben zij allebei een zogenoemde e-screener ingevuld, een digitale vragenlijst die deel uitmaakt van het door de minister aangewezen onderzoek als bedoeld in artikel 6a, sub b, van de Wet wapens en munitie (Wwm). De e-screener bestaat uit vragenlijsten over persoonlijkheidskenmerken en risicofactoren waarvan de uitslag het risico bij wapen- en munitiebezit van de aanvrager aangeeft. Ook hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ieder voor zich de korpschef op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, b, c, d, g en h, van de AVG verzocht om inzage in de persoonsgegevens die over hen zijn verwerkt in het kader van de e-screener. Bij de besluiten van 23 december 2019 heeft de korpschef deze verzoeken ingewilligd en inzage gegeven in het klantnummer en de uitslag van de e-screener. Daarbij heeft hij geen inzage gegeven in de verwerking van de concrete antwoorden op de gestelde vragen in de e-screener en de weging daarvan. Met de besluiten van 22 april 2020 is de korpschef bij deze besluiten gebleven, omdat hij stelt alleen verwerkingsverantwoordelijke te zijn van de uitslag van de e-screener en niet van de in de e-screener gegeven antwoorden en de weging daarvan.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep

3. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef geen verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens is van onder meer de concrete antwoorden op de gestelde vragen in de e-screener. Zij voeren aan dat de verwerkingsverantwoordelijkheid uit de wettelijke taak en de exclusieve bevoegdheid van de korpschef volgt. De e-screening vindt immers plaats in het kader van de vergunningaanvraag bij de korpschef. In reactie op de schriftelijke vragen van de Afdeling voeren [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daarbij aan dat de AVG van toepassing is op de gegevens in de e-screener en dat de antwoorden uit de e-screener verwerkt worden in het kader van de politietaak van de korpschef. Verder voeren zij aan dat ook de minister vindt dat de korpschef verwerkingsverantwoordelijke is. Dit heeft de minister bevestigd in de brief van 20 november 2020. Ook betogen zij dat de totstandkoming van de e-screener deels los gezien kan worden van de feitelijke ingebruikname en toepassing van het instrument door de korpschef. De concrete verwerking van hun gegevens in de uitvoeringspraktijk gebeurt onder gezag en verantwoordelijkheid van de korpschef, niet onder die van de minister. Verder voeren zij aan dat de korpschef feitelijke invloed heeft op het bepalen van het doel en middelen van de e-screener als instrument. Dit volgt uit de input die de korpschef heeft gegeven over de kalibratie en de te hanteren afkapwaarden. Tot slot voeren zij aan dat de antwoorden op de vragen uit de e-screener zijn gebruikt om een profiel op te stellen, aan de hand waarvan de korpschef een besluit heeft genomen over het verlenen van een jachtakte. Die gegevens zijn in het kader daarvan ook verwerkt. Dat de gegevens feitelijk niet zouden berusten bij de korpschef, doet volgens hen niet af aan diens verwerkingsverantwoordelijkheid.

Verder betogen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de korpschef niet op juiste wijze aan hun inzageverzoek heeft voldaan. Zij voeren hiertoe aan dat aan hen slechts beperkte inzage is verleend in de verwerkte persoonsgegevens en dat zij daardoor worden beperkt in de uitoefening van hun (vervolg)rechten, zoals het recht op het wissen van hun persoonsgegevens.

Tot slot betogen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het recht op inzage op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van de AVG ook het recht op nuttige informatie over de onderliggende logica en het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene bevat. Zij voeren hiertoe aan dat zij uitdrukkelijk hebben verzocht om duidelijkheid over de mate waarin sprake is van profilering en automatische besluitvorming. De korpschef is daar in de besluiten ten onrechte niet op ingegaan, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].

3.1. De korpschef stelt zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt dat de minister de verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van de antwoorden op de gestelde vragen in de e-screener en de weging daarvan. In reactie op de schriftelijke vragen van de Afdeling stelt de korpschef zich ook op het standpunt dat de AVG van toepassing is. Hij voert verder aan dat de bepalende beslissingen over de e-screener niet feitelijk door de korpschef zijn genomen, maar door de minister. De verwerkingsverantwoordelijkheid van de korpschef beperkt zich, gegeven de wettelijke taak van de korpschef, op grond van artikel 44 van de Wwm, tot de verwerking van de uitslag van de e-screener, en behelst niet ook de verwerking van persoonsgegevens in de e-screener. Daarbij stelt de korpschef ook niet in het bezit te zijn van de antwoorden.

3.2. De minister heeft in reactie op de door de Afdeling schriftelijk gestelde vragen aangevoerd dat de verwerking van persoonsgegevens in de e-screener worden gereguleerd door de AVG. De minister stelt zich in zijn schriftelijke uiteenzetting verder op het standpunt dat de korpschef de verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van de antwoorden op de gestelde vragen in de e-screener en de weging daarvan. Hij voert aan dat de korpschef op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wwm is aangewezen als bestuursorgaan tot verstrekking van een wapenverlof voor een jachtgeweeractiviteit. Volgens de minister volgt de verwerkingsverantwoordelijkheid van de korpschef ook uit artikel 3.28 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarmee heeft de korpschef de wettelijke taak om de persoonsgegevens van de e-screener te verwerken, aldus de minister.

3.3. Artikel 4, onder 7, van de AVG, verstaat onder ‘verwerkingsverantwoordelijke’ een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie strekt dit artikel ertoe om via een ruime omschrijving van het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te verzekeren. Zie het arrest van 11 januari 2024, LM, ECLI:EU:C:2024:7, punt 28.

3.4. Wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het nationale recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen. Zoals het Hof van Justitie verder in punt 30 van het arrest LM heeft overwogen, kan de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke in het nationale recht ook impliciet zijn. In dat geval moet die vaststelling met voldoende zekerheid voortvloeien uit de rol, de taak en de bevoegdheden die aan de persoon of entiteit in kwestie zijn toebedeeld. Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board) heeft de Richtsnoeren 7/2020 vastgesteld over de begrippen ‘verwerkingsverantwoordelijke’ en ‘verwerker’ in de AVG. Deze richtsnoeren zijn weliswaar niet juridisch bindend, maar daaraan komt wel betekenis toe bij de uitleg van de AVG. In de richtsnoeren staat dat een verwerkingsverantwoordelijke een orgaan is dat beslist over bepaalde belangrijke elementen van de verwerking. Deze verantwoordelijkheid voor de verwerking kan bij wet worden vastgesteld of kan voortvloeien uit een analyse van de feitelijke elementen of omstandigheden van het geval. De verwerkingsverantwoordelijke wordt vaak niet specifiek in de wet aangewezen. Het is gebruikelijker dat in de wet een taak of verplichting wordt opgelegd aan iemand om bepaalde gegevens te verzamelen en te verwerken. In die gevallen is het doel van de verwerking bij wet vastgelegd. Normaal gesproken is de verwerkingsverantwoordelijke de instantie die bij wet is aangewezen voor de verwezenlijking van dit doel, deze publieke taak.

3.5. De situatie kan zich voordoen dat twee (of meer) entiteiten zelfstandig als verwerkingsverantwoordelijke moeten worden aangemerkt zonder dat zij noodzakelijkerwijs gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijk zijn als bedoeld in artikel 26 van de AVG. Dit kan zo zijn vanwege de ruime definitie van het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ in artikel 4, onder 7, van de AVG en het feit dat de aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke ook impliciet kan zijn. Daarbij is de vaststelling wie verwerkingsverantwoordelijke is gebaseerd op de rol, de taak en de bevoegdheden die aan de entiteit in kwestie zijn toebedeeld. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat er pas sprake is van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid als iedere entiteit afzonderlijk aan de definitie van verwerkingsverantwoordelijke voldoet en bovendien kan worden vastgesteld dat alle entiteiten gezamenlijk het doel en de middelen van de verwerking van de persoonsgegevens vaststellen. Zie de arresten van 7 maart 2024, IAB Europe, ECLI:EU:C:2024:214, punt 57 en 58, en 29 juli 2019, Fashion ID, ECLI:EU:C:2019:629, punt 73. Gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid is daarom beperkt tot verwerkingen waarvoor een gezamenlijke bepaling van het doel en de middelen heeft plaatsgevonden (arrest Fashion ID, punt 74). Aangezien meerdere entiteiten tegelijk kunnen voldoen aan de definitie van verwerkingsverantwoordelijke, terwijl zij niet gezamenlijk het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens hebben vastgesteld, kan er ook sprake zijn van meerdere zelfstandige verwerkingsverantwoordelijken.

3.6. De Afdeling stelt vast dat de jachtakte op grond van artikel 3.28 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 27 van de Politiewet 2012, wordt verleend door de korpschef. De verwerkingen van persoonsgegevens in de e-screener vinden dan ook plaats in het kader van de toepassing van artikel 3.28 van de Wnb. Uit de Memorie van Toelichting van de Wwm (Kamerstukken II, vergaderjaar 2015-2016, 34 432, nr. 3) volgt dat het aangewezen onderzoek, als bedoeld in artikel 3.28a, eerste lid, sub b, van de Wnb, en artikel 6a, sub b, van de Wwm, wordt verricht door de korpschef. De korpschef heeft de persoonsgegevens uit de e-screener daarom nodig voor de uitoefening van deze wettelijke bevoegdheid. Op de zitting is gebleken dat de korpschef ook de mogelijkheid heeft om toegang te krijgen tot de ingevulde antwoorden van de e-screener van een betrokkene. Daarbij komt dat de korpschef op de zitting ook heeft verklaard in het bezit te zijn van de sleutel, ook wel het participanten-ID genoemd, waarmee bij Ipsos, het bedrijf dat de technische implementatie en hosting van de e-screener software verzorgt, de persoonsgegevens opgevraagd kunnen worden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat uit het samenstel van de wettelijke taak op grond van artikel 3.28 van de Wnb en de feitelijke situatie volgt dat de korpschef aangemerkt moet worden als verwerkingsverantwoordelijke.

3.7. Verder stelt de Afdeling vast dat de minister bepaalt welke persoonsgegevens worden verzameld, met welk doel, en op welke wijze die gegevens worden verwerkt. Zo volgt uit de gedingstukken dat de e-screener is ontwikkeld en wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister, die daarvoor derden heeft ingeschakeld voor de ontwikkeling, implementatie, hosting en afname van de test. Daarbij komt dat ook de minister de persoonsgegevens kan opvragen bij Ipsos. Dat volgt onder meer uit de op de zitting besproken uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4266. In die procedure heeft de minister de vraag- en antwoordlijst uit de e-screener overgelegd, nadat hij deze bij Ipsos had opgevraagd. Daarmee heeft ook de minister de bevoegdheid beslissingen te nemen over belangrijke elementen van de verwerking. Omdat de minister in zoverre het doel en de middelen voor de e-screener bepaalt, moet de minister naar het oordeel van de Afdeling als verwerkingsverantwoordelijke worden aangemerkt vanwege de voorbereidende processen, zoals de inrichting van de e-screener.

3.8. Uit het voorgaande volgt dat de Afdeling van oordeel is dat de korpschef en de minister allebei als zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, onder 7, van de AVG aangemerkt moeten worden. Dit betekent dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hun rechten zowel tegenover de korpschef als tegenover de minister kunnen uitoefenen.

3.9. Het betoog slaagt. Dit betekent dat de korpschef zich niet had mogen beperken tot het verstrekken van het klantnummer en de uitslag van de e-screener. Hieruit volgt dat de korpschef niet op juiste wijze aan de inzageverzoeken heeft voldaan, omdat de korpschef alleen inzage heeft gegeven in de uitslag van de e-screener en geen informatie heeft gegeven over de mate waarin sprake is van profilering en automatische besluitvorming op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van de AVG. Omdat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hun inzageverzoeken op grond van artikel 15 van de AVG hebben gericht tot de korpschef, rust op hem de verplichting om op die verzoeken te beslissen. Dat betekent dat niet de minister, maar de korpschef is gehouden om de verzoeken af te handelen.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

4. De korpschef heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond is. Omdat het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld en komt de Afdeling toe aan het bespreken van de gronden van het incidenteel hoger beroep.

5. De korpschef betoogt dat de rechtbank de reikwijdte van het inzagerecht op grond van de AVG niet heeft onderkend. Hij voert hiertoe aan dat het inzagerecht zich slechts uitstrekt tot gegevens die feitelijk worden verwerkt. Verder voert hij aan feitelijk niet over de gegevens in de antwoorden en de kleuring daarvan te beschikken en daarom daarin ook geen inzage kan geven.

5.1. De Afdeling overweegt als volgt. De stelling van de korpschef in de stukken dat hij feitelijk niet over de gegevens in de antwoorden en de weging daarvan beschikt, is in strijd met wat hij hierover op de zitting bij de Afdeling heeft verklaard, namelijk dat hij in het bezit is van de sleutel, ook wel het participanten-ID genoemd, waarmee bij Ipsos de persoonsgegevens opgevraagd kunnen worden. Alleen al hierom kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

5.2. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6. Het hoger beroep is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de korpschef is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 22 april 2020 gegrond verklaren. Deze besluiten moeten worden vernietigd. De korpschef moet een nieuw besluit nemen op de bezwaren van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]. Daarbij moet de korpschef het verzoek om inzage in de antwoorden van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op de door hen ingevulde vragen van de e-screener inhoudelijk beoordelen. Ook moet de korpschef ingaan op de vraag of sprake is van automatische besluitvorming en de mate waarin sprake is van profilering op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van de AVG. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuw te nemen besluiten slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De korpschef moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de korpschef van politie ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 maart 2024 in zaak nrs. 20/3065 en 20/3066;

IV. verklaart de beroepen gegrond;

V. vernietigt de besluiten van de korpschef van politie van 22 april 2020, kenmerken "E screener [appellant sub 1A]" en "E screener [appellant sub 1B]";

VI. bepaalt dat tegen de door de korpschef nieuw te nemen besluiten op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgenomen proceskosten van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de korpschef van politie aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 635,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

735-1050

BIJLAGE

Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 4 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

7. "verwerkingsverantwoordelijke": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van den de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;

[…].

Artikel 15 Recht van inzage van de betrokkene

1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

[…].

Wet politiegegevens

Artikel 24b. (verstrekking van informatie aan de betrokkene)

1. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt in elk geval de volgende informatie aan de betrokkene:

a.de identiteit en contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de functionaris voor gegevensbescherming;

b.de verwerkingsdoelen van de politiegegevens;

c.de rechten van de betrokkene, bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste en tweede lid;

d.het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit.

2. In specifieke gevallen verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de volgende informatie aan de betrokkene:

a.de rechtsgrondslag van de verwerking;

b.de bewaartermijn van de politiegegevens;

c.in voorkomend geval, de categorieën van de ontvangers van de politiegegevens;

d.indien noodzakelijk, extra informatie, in het bijzonder wanneer de politiegegevens zonder medeweten van de betrokkene worden verzameld;

e.het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 7a, eerste lid, bedoelde profilering, en nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

[…]."

Artikel 25 (recht op inzage)

1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:

a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;

b. de betrokken categorieën van politiegegevens;

c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;

f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;

g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.

[…]."

Wet natuurbescherming

Artikel 3.28

1. De jachtakte wordt verleend door de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012.

[…].

Politiewet 2012

Artikel 27

1. De korpschef is belast met de leiding en het beheer van de politie. De korpschef legt over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden verantwoording af aan Onze Minister.

[…].

Wet wapens en munitie

Artikel 6a

Ontheffingen op grond van artikel 4, erkenningen op grond van artikel 9 en verloven op grond van de artikelen 28, 29 en 32 worden, onverminderd het bepaalde in de artikel 6 en 7, en in afwijking van artikel 2:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, slechts verleend indien:

a. (…);

b. de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister aangewezen onderzoek op grond waarvan kan worden beoordeeld of er verhoogde kans is op de situatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c;

[…].

Artikel 3.28

1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.

[…].

Artikel 3.28a

1. De jachtakte wordt, onverminderd het bepaalde in de artikel 3.28, slechts verleend indien:

a. (…)

b. de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 6a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wapens en munitie aangewezen onderzoek;

[…].

Artikel 38

1. Onze Minister kan regels vaststellen over de door de korpschef bij de uitvoering van deze wet te voeren administratie.

2. Bij de uitvoering van deze wet volgen de korpschef en het onderdeel van de Belastingdienst, de Centrale dienst voor in- en uitvoer de aanwijzingen van Onze Minister.

3. Artikel 10:22, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44

Ten behoeve van de taakuitoefening op grond van deze wet kan de korpschef persoonsgegevens verwerken waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen kan blijken, alsmede gegevens betreffende gezondheid, strafrechtelijke veroordelingen of strafbare feiten bedoeld in paragraaf 3.1 en 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.

Regeling wapens en munitie

Artikel 48a

1. Het onderzoek bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel b, van de wet bestaat uit een digitale vragenlijst die is samengesteld uit gevalideerde vragenlijsten over persoonlijkheidskenmerken en risicofactoren waarvan de uitslag het risico voor wapen- en munitiebezit van de aanvrager aangeeft.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand