ECLI:NL:RVS:2026:2576

ECLI:NL:RVS:2026:2576

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202403631/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân het paraplubestemmingsplan "covergisting en mono-mestvergisting" gewijzigd vastgesteld. Het parapluplan is een gedeeltelijke herziening van alle bestemmingsplannen in de gemeente Noardeast-Fryslân waarmee de vestiging en uitbreiding van vergistingsinstallaties is toegestaan. Dit plan houdt een verbod in voor het wijzigen van de bebouwing en van het gebruik ten behoeve van vergistingsinstallaties. In het parapluplan zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheden opgenomen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders (onder voorwaarden) met een omgevingsvergunning kan toestaan om een vergistingsinstallatie of het gebruik daarvan te veranderen. Biogas Marrum B.V. exploiteert sinds 2019 een covergistingsinstallatie op het perceel aan de Nieuweweg 19 in Marrum. In de covergistingsinstallatie wordt een mengsel van dierlijke mest en cosubstraten vergist tot biogas. Het biogas wordt vervolgens in een opwaarderingsinstallatie omgezet in groen gas, dat wordt geleverd aan het aardgasnetwerk. Daarmee worden 1.600 huishoudens voorzien van groen gas. Biogas Marrum B.V. is het niet eens met het parapluplan omdat het een vergaande beperking van de uitbreidingsmogelijkheden inhoudt.

Uitspraak

202403631/1/R3.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

Biogas Marrum B.V., gevestigd in Enschede,

appellante,

en

de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad het paraplubestemmingsplan "covergisting en mono-mestvergisting" (hierna: het parapluplan) gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Biogas Marrum B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Biogas Marrum B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 februari 2026, waar Biogas Marrum B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. A. Daan, advocaat in Deventer, en de raad, vertegenwoordigd door J.K. Star, C.M. Bakema en mr. M.J.F. Nuijens, advocaat in Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het parapluplan is een gedeeltelijke herziening van alle bestemmingsplannen in de gemeente Noardeast-Fryslân waarmee de vestiging en uitbreiding van vergistingsinstallaties is toegestaan. Dit plan houdt een verbod in voor het wijzigen van de bebouwing en van het gebruik ten behoeve van vergistingsinstallaties. In het parapluplan zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheden opgenomen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders (onder voorwaarden) met een omgevingsvergunning kan toestaan om een vergistingsinstallatie of het gebruik daarvan te veranderen.

3. Op 27 januari 2022 en 26 januari 2023 heeft de raad voorbereidingsbesluiten genomen om de vestiging en uitbreiding van vergistingsinstallaties tegen te gaan.

4. Biogas Marrum B.V. exploiteert sinds 2019 een covergistingsinstallatie op het perceel aan de Nieuweweg 19 in Marrum (hierna: het perceel). In de covergistingsinstallatie wordt een mengsel van dierlijke mest en cosubstraten vergist tot biogas. Het biogas wordt vervolgens in een opwaarderingsinstallatie omgezet in groen gas, dat wordt geleverd aan het aardgasnetwerk. Daarmee worden 1.600 huishoudens voorzien van groen gas. Biogas Marrum B.V. is het niet eens met het parapluplan omdat het een vergaande beperking van de uitbreidingsmogelijkheden inhoudt ten opzichte van wat ter plaatse op grond van het bestemmingsplan "Marrum - Uitbreiding bedrijventerrein" mogelijk was.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Bijdrage aan de energietransitie

6. Biogas Marrum B.V. betoogt dat het parapluplan in strijd is met de nota "Uitgangspuntennotitie Omgevingsvisie" (hierna: de uitgangspuntennotitie) van 17 mei 2021. Omdat het een verbod inhoudt voor de ontwikkeling en uitbreiding van vergistingsinstallaties wordt niet voldaan aan één van de uitgangspunten, namelijk dat ruimte wordt gemaakt voor de energietransitie.

6.1. Uit paragraaf 2.1 van de plantoelichting blijkt dat de raad het parapluplan aan de uitgangspuntennotitie heeft getoetst. Over de energietransitie in de gemeente Noardeast-Fryslân staat in de uitgangspuntennotitie onder meer het volgende: "We hebben de ambitie om in 2030 minimaal 70% van de benodigde elektriciteit op een duurzame wijze op te wekken. We zetten zoveel mogelijk in op het lokaal organiseren van energievoorzieningen. Hierbij heeft de gemeente een faciliterende rol: enthousiasmeren en ontzorgen. We bieden met betrekking tot de energie-opgave een duidelijk landschappelijk kader." De raad heeft hierover op de zitting toegelicht dat om deze doelstelling te behalen, een combinatie van het opwekken van energie uit zowel zon, wind als groen gas noodzakelijk zal zijn. Dat het parapluplan de nieuwvestiging en uitbreiding van vergistingsinstallaties niet langer toestaat, laat dus onverlet dat de doelstelling om in 2030 minimaal 70% van de benodigde elektriciteit met de bestaande capaciteit van vergistingsinstallaties en andere hernieuwbare energiebronnen kan worden behaald. De Afdeling ziet in wat Biogas Marrum B.V. heeft aangevoerd daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het parapluplan in strijd met de uitgangspuntennotitie is vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Uitbreidingsmogelijkheden van covergistingsinstallaties

7. Biogas Marrum B.V. betoogt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel ten onrechte zijn beperkt ten opzichte van het bestemmingsplan "Marrum - Uitbreiding bedrijventerrein". Zij voert hierover in de eerste plaats aan dat de raad de keuze om de bouw- en gebruiksmogelijkheden te beperken ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Op het punt dat de raad de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden nodig acht ter voorkoming van mogelijke overlast voor de omgeving, wijst Biogas Marrum B.V. erop dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre de uitbreiding van covergistingsinstallaties leidt tot onwenselijke milieugevolgen. Daarnaast is het onduidelijk op welke overlastsituaties bij covergistingsinstallaties de raad doelt, en waarom deze overlastsituaties de in het parapluplan opgenomen beperking om de covergistingsinstallatie uit te breiden rechtvaardigen.

Biogas Marrum B.V. voert in de tweede plaats aan dat de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden onevenredig is. Volgens haar heeft de raad ten onrechte niet beoordeeld of hij kon volstaan met minder verstrekkende maatregelen dan een bouw- en gebruiksverbod. Dit terwijl de raad in de zienswijzennota heeft gesteld in een maatwerkoplossing voor covergistingsinstallaties te willen voorzien. Daarnaast heeft de raad de gevolgen voor Biogas Marrum B.V. onvoldoende in de belangenafweging betrokken.

7.1. De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan "Marrum - Uitbreiding bedrijventerrein" aan het rechterdeel van het perceel de bestemming "Bedrijventerrein - 1" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - energieinstallatie" zijn toegekend.

Artikel 3.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Bedrijventerrein - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van:

[…];

2. uitsluitend een bio-energieinstallatie, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - energieinstallatie";

[…]."

Artikel 3.2.1 luidt:

"Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a. een gebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage van het binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van het bouwperceel zal ten hoogste 75% bedragen;

[…]."

7.2. Artikel 4.1 van de regels van het parapluplan luidt:

"Het is verboden om te bouwen, indien het bouwen leidt tot vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting."

Artikel 4.2 luidt:

"Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1 voor een verandering van de bebouwing voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting, mits:

a. sprake is van een verbetering van de milieukwaliteit, waaronder in ieder geval wordt begrepen een verbetering van de

- geur-;

- geluid-; en

- verkeerssituatie.

b. de oppervlakte en de bouwhoogte van de bebouwing voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting ten hoogste de bestaande oppervlakte en bouwhoogte bedraagt."

Artikel 5.1.1 luidt:

"Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting."

Artikel 5.1.2 luidt:

"Mits geen sprake is van het veranderen en/of vergroten van het gebruik voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting is het in lid 5.1.1 genoemde verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting niet van toepassing indien sprake is van:

a. een bestaande situatie; en/of

b. vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting die op grond van een specifieke aanduiding is toegestaan."

Artikel 5.2 luidt:

"Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1.2 aanhef en onder sub a en b voor een verandering van het gebruik voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting, mits sprake is van een verbetering van de milieukwaliteit waaronder in ieder geval wordt begrepen een verbetering van de:

- geur-;

- geluid-; en

- verkeerssituatie."

"Covergisting" is volgens de definitie in artikel 1.5 van de planregels: "een vorm van vergisting waarbij energie voor ten minste 50% wordt opgewekt uit dierlijke mest, aangevuld met plantaardige biomassa;"

7.3. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

7.4. Het betoog van Biogas Marrum B.V. dat de raad de keuze om de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel te beperken ondeugdelijk heeft gemotiveerd, volgt de Afdeling niet. Hierbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. In paragraaf 2.1 van de plantoelichting is ingegaan op de "Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslân" (hierna: de transitievisie) van 30 september 2021. De raad heeft hierover op de zitting toegelicht dat uit de transitievisie weliswaar volgt dat hij het in het kader van de energietransitie van belang acht dat in voldoende mate duurzame energie wordt opgewekt, maar ook dat geur- en geluidoverlast bij covergistingsinstallaties moet worden voorkomen. De raad heeft toegelicht dat de aan- en afvoer van cosubstraten leidt tot geur- en geluidoverlast voor omwonenden van covergistingsinstallaties. Dat ontleent de raad aan het onderzoek "Nut en risico's van covergisting" uit 2015 van Wageningen University & Research. Covergistingsinstallaties zoals die van Biogas Marrum B.V. hebben in de gemeente Noardeast-Fryslân tot en met de vaststelling van het parapluplan op 18 april 2024 met name tot geuroverlast voor omwonenden geleid. Dat blijkt uit het klachtenoverzicht dat als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om de nieuwvestiging en uitbreiding van de bestaande covergistingsinstallatie op het perceel uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet langer toe te staan.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

7.5. Over het betoog dat de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel onevenredig is, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals hiervoor is overwogen, is de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ingegeven door het beschermen van het woon- en leefklimaat van omwonenden van covergistingsinstallaties. Tussen partijen is niet in geschil dat het middel (de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden) op zichzelf geschikt is om het doel (het voorkomen van overlast voor omwonenden) te bereiken. Het verbod om bestaande covergistingsinstallaties of het gebruik daarvan te veranderen is een vergaande maatregel. Op zich mag het college van burgemeester en wethouders met de artikelen 4.2 en 5.2 van de planregels ten gunste van gebruik en bouwen met een omgevingsvergunning afwijken van de verboden, maar dat is een beperkte mogelijkheid want dat mag niet leiden tot een vergroting van het oppervlak of een toename van de bouwhoogte van de covergistingsinstallatie. De afwijkingsbevoegdheid zal daarom slechts in een zeer beperkt aantal gevallen kunnen worden gebruikt.

De Afdeling is er niet van overtuigd dat het beoogde doel op het perceel niet met andere, minder vergaande maatregelen kan worden bereikt. Zij neemt daarbij in aanmerking dat uit het hiervoor genoemde klachtenoverzicht blijkt dat het aantal klachten over de covergistingsinstallatie op het perceel van Biogas Marrum B.V. is afgenomen sinds zij met (onder meer) omwonenden een overeenkomst heeft gesloten om eventuele hinder voor de omgeving te voorkomen en/of te beperken. De raad heeft niet toegelicht waarom de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel, ondanks de afname van het aantal klachten van omwonenden over de vergistingsinstallatie, noodzakelijk is om de overlast voor omwonenden te voorkomen.

De raad heeft in zijn verweerschrift weliswaar terecht gesteld dat er geen sprake was van een concreet initiatief van Biogas Marrum B.V. dat hij bij de vaststelling van het parapluplan zou moeten betrekken, maar dat neemt niet weg dat hij had moeten onderzoeken of minder vergaande maatregelen genomen konden worden om het beoogde doel te bereiken. Omdat de raad niet eerst de mogelijkheid en het effect van minder vergaande maatregelen heeft onderzocht en afgewogen had hij niet zonder deze afwegingen over mogen gaan tot het opnemen van een bouw- en gebruiksverbod met zo'n zeer beperkte afwijkingsbevoegdheden in het parapluplan. Door dit na te laten, heeft de raad het parapluplan op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt in zoverre.

7.6. Wat Biogas Marrum B.V. heeft aangevoerd over de evenwichtigheid van de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden kan gelet op het voorgaande niet aan de orde komen. Dit kan in de einduitspraak aan de orde komen.

Planregels

Bouwverbod

8. Biogas Marrum B.V. betoogt dat artikel 4.1 van de planregels rechtsonzeker is, omdat niet duidelijk is wat moet worden verstaan onder "indien het bouwen leidt tot".

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:939, onder 13.4, wordt een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk uitgelegd. Het is op grond van artikel 4.1 van de planregels verboden om te bouwen indien het bouwen leidt tot vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting. De planregel is op zichzelf bezien voldoende duidelijk en ondubbelzinnig. De woorden "indien het bouwen leidt tot" kunnen naar het oordeel van de Afdeling in deze context niet anders worden uitgelegd dan dat het gaat om de verbouw en nieuwbouw van vergistingsinstallaties. De Afdeling ziet in wat Biogas Marrum B.V. heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4.1 van de planregels rechtsonzeker is.

Het betoog slaagt niet.

Afwijkingsbevoegdheden

9. Biogas Marrum B.V. betoogt dat de in artikelen 4.2 en 5.2 van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheden te algemeen zijn geformuleerd en daarom in strijd zijn met de rechtszekerheid. Volgens Biogas Marrum B.V. is de voorwaarde "een verbetering van de milieukwaliteit" onduidelijk geformuleerd en onvoldoende begrensd. Volgens haar is niet duidelijk wanneer is voldaan aan deze voorwaarde.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de afwijkingsbevoegdheden in de artikelen 4.2 en 5.2 van de planregels voldoende objectief zijn begrensd, omdat in de bepalingen duidelijk is omschreven in welke gevallen en op welke wijze van deze afwijkingsbevoegdheden gebruik mag worden gemaakt. Onder een verbetering van de milieukwaliteit wordt in ieder geval begrepen een verbetering van de geur-, geluid-, en verkeerssituatie. Zodra op één van deze onderdelen sprake is van een verslechtering, is geen sprake van verbetering van de milieukwaliteit. Zodra op één van deze onderdelen sprake is van een verbetering en de andere twee onderdelen blijven gelijk, is wel sprake van een verbetering. Bij de aanvraag moet de initiatiefnemer dit met een motivering onderbouwen.

9.2. Als de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan regels stelt, dan moeten die regels in verband met de rechtszekerheid voldoende concreet en objectief begrensd zijn. In een afwijkingsbepaling moet in voldoende mate worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Vergelijk de uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2823, onder 9.3.

In de artikelen 4.2 en 5.2 van de planregels is de bevoegdheid opgenomen om voor bouwen en gebruik met een omgevingsvergunning af te wijken van het bouw- en gebruiksverbod. Een vergunning voor de verandering van de bebouwing en/of het gebruik kan op grond van die artikelen alleen worden verleend als vaststaat dat er sprake is van een verbetering van de milieukwaliteit, waaronder in ieder geval wordt begrepen een verbetering van de geur-, geluid- en verkeerssituatie. Een verdere omschrijving van het begrip "milieusituatie" ontbreekt.

De woorden "verbetering van de milieusituatie" acht de Afdeling onduidelijk. Daar komt bij dat voor het begrip "verkeerssituatie" ook geen nadere definitie in het parapluplan is opgenomen, terwijl dit begrip voor meerdere uitleg vatbaar is. Zo kan daar bijvoorbeeld de verkeersafwikkeling rondom vergistingsinstallaties of de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden onder worden verstaan. Daarnaast blijkt niet uit de artikelen 4.2 en 5.2 van de planregels hoe de drie aspecten die een verbetering van de milieusituatie kunnen omvatten zich tot elkaar verhouden.

Het voorgaande betekent dat de afwijkingsbevoegdheden in de artikelen 4.2 en 5.2 van de planregels, onvoldoende duidelijk en onvoldoende objectief begrensd zijn. Het parapluplan is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Dienstenrichtlijn

10. Biogas Marrum B.V. betoogt dat de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor covergistingsinstallaties in strijd is met het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn. Zij voert aan dat een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen vergistingsinstallaties en andere vormen van bedrijvigheid.

10.1. Voor het antwoord op de vraag of de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden in strijd is met de Dienstenrichtlijn, is allereerst van belang of de exploitatie van een covergistingsinstallatie door Biogas Marrum B.V. kan worden aangemerkt als een dienst in de zin van die richtlijn.

10.2. Biogas Marrum B.V. heeft toegelicht dat zij op het perceel biogas produceert. Voorafgaand aan het eigenlijke productieproces neemt zij mest in van veehouders en zij betalen haar daarvoor. Nadat het biogas is geproduceerd wordt dit in een opwaarderingsinstallatie op het perceel omgezet in groen gas, dat vervolgens via een aansluiting op het perceel wordt geleverd aan het aardgasnetwerk.

10.3. In artikel 4, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn is een "dienst" gedefinieerd als elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de productie van een goed als zodanig niet als een dienst kan worden beschouwd. De productie van biogas is de productie van een goed en dus geen dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn is hier dan ook niet van toepassing. De Afdeling verwijst hiervoor naar het arrest van 7 mei 1985 in de zaak 18/84 (Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:1985:175), punt 12, het arrest van 11 juli 1985 in de zaken 60/84 en 61/84 (Cinéthèque e.a., ECLI:EU:C:1985:329), punt 10, en het arrest van 28 mei 2020 in zaak C-727/17 (ECO-WIND Construction, ECLI:EU:C:2020:393), punt 57. Dat het groen gas via een aansluiting op het perceel wordt geleverd aan het aardgasnetwerk leidt gelet op wat op de zitting is toegelicht niet tot een andere conclusie, omdat de distributie van groen gas ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit, de productie van biogas. Vergelijk met het arrest van het Hof van Justitie van 28 mei 2020, in zaak C-727/17 (ECO-WIND Construction, ECLI:EU:C:2020:393), punt 59.

10.4. Het innemen van mest tegen betaling van veehouders is een economische activiteit die op zichzelf wel door de bepalingen in de Dienstenrichtlijn kan worden beheerst. Biogas Marrum B.V. heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dit de hoofdactiviteit op het perceel is waaraan de productie van biogas ondergeschikt is. Vergelijk ook op dit punt met het arrest van het Hof van Justitie van 28 mei 2020, zaak C-727/17, ECLI:EU:C:2020:393 (ECO-WIND Construction), punt 59.

10.5. Gelet op het voorgaande is een inhoudelijke beoordeling of de beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn in dit geval niet aan de orde.

Bestuurlijke lus

11. Het besluit tot vaststelling van het parapluplan is in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling ziet aanleiding om de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb in de gelegenheid te stellen om de gebreken te herstellen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van wat is overwogen onder 7.5 dit gebrek te herstellen door alsnog deugdelijk te onderzoeken en te motiveren waarom het bouw- en gebruiksverbod met de beperkte afwijkingsbevoegdheden op het perceel noodzakelijk is om het doel van het parapluplan te bereiken;

- als de raad het bouw- en gebruiksverbod met de beperkte afwijkingsbevoegdheden op het perceel noodzakelijk acht, met inachtneming van wat is overwogen onder 9.2, artikel 4.2 en 5.2 van de planregels te wijzigen.

12. Als de raad tot de conclusie komt dat de verboden noodzakelijk zijn, kan hij voor het gebrek onder het eerste streepje volstaan met nader onderzoek en een uitleg daarvan. Voor het gebrek onder het tweede streepje moet sowieso het besluit worden gewijzigd. Als de raad niet tot de conclusie komt dat de verboden noodzakelijk zijn, is een geheel ander besluit nodig. De raad moet de Afdeling en Biogas Marrum B.V. de uitkomst meedelen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit hoeft niet met afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten en griffierecht

13. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân op:

- om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van de overwegingen 7.5, 9.2, 11 en 12 de daar omschreven gebreken in het besluit van 18 april 2024 tot vaststelling van het paraplubestemmingsplan "covergisting en mono-mestvergisting" te herstellen, en

- de Afdeling en Biogas Marrum B.V. de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Verburg

voorzitter

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

884-1091

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D.A. Verburg
  • mr. A.J.C. de Moor-van Vugt
  • mr. C.H. Bangma

Griffier

  • mr. E.W.L. van der Heijden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand