ECLI:NL:RVS:2026:2579

ECLI:NL:RVS:2026:2579

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202104207/6/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij tussenuitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2457, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 4 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" te herstellen, met inachtneming van wat over die gebreken in de tussenuitspraak is overwogen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak een aantal gebreken vastgesteld in het besluit van 4 juli 2024. Het gaat onder meer om het volgende gebrek: onder 28.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid omdat de raad zijn standpunt heeft gewijzigd over het regelen van een minimaal aan te houden afstand tussen de voorziene nieuwe woningen en de achterperceelsgrenzen van bestaande woningen. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] kunnen zich niet vinden in de regeling in het plan over de aan te houden afstand tussen de nieuwe woningen en de achterperceelsgrenzen.

Uitspraak

202104207/6/R2.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

4. [appellant sub 4], wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

5. [appellant sub 5] en anderen, wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

6. [appellant sub 6], wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2457, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 4 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" te herstellen, met inachtneming van wat over die gebreken in de tussenuitspraak is overwogen.

Bij besluit van 9 oktober 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).

Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop volgens de raad de gebreken zijn hersteld. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de minister de gelegenheid geboden om kenbaar te maken of hij op een zitting van de Afdeling wenst te worden gehoord. De minister heeft niet aangegeven dat hij van die mogelijkheid gebruik wenst te maken. Daarop heeft de Afdeling bepaald dat een tweede zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

De tussenuitspraak en het besluit van 4 juli 2024

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak een aantal gebreken vastgesteld in het besluit van 4 juli 2024. Het gaat om de volgende gebreken:

- onder 28.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid omdat de raad zijn standpunt heeft gewijzigd over het regelen van een minimaal aan te houden afstand tussen de voorziene nieuwe woningen en de achterperceelsgrenzen van bestaande woningen;

- onder 29.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in strijd met de rechtszekerheid in de planregels onvoldoende duidelijk is bepaald hoeveel (nieuwe) woningen in het gebied zijn toegestaan;

- onder 30.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de regeling in het plan over de maximaal toegestane bouwhoogtes in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. De raad heeft ook in strijd met het motiveringsbeginsel niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij een bouwhoogte van 14 m voor alle nieuwe woningen ruimtelijk aanvaardbaar acht;

- onder 37.4 en 37.5 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad met het opnemen van de functieaanduiding "overige zone - knip" in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geregeld wat hij beoogde te regelen;

- onder 48.2 van de tussenuitspraak is de Afdeling tot de conclusie gekomen dat de raad de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], en [appellant sub 6], voor zover het gaat om de maximaal toegestane bouwhoogte en de mogelijkheden om te bouwen tot en met de achterperceelsgrenzen, onvoldoende heeft onderzocht en zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse.

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat in de einduitspraak zal worden beslist over de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] gericht tegen de besluiten van 29 april 2021 en 2 juni 2022. Daar komt de Afdeling op terug onder 17 van deze uitspraak.

3. Gelet op wat is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] tegen het besluit van 4 juli 2024 gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd.

4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 4 juli 2024 te herstellen.

Het herstelbesluit

5. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak bij besluit van 9 oktober 2025 het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De raad heeft met het herstelbesluit:

- de (minimaal) aan te houden afstand tussen de nieuwe woningen en de achterperceelsgrenzen van een bestaande woning geregeld;

- in de planregels vastgelegd hoeveel (nieuwe) woningen in het gebied zijn toegestaan;

- de regeling over de maximaal toegestane bouwhoogte aangepast;

- de aanduiding "overige zone - knip" aan de gronden toegekend die de raad initieel had beoogd, en

- gemotiveerd waarom het gewijzigde plan niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

6. Het herstelbesluit van 9 oktober 2025 is onderdeel van dit geding. Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling van de beroepen

7. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2], en [appellant sub 6] hebben zienswijzen over het herstelbesluit naar voren gebracht. De Afdeling zal aan de hand van die zienswijzen bepalen of de raad erin is geslaagd de geconstateerde gebreken te herstellen.

Afstand tot de achterperceelsgrenzen

8. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] kunnen zich niet vinden in de regeling in het plan over de aan te houden afstand tussen de nieuwe woningen en de achterperceelsgrenzen.

8.1. In de planregels zijn voor het bouwen van hoofdgebouwen bepalingen opgenomen over de aan te houden afstand tussen de achterperceelsgrens behorende bij een bestaande woning.

Binnen de bestemming "Woongebied - 1" is artikel 7.2.2, aanhef en onder j, van de planregels relevant. Die bepaling luidt: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: de afstand van een gevel van een hoofdgebouw tot aan de achterperceelsgrens van een bestaande woning mag niet minder dan 3 meter bedragen".

Binnen de bestemming "Woongebied - 2" is artikel 8.2.3, aanhef en onder i, van de planregels relevant. Die bepaling luidt: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: de afstand van een gevel van een hoofdgebouw tot aan de achterperceelsgrens behorende bij een bestaande woning mag niet meer dan 3 meter bedragen".

8.2. [appellanten sub 3] voeren aan dat met het herstelbesluit alsnog niet een minimaal aan te houden afstand tot de achterperceelsgrenzen is geregeld. De voor hun woning relevante planregel, dat is artikel 8.2.3, aanhef en onder i, bepaalt namelijk dat de afstand ‘niet meer’ dan 3 m mag bedragen. Dat betekent dus dat de afstand ook 0 m kan zijn. Volgens hen kan dit niet de bedoeling zijn.

8.3. De raad heeft in zijn reactie op de zienswijzen te kennen gegeven dat [appellanten sub 3] er terecht op wijzen dat bedoeld is om in artikel 8.2.3, onder i, van de planregels te bepalen dat de aan te houden afstand ‘niet minder’ in plaats van ‘niet meer’ dan 3 m mag bedragen. Volgens de raad is dit een kennelijke vergissing en is bedoeld dat deze bepaling gelijkluidend is aan artikel 7.2.2, aanhef en j, van de planregels. De raad verzoekt de Afdeling daarom om artikel 8.2.3, onder i, van de planregels op deze manier zelf voorziend aan te passen.

8.4. De Afdeling overweegt dat de raad zich hiermee in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, zodat het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen daarom.

De Afdeling zal hierna, onder 16, overwegen of zij aanleiding ziet om op dit punt zelf te voorzien. Hierna zal de Afdeling er voor de verdere beoordeling vanuit gaan dat artikel 8.2.3, aanhef en onder i, van de planregels bepaalt dat bij het bouwen van hoofdgebouwen de aan te houden afstand vanaf een gevel tot de achterperceelsgrens van een bestaande woning niet minder dan 3 m mag bedragen.

9. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] betogen dat onduidelijk is wat moet worden verstaan onder ‘bestaande woning’ in artikelen 7.2.2, onder j, en 8.2.3, onder i, van de planregels.

9.1. In artikel 1.12 van de planregels is bepaald wat moet worden verstaan onder ‘bestaande woning’. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] hebben niet gesteld dat en ook niet uitgelegd waarom die definitie niet duidelijk is. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat niet duidelijk is wat moet worden verstaan onder ‘bestaande woning’. De betogen slagen niet.

10. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] betogen verder dat de toegestane afstand van minimaal 3 m tot de achterperceelsgrens te kort is. Dit zorgt volgens hen nog steeds voor veel inkijk in bestaande woningen, erven en tuinen. Een goede ruimtelijke ordening vraagt daarom een ruimere afstand dan 3 m.

10.1. De raad verwijst in zijn reactie op de zienswijzen naar bijlage 37 bij de plantoelichting, waar een toelichting is gegeven op de wijzigingen van het herstelbesluit. Daarin staat dat een afstand van minimaal 3 m tot aan de achterperceelsgrenzen niet ongebruikelijk is in een woonwijk, waar ook de bestaande woningen onderdeel van uit gaan maken. De achtertuinen van nieuwe woningen zullen vaak ook (veel) dieper zijn dan 3 m. Hierdoor zal dus de afstand tussen het (nieuwe) hoofdgebouw en de achterperceelsgrens van bestaande woningen meestal ook (veel) groter dan 3 m zijn. Omdat in het plangebied bij alle bestaande woningen tuinen aanwezig zijn, wordt de afstand tussen bestaande en nieuwe woningen nog groter. Volgens de raad is daarom de minimaal aan te houden afstand van 3 m in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

10.2. In de tussenuitspraak, onder meer onder 48.1, heeft de Afdeling overwogen dat het (plan)gebied door het plan zal veranderen. Het gebied dat nu overwegend een landelijk karakter heeft, zal een meer verstedelijkt karakter krijgen. Dat heeft de raad ook erkend. In zo’n verstedelijkte omgeving is enige mate van inkijk in woningen, tuinen of erven niet onaanvaardbaar. Gelet daarop, en ook gelet op de toelichting van de raad, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een minimale afstand van 3 m tussen een gevel van een nieuw te bouwen hoofdgebouw en de achterperceelsgrens van bestaande woningen ruimtelijk aanvaardbaar is.

De betogen slagen niet.

Bouwhoogte

11. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] betogen dat de regeling over de bouwhoogte in het plan nog steeds niet goed is. Zo staat ook het gewijzigde plan er niet aan in de weg dat alle nieuwe woningen een bouwhoogte van maximaal 14 m krijgen, omdat de artikelen 7.2.2, aanhef en onder a, en 8.2.3, aanhef en onder a, van de planregels bepalen dat de bouwhoogte van nieuwe woningen niet meer dan 14 m mag bedragen. Dat is niet in lijn met de bedoeling van de raad en is ook niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] menen daarnaast dat de planregeling niet gelukkig is vormgegeven en op de verbeelding een aanduiding met een maximale bouwhoogte had moeten worden opgenomen. Tot slot blijkt uit de planregels, gelet op de formulering, niet of ook de kap bij de maximale bouwhoogte is inbegrepen.

11.1. De artikelen 7.2.2, aanhef en onder a, en 8.2.3, aanhef en onder a, van de planregels zijn gelijkluidend en luiden:

"Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: de bouwhoogte van nieuwe woningen moet ten minste 3,00 meter en mag niet meer dan 14,00 meter bedragen;".

Aan de gronden met de bestemming "Woongebied - 1" en "Woongebied - 2" zijn daarnaast specifieke bouwaanduidingen toegekend waarmee in de planregels het aantal toegestane bouwlagen en de toegestane bouwhoogte is bepaald. Die bouwaanduidingen komen in vijf verschillende varianten voor, waarbij de eerste variant "specifieke bouwaanduiding - aantal bouwlagen 1" is, oplopend tot een variant "specifieke bouwaanduiding - aantal bouwlagen 5". In de planregels is vervolgens ten aanzien van die vijf varianten bepaald wat de toegestane bouwhoogte en wat het aantal toegestane bouwlagen zijn. Artikel 7.2.2, aanhef en onder k, van de planregels over variant 1 in de bestemming "Woongebied - 1" luidt bijvoorbeeld:

"het aantal bouwlagen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - aantal bouwlagen 1' mag niet minder dan 2 en niet meer dan 3 bedragen, met dien verstande dat:

1. gebouwen in dit aanduidingsvlak een maximale bouwhoogte van 12,5 meter hebben en voorzien mogen worden van een kap die niet geldt als bouwlaag;

2. in afwijking van het bepaalde in de aanhef, per aanduidingsvlak maximaal 20% van de gebouwen, waarop een aanvraag van een omgevingsvergunning betrekking heeft, als accentbebouwing mag worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 14 meter en bestaande uit maximaal 4 bouwlagen en een kap."

11.2. Anders dan [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] betogen, staat het plan niet toe dat alle nieuwe woningen een bouwhoogte van 14 m mogen hebben. Weliswaar bepalen de artikelen 7.2.2, aanhef en onder a, en 8.2.3, aanhef en onder a, van de planregels dat de maximaal toegestane bouwhoogte voor nieuwe woningen 14 m is, maar de hiervoor genoemde bouwaanduidingen geven verder invulling aan de toegestane bouwhoogte en bouwlagen. Uit de regels gekoppeld aan de bouwaanduidingen volgt dat voor geen van de nieuwe woningen in zijn algemeenheid een bouwhoogte van 14 m is toegestaan. Alleen de zogenoemde ‘accentbebouwing’ binnen de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - aantal bouwlagen 1" mag in afwijking van de binnen dat aanduidingsvlak toegestane maximale bouwhoogte van 12,5 m als accentbebouwing een bouwhoogte van 14 m hebben. Dan gaat het om maximaal 20% van de gebouwen binnen dat aanduidingsvlak, en dus niet om alle nieuwe woningen in het plangebied. In zoverre missen de betogen feitelijke grondslag.

De Afdeling volgt appellanten verder niet in hun standpunt dat de planregeling over de bouwhoogte niet duidelijk is. Niet de tekst van de bouwaanduidingen, maar de planregels en specifiek de regels gekoppeld aan die aanduidingen zijn bepalend voor wat het plan regelt. Daarbij ziet de Afdeling ook niet dat de zinsnede "en een kap" in de regels over de bouwaanduidingen de toegestane bouwhoogte onduidelijk zou maken. De raad heeft daarover toegelicht dat die zinsnede betrekking heeft op het aantal toegestane bouwlagen en niet op de toegestane bouwhoogte, en dat die zinsnede duidelijk maakt dat een kap op grond van die planregels niet als bouwlaag geldt.

De raad heeft verder de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de maximaal toegestane bouwhoogtes, inclusief de accentbebouwing met een maximale hoogte van 14 m, in de hiervoor genoemde bijlage 37 bij de plantoelichting onderbouwd. [appellanten sub 3], [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] hebben die onderbouwing niet concreet bestreden. De Afdeling ziet daarom in wat zij hebben aangevoerd, waarbij zij er overigens ten onrechte van uitgaan dat alle nieuwe woningen 14 m hoog mogen worden, geen aanleiding voor het oordeel dat de toegestane bouwhoogtes niet passend zijn in de omgeving.

De betogen slagen niet.

Herhaling van gronden

12. [appellant sub 6] heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat artikel 7.2.2, onder h en i, van de planregels, over de afstand van nieuwe hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens, onvoldoende duidelijk is. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van bestaand waardevol groen in de omgeving.

De Afdeling heeft over die onderwerpen, onder meer naar aanleiding van beroepsgronden van [appellant sub 6] daarover, reeds in de tussenuitspraak geoordeeld. Behalve in uitzonderlijke gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

Conclusie over het herstelbesluit 9 oktober 2025

De ongegronde beroepen

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de van rechtswege ontstane beroepen tegen het besluit van 9 oktober 2025 van [appellanten sub 2] en van [appellant sub 6] ongegrond.

14. [appellant sub 1], [appellant sub 4], en [appellant sub 5] en anderen hebben naar aanleiding van het besluit van 9 oktober 2025 geen zienswijze ingediend. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 4], en [appellant sub 5] en anderen zijn ongegrond.

Het gegronde beroep

15. Uit wat hiervoor onder 8.4 is overwogen, blijkt dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten sub 3] een gebrek in het besluit van 9 oktober 2025 is vastgesteld. De raad heeft namelijk in artikel 8.2.3, aanhef en onder i, van de planregels niet geregeld wat hij beoogde te regelen. Het herstelbesluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en moet dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover artikel 8.2.3, aanhef en onder i, van de planregels bepaalt dat de afstand van een gevel van een hoofdgebouw tot aan de achterperceelsgrens behorende bij een bestaande woning ‘niet meer’ dan 3 meter mag bedragen.

16. De raad heeft in zijn nadere stuk van 16 januari 2026 te kennen gegeven dat, zoals [appellanten sub 3] in hun zienswijze ook hebben opgemerkt, het woord ‘meer’ in artikel 8.2.3, aanhef en onder i, van de planregels moet worden aangepast naar het woord ‘minder’. De raad heeft de Afdeling verzocht het artikel op die manier aan te passen.

Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, overeenkomstig zoals de raad heeft voorgesteld. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak wat betreft dit planonderdeel in de plaats treedt van het herstelbesluit voor zover dit is vernietigd. De Afdeling zal de raad ook opdragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

Conclusie over de besluiten van 29 april 2021 en 2 juni 2022

17. Het voorgaande betekent dat het herstelbesluit van 9 oktober 2025 (grotendeels) in stand blijft, en dat voor het vernietigde gedeelte de Afdeling zelf zal voorzien en zal bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt. Het herstelbesluit vervangt de besluiten van 29 april 2021 en 2 juni 2022, waarmee initieel het plan voor de herontwikkeling van Nuenen-West is vastgesteld. Niet is gebleken dat [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] onder deze omstandigheden nog enig belang hebben bij een beoordeling van hun beroepen, voor zover gericht tegen de inmiddels vervangen besluiten van 29 april 2021 en 2 juni 2022. Hun beroepen tegen die besluiten zijn daarom niet-ontvankelijk.

Overschrijding redelijke termijn

18. [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] hebben verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

18.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

18.2. De Afdeling heeft de beroepschriften van [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] ontvangen op 29 juni 2021, 2 juli 2021 en 6 juli 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 2 jaar en ruim 10 maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het bedrag zou dus € 3.000,00 per persoon bedragen.

De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om dat bedrag per persoon voor een aantal appellanten te matigen. Het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door de gezamenlijke behandeling hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Dat leidt tot de volgende bedragen.

[appellanten sub 2], en [appellanten sub 3] ontvangen per persoon een bedrag van € 1.500,00. [appellant sub 5] en anderen is een appellantengroep bestaande uit acht natuurlijke personen. Zij ontvangen ieder een bedrag van € 750,00. [appellant sub 6] ontvangt een bedrag van € 3.000,00.

18.3. In de tussenuitspraak van 28 mei 2025 zijn door de Afdeling meerdere gebreken geconstateerd in het bestemmingsplan. Daarop heeft de Afdeling een bestuurlijke lus toegepast om de raad de gelegenheid te geven de besluiten te herstellen. Hierdoor is de redelijke termijn met nog meer maanden overschreden dan toen al het geval was. Een overschrijding van de redelijke termijn voor zover die het gevolg is van het toepassen van een bestuurlijke lus om gebreken te herstellen, moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Voor zover een overschrijding komt doordat de Afdeling de redelijke behandelingsduur voor de beroepen heeft overschreden, dat wil zeggen omdat niet binnen twee jaar de tussenuitspraak is gedaan en niet binnen één jaar na ontvangst van de herstelbesluiten einduitspraak is gedaan, moet deze aan de Afdeling worden toegerekend (vergelijk de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1289).

18.4. De tussenuitspraak was voor [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] 1 jaar en 11 maanden te laat. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. Omdat de einduitspraak is gedaan binnen een jaar nadat de Afdeling bericht heeft gekregen dat het herstelbesluit was genomen, moet de overschrijding voor het overige aan de raad worden toegekend. Omdat de overschrijding deels aan de Afdeling en deels aan de raad is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de raad en de Staat.

Proceskosten

19. De raad moet de proceskosten voor de behandeling van de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] betalen.

20. De raad en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] hebben gemaakt in verband met de behandeling van de verzoeken om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 29 april 2021 en 2 juni 2022 van de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot (gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 4 juli 2024 van de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" gegrond;

III. vernietigt het onder II genoemde besluit;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] tegen het besluit van 9 oktober 2025 van de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van 9 oktober 2025 van de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Herijking Nuenen West" gegrond;

VI. vernietigt het onder V genoemde besluit, voor zover in artikel 8.2.3, onder i, van de planregels het woord ‘meer’ staat;

VII. bepaalt dat in artikel 8.2.3, onder i, van de planregels het woord ‘minder’ wordt gevoegd, tussen de woorden ‘niet’ en ‘dan’;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde onderdeel van het besluit;

IX. draagt de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen VI en VII worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

X. wijst de verzoeken van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 5] en anderen, en [appellant sub 6] om schadevergoeding toe;

XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van:

a. € 2.029,41 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 2.029,41 aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. € 4.058,82 aan [appellant sub 5] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. € 2.029,41 aan [appellant sub 6];

XII. veroordeelt de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot betaling van een schadevergoeding van:

a. € 970,59 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 970,59 aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. € 1.941,18 aan [appellant sub 5] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. € 970,59 aan [appellant sub 6];

XIII. veroordeelt de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot vergoeding van bij:

a. [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.502,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.502,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. [appellant sub 5] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.035,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

f. [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.502,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XIV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij:

a. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. [appellant sub 5] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XV. gelast dat de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten aan:

a. [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;

b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. [appellant sub 4] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;

e. [appellant sub 5] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

f. [appellant sub 6] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.I. Heijkoop, griffier.

w.g. Knol

voorzitter

w.g. Heijkoop

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

971

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. H.J.M. Besselink
  • mr. J.F. de Groot

Griffier

  • mr. C.I. Heijkoop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand