ECLI:NL:RVS:2026:2580

ECLI:NL:RVS:2026:2580

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 202301875/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 9 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een aanvraag van [appellante] voor erkenning van de beroepskwalificatie om te mogen werken als leraar in het (internationaal georiënteerd) basisonderwijs afgewezen. [appellante] is Nederlands staatsburger. Zij woont sinds 2017 in Nederland. Sindsdien werkt zij voor The British School in The Netherlands in Den Haag. Dit is een particuliere school. Om hier te werken heeft zij geen onderwijsbevoegdheid nodig. Omdat de locatie waar zij werkt gesloten dreigt te worden en zij elders les wil gaan geven, wil zij nu toch een erkenning van de door haar in het buitenland behaalde beroepskwalificatie om de bevoegdheid te verkrijgen om onderwijs te mogen geven. [appellante] heeft op 25 februari 2021 een aanvraag ingediend voor een onderwijsbevoegdheid. In de aanvraag heeft zij vermeld dat zij in de periode 2008-2012 in de Verenigde Staten de bachelor Political Science and French heeft afgerond. In de periode 2013-2014 heeft zij in het Verenigd Koninkrijk de master Literacy Learning and Literacy Difficulties gevolgd en hiervoor een diploma behaald.

Uitspraak

202301875/1/A2.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2023 in zaak nr. 21/5630 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2021 heeft de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een aanvraag van [appellante] voor erkenning van de beroepskwalificatie om te mogen werken als leraar in het (internationaal georiënteerd) basisonderwijs afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2021 heeft de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 februari 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Gijsen, rechtsbijstandverlener in Leusden, en vergezeld door [persoon], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. N. Fazli en mr. F. Hummel-Fekkes, zijn verschenen.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en de staatssecretaris verzocht om de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic) in te schakelen om advies uit te brengen.

Bij brief van 25 augustus 2025 heeft de staatssecretaris het rapport van Nuffic en zijn reactie hierop ingediend.

Bij brief van 8 september 2025 heeft [appellante] een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend.

Bij brief van 2 oktober 2025 heeft [appellante] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft partijen gewezen op hun recht op een nadere zitting. Geen van de partijen heeft laten weten daarvan gebruik te willen maken. De Afdeling heeft daarom het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is Nederlands staatsburger. Zij woont sinds 2017 in Nederland. Sindsdien werkt zij voor The British School in The Netherlands in Den Haag. Dit is een particuliere school. Om hier te werken heeft zij geen onderwijsbevoegdheid nodig. Omdat de locatie waar zij werkt gesloten dreigt te worden en zij elders les wil gaan geven, wil zij nu toch een erkenning van de door haar in het buitenland behaalde beroepskwalificatie om de bevoegdheid te verkrijgen om onderwijs te mogen geven.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Aanvraag

3. [appellante] heeft op 25 februari 2021 een aanvraag ingediend voor een onderwijsbevoegdheid. In de aanvraag heeft zij vermeld dat zij in de periode 2008-2012 in de Verenigde Staten de bachelor Political Science and French heeft afgerond. In de periode 2013-2014 heeft zij in het Verenigd Koninkrijk de master Literacy Learning and Literacy Difficulties gevolgd en hiervoor een diploma behaald. Aansluitend heeft zij in 2015 in het Verenigd Koninkrijk het diploma Post Graduate Certificate in Education (PGCE) behaald met een qualified teacher status. Daarna heeft zij in 2016 een induction-verklaring van het Britse Department for Education verkregen door een jaar op een basisschool te werken, waar zij lesgaf aan 7-8 jarigen. Na het afronden van de induction-periode, heeft zij in 2016-2017 lesgegeven aan 9-11 jarigen op de Charterhouse Square School. Sinds 2017 geeft zij op The British School in The Netherlands les aan 9-10 jarigen.

Besluitvorming

4. De staatssecretaris heeft de aanvraag van [appellante] afgewezen. Om in Nederland in aanmerking te komen voor erkenning van de gevraagde bevoegdheid moet de buitenlandse opleiding gericht zijn geweest op het beroep en het vak waar de onderwijsbevoegdheid in het land van diplomering voor is verkregen. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk heeft [appellante] geen specifieke lerarenopleiding voor het basisonderwijs gevolgd. [appellante] voldoet daarom niet aan de gestelde voorwaarden, aldus de staatssecretaris.

5. De staatssecretaris heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd. De door [appellante] gevolgde opleiding kan niet worden gelijkgesteld aan een vierjarige Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs. Daarmee voldoet [appellante] niet aan de voorwaarden voor een erkenning voor groepsleerkracht in het basisonderwijs, aldus de staatssecretaris.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag voor de erkenning van de onderwijsbevoegdheid redelijkerwijs heeft kunnen afwijzen. De staatssecretaris kan de beroepskwalificatie erkennen als het niveau van de gevolgde opleiding gelijkwaardig is aan de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs. De staatssecretaris toetst de gelijkwaardigheid door de buitenlandse opleiding inhoudelijk te beoordelen. De buitenlandse opleiding moet ook een lerarenopleiding zijn die gericht is op het basisonderwijs. Daarom is de inhoud van de buitenlandse opleiding van wezenlijk belang om de gelijkwaardigheid van de opleidingen te kunnen toetsen.

De door [appellante] gevolgde opleidingen kunnen niet gelijk worden gesteld aan de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs. De master Literacy Learning and Literacy Difficulties is specifiek gericht op het geven van onderwijs aan kinderen met alfabetiseringsproblemen, zoals dyslexie. Het PGCE-certificaat zag niet op het onderwijzen van algemene basisschoolvakken, zoals bijvoorbeeld aardrijkskunde, geschiedenis, biologie en rekenen, en had ook geen betrekking op het lesgeven in het primair onderwijs, maar op het secundair onderwijs aan kinderen in de leeftijdsgroep van 11 tot en met 19 jaar. De Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs is, in tegenstelling tot de gevolgde opleidingen, gericht op het bestuderen en onderwijzen van basisschoolvakken voor de leeftijdsgroep van 4- tot en met 12-jarigen. Gelet hierop hoefde de staatssecretaris geen advies te vragen aan Nuffic.

De staatssecretaris heeft de belangen van [appellante] afgewogen tegen die van de onderwijsinstellingen en de leerlingen, waarbij veel gewicht is toegekend aan het belang van goed onderwijs. De gevolgen van de afwijzing zijn niet onevenredig met de met het besluit te dienen doelen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de Wpo en de Beleidsregel bevoegdheid basisonderwijs, speciaal onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor buitenlandse diploma’s (de Beleidsregel). Volgens de Beleidsregel mag de staatssecretaris alleen het niveau en niet de inhoud van de door haar gevolgde opleiding vergelijken met de Nederlandse hbo-opleiding tot leraar in het basisonderwijs. Haar opleidingen kunnen wel gelijk worden gesteld met de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs. Daarbij komt dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat zij na het behalen van het PGCE nog een volledige induction-periode heeft doorlopen, waarin zij onder begeleiding in alle vakken heeft lesgegeven op een basisschool. Dit is relevante ervaring, die de staatssecretaris ook mee had moeten nemen in zijn beoordeling van haar aanvraag.

Heropening van het onderzoek

8. Na de behandeling van de zaak op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de staatssecretaris verzocht om Nuffic in te schakelen om advies uit te brengen.

8.1. Nuffic heeft in het advies van 31 juli 2025 onder meer het volgende geconstateerd. [appellante] heeft op 25 juni 2015 een qualified teacher status behaald, wat betekent dat zij in het Verenigd Koninkrijk bevoegd is om les te geven in het basisonderwijs, aan alle klassen en niveaus. Vervolgens heeft zij op 20 juli 2016 een induction-periode afgerond binnen het basisonderwijs, met een focus op de leeftijdsgroep 7-8 jaar. Verder was [appellante] werkzaam als junior docent bij The British School in The Netherlands, waar zij les gaf aan de leeftijdsgroep 5-10 jaar. Uit het curriculum vitae van [appellante] blijkt bovendien dat zij ervaring heeft opgedaan met lesgeven aan basisschoolleerlingen. Zij heeft ruime ervaring in het lesgeven aan verschillende leeftijdsgroepen binnen het basisonderwijs. Ook heeft zij kennis van de inhoud van het onderwijs dat zij geeft. Naar aanleiding van de vraag van de staatssecretaris of de combinatie van de opleidingen van [appellante] voldoet aan het niveau van de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs, heeft Nuffic geconcludeerd dat er geen bewijs is van een opleiding die specifiek opleidt tot leraar basisonderwijs. Over de vraag van de staatssecretaris of tijdens het PGCE en de master Literacy Learning and Literacy Difficulties de kennisbases van de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs voldoende zijn behandeld, heeft Nuffic opgemerkt dat tijdens deze twee opleidingen niet aan alle kennisbases aandacht is besteed. Over de vraag of de onderwijservaring die [appellante] tijdens de induction-periode op een basisschool heeft opgedaan, kan compenseren voor het feit dat het PGCE was gericht op het voortgezet onderwijs, heeft Nuffic opgemerkt dat de ervaring die [appellante] tijdens de induction-periode in het basisonderwijs en als junior docent heeft opgedaan waardevol is, maar ‘mogelijk niet voldoende’ is om de inhoud van het PGCE volledig te vervangen.

8.2. De staatssecretaris heeft in zijn reactie op het advies van Nuffic te kennen gegeven dat hij in het advies geen aanleiding ziet om zijn standpunt te wijzigen. Het advies is zorgvuldig tot stand gekomen, de inhoud is inzichtelijk en de conclusies sluiten op de inhoud aan. Het PGCE dat [appellante] heeft behaald is gericht op het voortgezet onderwijs. Deze opleiding kan ook niet de vakinhoudelijke en didactische breedte en het generalistische karakter van de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs bieden. Het advies bevat geen aanwijzingen voor brede scholing in de domeinen die in de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs aan bod komen en die essentieel zijn voor het basisonderwijs. Er is geen initiële lerarenopleiding voor het basisonderwijs gevolgd. De succesvol afgeronde induction-periode is zonder meer relevante werkervaring, maar deze ervaring kan inhoudelijke tekorten in de opleiding niet wegnemen, aldus de staatssecretaris.

8.3. [appellante] heeft op 2 oktober 2025 gereageerd op het rapport van Nuffic en de nadere reactie van de staatssecretaris. Zij betoogt dat uit het advies van Nuffic niet blijkt dat Nuffic rekening heeft gehouden met de toelichting die zij voorafgaand aan de advisering heeft gegeven. Verder stelt [appellante] dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvolledig is. Nuffic heeft geen rekening gehouden met de Master Literacy Learning and Literacy Difficulties. Het is onduidelijk waarom Nuffic de induction-periode slechts als werkervaring kwalificeert. Afronding van de induction-periode is in het Verenigd Koninkrijk namelijk vereist om een lesbevoegdheid te kunnen krijgen. Verder volgt uit het advies niet welke scholing zij nu precies mist op het gebied van pedagogiek, didactiek en ontwikkeling ten opzichte van de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs. De door haar gevolgde opleidingen, in combinatie met haar praktijkervaring, zijn wat betreft niveau minimaal gelijk aan dat van de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs, aldus [appellante].

Oordeel van de Afdeling

9. De Afdeling stelt vast dat [appellante] een onderwijsbevoegdheid wenst te krijgen die is beperkt tot het internationaal georiënteerd basisonderwijs.

9.1. In artikel 2, derde lid, van de Beleidsregel is bepaald dat de staatssecretaris onder bepaalde voorwaarden een bevoegdheid kan verlenen tot het geven van basisonderwijs op een afdeling van internationaal georiënteerd basisonderwijs, als bedoeld in artikel 85a van de Wpo. Daarin is bepaald dat de aanvrager van een bevoegdheid voor het internationaal georiënteerd basisonderwijs moet voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel. Dat betekent dat de aanvrager in het bezit moet zijn van één of meerdere buiten Nederland verkregen bewijsstukken, waaraan in het land waarin deze bewijsstukken zijn verkregen de bevoegdheid is verbonden tot het geven van onderwijs aan 4- tot 12-jarigen, waarmee in het land waarin deze bewijsstukken zijn verkregen bekwaamheid als leraar wordt aangetoond en waaraan een opleiding ten grondslag ligt die voor wat betreft het niveau minstens gelijkwaardig kan worden geacht aan de Nederlandse opleiding die ten grondslag ligt aan het getuigschrift leraar basisonderwijs uit het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de WHW. Aanvullend moet de aanvrager van een bevoegdheid voor het internationaal georiënteerd basisonderwijs in het bezit zijn van één of meerdere certificaten waaruit blijkt dat de Engelse taal op of gelijkwaardig aan niveau B2 volgens het Europees Referentiekader wordt beheerst, of een diploma van hoger algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of onderwijs dat wat betreft het niveau minstens gelijkwaardig kan worden geacht aan voorgaande eis, gericht op doorstroming naar het hoger onderwijs met Engels als examenvak.

9.2. In de toelichting bij de Beleidsregel (Stcrt. 2018, 23727) staat, voor zover van belang, het volgende: "Om in aanmerking te komen voor een bevoegdheid, dient de aanvrager aan te kunnen tonen een bewijsstuk te hebben verkregen voor het geven van onderwijs waarmee in het land waarin het bewijsstuk is verkregen de bevoegdheid en bekwaamheid als leraar wordt aangetoond. […] In ieder geval wordt getoetst of (a) een aanmerkelijk deel van het opleidingstraject dat uiteindelijk tot een buitenlands bewijsstuk heeft geleid, is gevolgd aan een erkende instelling in het desbetreffende land en (b) met de buitenlandse opleiding een niveau is bereikt dat overeenkomstig is met de opleidingen in het Nederlands hoger onderwijs. Wanneer blijkt dat geen sprake is van één of meerdere van bovenstaande zaken kan dit leiden tot een afwijzing van de aangevraagde bevoegdheid." Verder is in de toelichting vermeld dat de staatssecretaris een bevoegdheid kan verlenen die is beperkt tot het internationaal georiënteerd basisonderwijs, om ervoor te zorgen dat een docent met een buitenlands diploma, die niet de Nederlandse taal, maar wel de Engelse taal voldoende machtig is, specifiek daarvoor een bevoegdheid kan ontvangen.

9.3. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris op zichzelf terecht gesteld dat hij, anders dan [appellante] betoogt, de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid als leraar wordt aangetoond zowel inhoudelijk als wat betreft het niveau moet beoordelen. In zoverre slaagt het betoog van [appellante] niet. Niettemin is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris zijn besluit om [appellante] geen bevoegdheid te verlenen ten onrechte slechts heeft gebaseerd op de verschillen die Nuffic tussen de opleidingen heeft geconstateerd, zonder bij zijn beoordeling ook de bewijsstukken waaruit de relevante praktijkervaring van [appellante] blijkt te betrekken. Daartoe overweegt zij als volgt.

9.4. Uit het advies van Nuffic volgt dat er verschillen zijn tussen de opleidingen die [appellante] heeft gevolgd en de Nederlandse opleiding die leidt tot het getuigschrift leraar basisonderwijs uit het hoger beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 1.1 van de WHW. Deze verschillen zien vooral op de breedte van de Nederlandse lerarenopleiding basisonderwijs ten opzichte van de door [appellante] gevolgde opleidingen en de nadruk van de Nederlandse opleiding op didactische vaardigheden.

Dat neemt niet weg dat [appellante] op 25 juni 2015 een qualified teacher status heeft behaald, waarmee zij in het Verenigd Koninkrijk bevoegd is om aan alle klassen en niveaus les te geven in zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs. Aan de qualified teacher status was de voorwaarde verbonden dat zij ook succesvol de wettelijk verplichte induction-periode - een afsluitende stageperiode - heeft afgerond. Deze induction-periode heeft zij in het schooljaar 2015-2016 op een school in het basisonderwijs doorlopen en met succes afgerond. Daarop heeft het British Department for Education op 20 juli 2016 een induction-verklaring voor [appellante] afgegeven, waarin het volgende is vermeld: "The holder of this certificate is a qualified teacher and has obtained the required qualifications and completed the necessary training for the profession of school teacher in England." Met de combinatie van de qualified teacher status en de induction-verklaring is [appellante] in het Verenigd Koninkrijk dus bevoegd en bekwaam om zelfstandig basisonderwijs op een school te geven. Hiermee kan het standpunt van de staatssecretaris dat er geen bewijs is van een voltooide opleiding die specifiek opleidt tot leraar basisonderwijs geen stand houden. Ook het standpunt van de staatssecretaris dat de induction-periode moet worden gezien als werkervaring en niet als onderdeel van de geobjectiveerde beoordeling van de opleiding, volgt de Afdeling niet. De induction-periode is, zoals [appellante] terecht betoogt, een afrondende stage van één jaar. Daar komt bij dat Nuffic zich niet ondubbelzinnig op het standpunt heeft gesteld dat de induction-periode niet voldoende is om de gestelde lacune ten aanzien van het basisonderwijs - die het gevolg zou zijn van de focus van het PGCE op het voortgezet onderwijs - op te vullen. In dat verband merkt de Afdeling op dat het standpunt dat er een lacune bestaat, gelet op de toekenning van de onderwijsbevoegdheid voor het basisonderwijs in het Verenigd Koninkrijk, ook moeilijk stand kan houden. Daar komt nog eens bij dat [appellante] na afronding van haar induction-periode in het schooljaar 2016-2017 aan de Charterhouse Square School in het Verenigd Koninkrijk zelfstandig basisonderwijs heeft gegeven aan 9-11 jarigen. Daarnaast heeft zij ook in Nederland aan The British School in The Netherlands basisonderwijs gegeven en heeft zij bovendien diverse relevante cursussen en specialistische opleidingen gevolgd, zoals ook door Nuffic is onderkend. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte niet alle door [appellante] behaalde diploma’s en bewijsstukken rond de praktijkervaring in samenhang heeft bezien.

9.5. Gelet op de omstandigheden van het geval, valt naar het oordeel van de Afdeling niet in te zien waarom de staatssecretaris aan [appellante] geen bevoegdheid, beperkt tot het geven van internationaal georiënteerd basisonderwijs, kan toekennen.

9.6. Het betoog slaagt.

Conclusie

10. Het hoger beroep is gegrond. De overige gronden van [appellante] hoeven daarom niet besproken te worden. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 juli 2021. De staatssecretaris moet met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellante]. De Afdeling zal de staatssecretaris een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit.

11. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

12. [appellante] heeft bij brief van 8 september 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

12.2. De staatssecretaris heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 6 april 2021. De redelijke termijn is met één jaar en één maand overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.

12.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00.

12.4. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt dus toegewezen.

Proceskosten

13. Omdat het hoger beroep gegrond is, moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep.

14. Omdat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen, moet de Staat de proceskosten vergoeden die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2023 in zaak nr. 21/5630;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 15 juli 2021, kenmerk D-ON03A/004460435;

V. draagt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellante] van een schadevergoeding van € 1.500,00;

IX. veroordeelt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrag van € 455,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Rijsdijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

705-1067

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Wet op het primair onderwijs

Artikel 3

[…]

3. Onze minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten Nederland behaald bewijsstuk waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de bevoegdheid tot het geven van schoolonderwijs verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

[…].

Artikel 85a

1. Onze minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een basisschool een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan die school en in die gemeente voor bekostiging in aanmerking brengen. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin moet voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van de afdeling wordt verzocht, worden ingediend bij Onze minister. Onze minister besluit voor 1 januari daaropvolgend.

2. Onze minister willigt de aanvraag slechts in, indien de aanvraag vergezeld gaat van een prognose die is gebaseerd op statistische gegevens, op basis waarvan het te verwachten aantal leerlingen op de afdeling binnen 5 schooljaren ten minste 80 bedraagt en de afdeling past binnen een evenwichtig landelijk gespreid geheel van basisscholen met een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs.

3. Bij de berekening van het aantal leerlingen dat de afdeling, bedoeld in het eerste lid, zal bezoeken worden leerlingen die wonen binnen een redelijke afstand van een basisschool met een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs en voor wie op die afdeling plaatsruimte aanwezig is, niet meegeteld.

4. Bij ministeriële regeling kan een model worden vastgesteld voor de berekening van de prognose, bedoeld in het tweede lid, en de wijze van indiening ervan.

Beleidsregel bevoegdheid basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor buitenlandse diploma’s

Artikel 2

De Minister kan op verzoek een bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs op een school, een basisschool, een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs, aan degene die:

a. in het bezit is van een buiten Nederland verkregen bewijsstuk of meerdere buiten Nederland verkregen bewijsstukken:

- waaraan in het land waarin deze bewijsstukken zijn verkregen de bevoegdheid is verbonden tot het geven van onderwijs aan 4- tot en met 12-jarigen;

- waarmee in het land waarin deze bewijsstukken zijn verkregen bekwaamheid als leraar wordt aangetoond; en

- waaraan een opleiding ten grondslag ligt die voor wat betreft het niveau minstens gelijkwaardig kan worden geacht aan de Nederlandse opleiding die ten grondslag ligt aan het getuigschrift leraar basisonderwijs uit het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de WHW; en

b. in het bezit is van:

1. een of meerdere certificaten waaruit blijkt dat de Nederlandse taal op of gelijkwaardig aan niveau B2 volgens het Europees Referentiekader wordt beheerst; of

2. een diploma van hoger algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of onderwijs dat wat betreft het niveau minstens gelijkwaardig kan worden geacht aan voorgaande, gericht op doorstroming naar het hoger onderwijs met Nederlands als examenvak.

[…]

3. In aanvulling op het eerste lid kan de Minister op verzoek ook een bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs op een school in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius en het geven van basisonderwijs op een afdeling van internationaal georiënteerd basisonderwijs, als bedoeld in artikel 85a van de WPO, aan degene die:

a. voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a; en

b. in het bezit is van:

- een of meerdere certificaten waaruit blijkt dat de Engelse taal op of gelijkwaardig aan niveau B2 volgens het Europees Referentiekader wordt beheerst; of

- een diploma van hoger algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of onderwijs dat wat betreft het niveau minstens gelijkwaardig kan worden geacht aan voorgaande, gericht op doorstroming naar het hoger onderwijs met Engels als examenvak.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand