202406135/1/A2.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Nadere uitspraak op het verzoek van [verzoeker], wonend in Den Haag, om het college van burgemeester en wethouders van Den Haag te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht.
Procesverloop
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 november 2024 (zaaknr. 202401094/2/A2) bepaald dat afzonderlijk uitspraak wordt gedaan op het verzoek om schadevergoeding van [verzoeker].
De Afdeling heeft bij brief van 29 september 2025 [verzoeker] verzocht om een nadere toelichting op en onderbouwing van het verzoek om schadevergoeding.
[verzoeker] heeft het verzoek schriftelijk nader toegelicht.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
Het college heeft een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. R.M. van der Zwan, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.P. Tjon-Man-Tsoi, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Tussen partijen is in geschil of [verzoeker] recht heeft op schadevergoeding.
Achtergrond van het geschil
2. [verzoeker] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Den Haag (verder: de woning). [verzoeker] verhuurde de woning aan werknemers van zijn horecaonderneming, een Peruaans specialiteitenrestaurant.
3. Bij besluit van 16 juni 2022 heeft het college, onder verwijzing naar een inspectierapport, [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd voor het onzelfstandig laten bewonen van de woning door meer dan twee personen. Bij besluit van 1 februari 2023 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
4. [verzoeker] heeft voor het eerst heeft op de zitting bij de rechtbank het inspectierapport betwist met de stelling dat twee van de vijf aangetroffen personen niet in de woning woonden, maar alleen op bezoek waren. Volgens [verzoeker] werd voldaan aan de voorwaarden van de overgangsregeling voor kamerverhuur op grond waarvan er drie personen die samen geen gezin vormen in de woning mogen wonen en een omzettingsvergunning niet was vereist. Uit het proces-verbaal van de schorsing van het onderzoek op de zitting van 12 september 2023 volgt dat [verzoeker] heeft gesteld over huurovereenkomsten te beschikken en deze graag alsnog zou willen indienen. Het college heeft gesteld bereid te zijn deze stukken te beoordelen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek op de zitting geschorst en [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om de huurovereenkomsten over te leggen en het college om daarop een reactie te geven.
5. Het college heeft op 28 september 2023 laten weten dat de door [verzoeker] overgelegde huurovereenkomsten onvoldoende waren voor de conclusie dat een omzettingsvergunning niet noodzakelijk was, omdat [verzoeker] zou voldoen aan de voorwaarden van de regeling van het overgangsrecht. In de Basisregistratie Personen stonden in de van belang zijnde periode geen drie personen op het adres van de woning ingeschreven die samen geen gezin vormden. Dat feit maakt dat het enkel overleggen van huurovereenkomsten die op belangrijke onderdelen als namen, data en handtekeningen, grotendeels onleesbaar zijn, onvoldoende is. Daarbij komt dat de authenticiteit ervan bovendien onvoldoende controleerbaar was. Er zijn bijvoorbeeld niet ook bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de huurders genoemd in de huurovereenkomsten in de betreffende periode vóór en na 1 juni 2021 huur hebben betaald of brieven overgelegd die deze toenmalige huurders op dat adres ontvingen.
6. [verzoeker] heeft vervolgens niet meer gereageerd en geen andere stukken overgelegd.
7. Bij uitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 1 februari 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] de stelling dat twee van de vijf aangetroffen personen niet in de woning woonden, maar daar alleen op bezoek waren, niet heeft onderbouwd. Het inspectierapport geeft geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat op het moment van de controle slechts drie personen in de woning woonden. Voor ieder van de vijf personen die tijdens de controle op 25 april 2022 aanwezig waren hebben de toezichthouders een in gebruik zijnde slaapplaats aangetroffen. Geen van deze personen heeft verklaard dat zij daar alleen op bezoek waren. Ook als er op grond van de gemeentelijke overgangsregeling drie in plaats van twee personen onzelfstandig in de woning mogen wonen, dan nog kan op basis van de overgelegde huurovereenkomsten niet worden vastgesteld dat de woning voor 1 juni 2021 werd bewoond door drie personen die samen geen gezin vormden. Het college beschouwt de uit de Basisregistratie Personen blijkende inschrijvingen terecht als doorslaggevend.
8. [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Hangende deze hoger beroepsprocedure heeft het college, op verzoek van [verzoeker], hem alsnog de gelegenheid geboden om aanvullende informatie te overleggen die het college zou beoordelen. Dit volgt uit een e-mail van [verzoeker] van 19 februari 2024.
9. Op 19 maart 2024 heeft het college laten weten dat de overgelegde informatie niet voldoende is en heeft aangegeven welke informatie wel nodig is voor het bewijs dat geen omzettingsvergunning is vereist. In deze email is het volgende vermeld: "Uit de BRP volgt dat [persoon] vanaf 21 oktober 2021 op het adres [locatie] stond ingeschreven. Echter, dit bewijst nog niet dat [persoon] daar vanaf mei 2021 daadwerkelijk heeft gewoond. Een loonstrook of huurovereenkomst is onvoldoende. Als [verzoeker] een bankafschrift (waaruit blijkt dat het salaris in de periode mei tot en met juni 2021 over is gemaakt naar [persoon]) en een en uitdraai aangifte loonbelasting (waaruit blijkt dat [verzoeker] vanaf mei 2021 loonbelasting voor zijn werknemer [persoon] betaalde) kan overleggen zal ik deze naar de vakafdeling sturen ter beoordeling of de situatie onder het overgangsrecht valt."
10. [verzoeker] heeft vervolgens alsnog aanvullende informatie overgelegd.
11. Het college heeft hem op 13 mei 2024 laten weten dat op grond van alsnog overgelegde bewijsstukken is komen vast te staan dat de woning in mei 2021 door drie personen werd bewoond, de overgangsregeling van toepassing is en thans geen omzettingsvergunning is vereist.
12. Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft [verzoeker] bij brief van 5 augustus 2024 aangegeven vergoeding te willen krijgen van de schade in de vorm van huurderving, die hij stelt te hebben geleden in verband met de procedures.
13. In de uitspraak van 26 november 2024 op het hoger beroep van [verzoeker] heeft de Afdeling overwogen dat zij het verzoek van [verzoeker] om schadevergoeding afzonderlijk zal behandelen en daarover afzonderlijk uitspraak zal doen.
Verzoek om schadevergoeding
14. Aangezien [verzoeker] zijn verzoek om schadevergoeding niet had onderbouwd, heeft de Afdeling hem bij brief van 29 september 2025 in de gelegenheid gesteld dit alsnog te doen. In het bijzonder is hem daarbij gevraagd inzicht te geven in de schadeoorzaak, het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatigheid en de door hem gestelde schade in de vorm van huurderving. Ook is hem verzocht de gestelde schade nader te onderbouwen met concrete gegevens.
15. [verzoeker] heeft bij brief van 5 november 2025 gereageerd. [verzoeker] stelt dat er al voor 1 juni 2021 sprake was van kamerbewoning van maximaal drie personen en dat daar op grond van de overgangsregeling geen omzettingsvergunning voor was vereist. Het college heeft dit ook bevestigd. [verzoeker] heeft verzocht om schadevergoeding, omdat hij twee jaar lang de woning in plaats van aan drie bewoners maar aan twee bewoners heeft kunnen verhuren en daardoor huurinkomsten is misgelopen. De totale huurderving bedraagt € 20.000,-. Verder bestaat de schade uit de kosten van rechtsbijstand (€ 5.017,20) die hij in de fase van bezwaar en beroep heeft gemaakt.
16. In deze brief heeft [verzoeker] een uiteenzetting gegeven over de aard en omvang van de door hem gestelde schade. In deze brief heeft hij, onder meer, niet onderbouwd waarop hij de gestelde onrechtmatigheid van het besluit van het college van 16 juni 2022 baseert.
17. [verzoeker] heeft op de zitting het verzoek om schadevergoeding beperkt tot een bedrag van € 25.000,-.
Standpunt college
18. Volgen het college is er geen grond voor schadevergoeding, omdat het besluit van 16 juni 2022, zoals gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2023, niet onrechtmatig is. [verzoeker] heeft eerst in hoger beroep stukken overgelegd op grond waarvan geconcludeerd kon worden dat hij voldeed aan de voorwaarden van de regeling van het overgangsrecht. Daarop heeft het college hem medegedeeld dat een omzettingsvergunning niet is vereist.
Beoordeling door de Afdeling
19. In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
20. [verzoeker] heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat het besluit van het college van 16 juni 2022 jegens hem onrechtmatig is. Naar aanleiding van vragen van de Afdeling over de onderbouwing van deze stelling heeft [verzoeker] naar voren gebracht dat hij er van mocht uitgaan dat het besluit van 16 juni 2022 onrechtmatig was.
21. [verzoeker] heeft verder op de zitting gesteld dat hij de reactie van het college op zijn brief van 5 november 2025 niet heeft ontvangen en dat hij er daarom niet op bedacht hoefde te zijn dat het college de onrechtmatigheid van zijn besluitvorming betwistte. Uit het dossier volgt dat de reactie van het college, waarin het college zich op het standpunt stelde dat het besluit van 16 juni 2022, aan het juiste adres van [verzoeker] is verzonden. Ook volgt daaruit dat het college gedurende de hele procedure het standpunt heeft gehandhaafd dat het besluit van 16 juni 2022 niet onrechtmatig is. Het college heeft dan ook geen aanleiding gezien het besluit te herroepen of in te trekken wegens schending van het recht.
22. [verzoeker] heeft op de zitting verder verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om te onderbouwen dat de besluitvorming van het college onrechtmatig is. De Afdeling ziet in het hiervoor geschetste verloop van de procedure geen aanleiding dit verzoek te honoreren. De Afdeling wijst er op dat het, mede gelet op het bepaalde in artikel 8:92 van de Awb, aan de verzoeker is om zijn verzoek om schadevergoeding deugdelijk te onderbouwen. Daarbij komt dat de Afdeling [verzoeker], geruime tijd voor de zitting nadrukkelijk om een onderbouwing van zijn verzoek heeft gevraagd. Daarbij neemt de Afdeling verder in aanmerking dat het aanhouden van deze zaak zou leiden tot een onwenselijke vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en van een goede rechtspleging.
23. Anders dan [verzoeker] op de zitting heeft betoogd, volgt uit de brief van het college van 13 mei 2024 niet dat de besluiten van het college van 16 juni 2022 en 1 februari 2023 onrechtmatig zijn. In deze brief staat: "Met deze bewijsstukken is komen vast te staan dat de woning in mei 2021 door drie personen werd bewoond en dat de overgangsregeling van toepassing is. Nu het voorgaande is komen vast te staan, is thans geen omzettingsvergunning vereist". Uit deze brief volgt dat [verzoeker], hangende het hoger beroep, en dus nadat het college de besluiten van 16 juni 2022 en 1 februari 2023 genomen had, alsnog heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van door hem ingenomen stelling dat hij voldeed aan de voorwaarden van de toepasselijke overgangsrechtelijke regeling. Dat rechtvaardigt niet de conclusie dat deze besluiten onrechtmatig moeten worden geacht jegens [verzoeker].
24. De Afdeling stelt verder vast dat het besluit van 6 juni 2022 niet is vernietigd, herroepen of ingetrokken. Hetzelfde geldt voor het besluit op bezwaar van 1 februari 2023. Daarvoor geldt dus het beginsel van de formele rechtskracht. Dit betekent dat in dit geval in beginsel van de rechtmatigheid van zowel de inhoud als de wijze van totstandkoming van deze besluiten moet worden uitgegaan. [verzoeker] heeft niets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen bieden om een uitzondering te maken op dit beginsel. (Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2805). Daarbij overweegt de Afdeling dat de brief van het college van 13 mei 2024 geen erkenning bevat van de onrechtmatigheid van het besluit van 6 juni 2022, die onder omstandigheden aanleiding zou kunnen zijn een uitzondering te kunnen maken op het beginsel van de formele rechtskracht.
25. De door [verzoeker] gestelde kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft, in de onherroepelijk geworden uitspraak, geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De regeling van de proceskostenveroordeling, zoals neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht, een exclusief, limitatief en forfaitair karakter heeft en er dus aan in de weg staat om de proceskosten nadien via de weg van artikel 8:88 van de Awb vergoed te krijgen.
Conclusie
26. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af.
27. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
299