202000534/1/R2.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], gevestigd in Bergen op Zoom,
appellant,
en
de raad van de gemeente Bergen op Zoom,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" (het plan van 2019) niet vast te stellen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 oktober 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. Suijkerbuijk en drs. K. Stoffer, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het ontwerpplan op 14 februari 2019 ter inzage is gelegd, blijft in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Toetsingskader
2. Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Inleiding
3. [appellant] is een grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op het kweken en verkopen van groenten en fruit. Klanten kunnen ook zelf groenten en fruit plukken bij het bedrijf en verder verhuurt het bedrijf vergaderruimte en verzorgt het rondleidingen ter plekke.
[appellant] wenst dat de nevenactiviteiten, die nu feitelijk al plaatsvinden, tot maximaal 1.000 m² mogelijk worden gemaakt in het plan.
4. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" uit 2003 hadden de gronden van [appellant] de bestemming "Agrarisch met landschaps- en natuurwaarden", met de aanduiding "Struweel vogelbiotoop". Er was een agrarisch bouwblok opgenomen.
In het ontwerp van het plan van 2019 had de raad de gronden van [appellant] bestemd voor "Natuur".
Beroepsgronden
5. [appellant] betoogt dat het besluit om het plan van 2019 niet vast te stellen getuigt van onbehoorlijk bestuur, gelet op de lange procedure die hieraan vooraf is gegaan, de afspraken die niet zijn nagekomen, de procedures die niet zorgvuldig zijn doorlopen en de onjuiste verwachtingen die zijn gewekt. [appellant] stelt dat het bedrijf veel kosten heeft gemaakt die vanwege het niet vastgestelde plan nergens toe hebben geleid. [appellant] voert ook aan dat het niet door de raad in kennis is gesteld van de voorgenomen bestemmingswijziging in de bestemming "Natuur", dat het onduidelijk is of dit zo blijft en wat de mogelijkheden van het bedrijf ter plekke zijn. [appellant] stelt dat de raad niet heeft gereageerd op de zienswijze van het bedrijf en de zienswijze heeft aangemerkt als een "groot initiatief", dat niet zal worden opgenomen in het plan van 2019. [appellant] vreest voor een nog langere procedure met hoge kosten.
Standpunt van de raad
5.1. De raad stelt dat het besluit tot het niet vaststellen van het plan is genomen na een zorgvuldige afweging, waarbij het belang om te komen tot een houdbaar actueel planologisch kader voor het oostelijk buitengebied van Bergen op Zoom zwaar heeft gewogen. Het plan van 2019 was volgens de raad bedoeld om snel over een actueel digitaal bestemmingsplan te kunnen beschikken. Hiervoor was een ontwerpplan zonder grootschalige ontwikkelingen opgesteld. Volgens de raad bleek echter uit verschillende zienswijzen dat veel wijzigingen die niet van ondergeschikte aard zijn, moesten worden doorgevoerd en dat de analoge en digitale versie van het ontwerpplan van elkaar verschilden. De raad heeft daarom besloten het plan van 2019 niet vast te stellen en een nieuw plan op te stellen en in procedure te brengen. Het procedurele risico bij vaststelling van het plan was te groot, onder meer vanwege het aspect stikstof. Het negeren hiervan zou pas getuigen van onbehoorlijk bestuur, zo stelt de raad. De raad wijst op de brief van 18 maart 2020 waarin [appellant] hierover is geïnformeerd.
Beoordeling
5.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het besluit om het plan van 2019 niet vast te stellen hiermee goed gemotiveerd. De raad heeft aan dit besluit een kenbare belangenafweging ten grondslag gelegd en ook de belangen van initiatiefnemers meegewogen. De Afdeling kan het standpunt van de raad om het plan van 2019 niet vast te stellen, vanwege de verschillende gebreken van niet ondergeschikte aard, volgen. Het belang van het zorgvuldig opnieuw doorlopen van de procedure voor nieuwe ontwikkelingen heeft de raad doorslaggevend mogen achten. De raad heeft er daarbij waarde aan kunnen hechten dat het ook niet in het belang van [appellant] was als de raad het plan van 2019 had vastgesteld, alleen al vanwege alle procedurele risico’s. Wat [appellant] over onbehoorlijk bestuur heeft aangevoerd, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.
5.3. In de "Nota van commentaar", die als bijlage 5 bij de toelichting op het ontwerpplan is gevoegd, staat bij reclamant 59 de reactie van de raad op de zienswijze.
Daarnaast heeft de raad [appellant] bij brief van 18 maart 2020, in reactie op het verzoek van [appellant] om in het plan nevenactiviteiten tot maximaal 1.000 m² mogelijk te maken, er over geïnformeerd via welke stappen het bedrijf een vervolg kan geven aan dit initiatief en welke stukken daarvoor nodig zijn. De raad heeft opgemerkt dat [appellant] geen gebruik hiervan heeft gemaakt.
Verder heeft de raad in het verweerschrift de, op dat moment geldende, planologische situatie toegelicht. Daarbij heeft de raad de hiervoor vermelde reactie op de zienswijze in de "Nota van commentaar" opnieuw onder de aandacht van [appellant] gebracht. Die reactie heeft de raad ook als bijlage bij het verweerschrift gevoegd.
Gelet op het voorgaande, wordt [appellant] niet gevolgd in de stelling dat de raad niet heeft gereageerd op de zienswijze.
5.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. De Vlieger-Mandour
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
641